When all is written and done

Aankomen in Brisbane betekende ook gelijk een hele stapel aan afrondend gedoe. Allereerst moest al mijn spul de auto uit, en aangezien ik nog niet alles zo compact mogelijk heb ingepakt kostte dat toch wel twee trips. Nog even alle hoekjes en vakjes een keer nalopen, kijken of alle papieren compleet zijn en proberen het grote vuil eruit te werken (ik wil best een schone auto inleveren, maar zonder stofzuiger zijn er natuurlijk wel grenzen).

Op vrijdagochtend reed ik de laatste vier kilometer in de Holden, van de parkeergarage naar de lokale vestiging van Travellers Autobarn. Een klein uurtje en een hele stapel papierwerk later had ik weer een paar duizend dollar terug, en was ik een sleutel armer. Later die dag ging ik nog even aan de slag om mijn verzekering op te zeggen, en natuurlijk moet ook de account van het tolkastje nog uitgeschakeld worden. De nodige stapel bureaucratie dus.

Daarna heb ik de tijd genomen om een beetje op m’n gemak de stad te verkennen. Ik vind het een heel leuke stad en heb me er zeer vermaakt, maar ik kan nou niet echt dingen aanwijzen die je echt moet zien of doen in Brisbane.

De City vanaf Fortitude Valley

De City vanaf Fortitude Valley

Queens Park, just how I left it

Queens Park, just how I left it

Bulimba en Hamilton

Bulimba en Hamilton

Story Bridge

Story Bridge

Goodwill Bridge vanaf South Bank

Goodwill Bridge vanaf South Bank

Een potje rugby in de Botanic Gardens

Een potje rugby in de Botanic Gardens

Een stukje aangelegd regenwoud bij de rivier

Een stukje aangelegd regenwoud bij de rivier

One question to rule them all

Ik waarschuw alvast iedereen die het in z’n hoofd haalt: als je me binnenkort weer tegenkomt en vraagt hoe m’n reis is geweest ben ik waarschijnlijk minstens een uur aan het woord (en dat ter inleiding). Maar ik zal jullie een lol doen en alvast even antwoord geven op de absolute standaardvraag. En daarbij ga ik die vraag gelijk een beetje ontwijken.

Wat is mijn favoriete plek?

Voor wie het cliché nog niet aan voelt komen zal ik ‘m nog even inkoppen: er is veel te veel gaafs om echt 1 ding eruit te pikken. Toch valt het valsspelen wel mee, want ik kom uit op 2 stuks.

Tasmanië is echt in m’n geheugen gegrift. Er is al zoveel van dat eiland dat ik niet in m’n planning kreeg, en zelfs die planning heb ik door omstandigheden niet helemaal kunnen volgen. Uiteindelijk maakt dat niet uit, want ik heb er absoluut van genoten. Australië ligt misschien wel vol met mooie punten, maar de overgangen kosten toch vaak wel een paar uur rijden en soms is er tussen die punten helemaal niks bijzonders. Op Tasmanië is werkelijk waar elke plek die ik heb gezien prachtig; het saaiste stuk platteland dat ik op het eiland heb gezien zou elders in het land een toeristische bestemming op zichzelf zijn. Natuurlijk is er de bonus dat ik er de meest waanzinnige gastvrijheid heb meegemaakt – wellicht was de aanleiding niet zo prettig, maar het resultaat heeft gezorgd voor een paar onvergetelijke Kerstdagen. Ik heb lange tijd gedacht dat ik bij een volgend bezoek aan Australië eerst eens in het westen zou kijken, in de enige staat waar ik nu niks van heb gezien, maar inmiddels weet ik wel beter: ik ga terug naar Tassie. Sowieso om eindelijk eens die verloren dagen in Hobart en Port Arthur in te halen, maar daarna nog een paar weken om nog veel meer van dit kleine paradijs te ontdekken.

Dat laatste zeg ik niet over de volgende regio, maar toch staan ze voor mijn gevoel op een gedeelde eerste plaats. The Red Centre was een absoluut spektakel. Ik heb genoten van de vele uren op de snelwegen, het gevoel dat je echt een wereld verwijderd bent van de beschaving en de prachtige woestijn die absoluut op geen enkele manier saai te noemen is. Zoals ik eerder heb genoemd is Uluru wat mij betreft wel de laatste plek die je hier moet bezoeken, na de West MacDonnel Ranges, Kata Tjuta en de absolute koning van Centraal-Australië, Kings Canyon. Ook al stelt de stad zelf niet heel veel voor, Alice Springs is toch wel een bijzondere tussenstop om te maken, en maakt het echt af. Het afgelegen karakter maakt het weliswaar aanlokkelijk om erheen te vliegen, maar naar mijn gevoel horen de duizenden kilometers over de Explorer’s Way echt bij de ervaring – het kost je misschien een paar dagen, maar ik heb er absoluut geen spijt van.

Omdat het kan: klikken voor een interactieve kaart van wat ongeveer mijn route is geweest

Going back Up Above

Tja, en dan zit je opeens op het vliegveld. Tassen ingecheckt, een bak matige koffie in de buurt en zittend in een oncomfortabele prutstoel. Met zo’n 24 uren voor de boeg die gevuld zullen zijn met afwisselend wachten en slapen is het heel aanlokkelijk om eens terug te blikken op het avontuur dat ik aan het afsluiten ben. Sinds ik een kleine vijf maanden terug landde in Sydney heb ik bepaald niet stilgezeten, en de foto’s en verhalen die jullie hebben gezien zijn uiteindelijk echt maar een heel klein deel van het geheel.

Ik heb tropische stormen meegemaakt en gekampeerd in nachten van 35 graden. Ik heb me inwoner mogen noemen van het hart van een metropool van 5 miljoen, en heb vrienden gemaakt in een dorp van 50 man. Van vastgelopen files tot limietsvrije asfaltvlaktes, van matige kustlijn tot extreme woestijnhitte. Tientallen wandelingen in de benen, tientallen nieuwe diersoorten gezien, tientallen campings afgewerkt. Ik ben de tel kwijtgeraakt hoe vaak ik met oprecht geïnteresseerde locals heb gepraat, hoe vaak ik onverwacht gastvrij werd behandeld en hoe vaak ik wel niet bij mezelf heb gedacht dat barmhartigheid niet naar Samaritanen maar naar Aussies vernoemd zou moeten worden. In Nederland vond ik 8000 km in een jaar tijd met m’n auto wel aardig wat, maar in 12 weken tijd heb ik in Sydney alleen al 4200 km aan retourtjes naar kantoor gemaakt – om van de 18600 reiskilometers nog maar te zwijgen. En zelfs met zo’n absurde hoeveelheid asfalt achter de rug, de waanzinnig uiteenlopende dingen die ik heb gezien en gedaan nog vers in het geheugen (waar de meer dan 7000 foto’s nauwelijks recht aan doen), heb ik het idee dat ik nog maar nauwelijks iets van dit land heb gezien. Had ik nog een paar maanden gehad, dan had ik die makkelijk – en graag – gevuld met meer avonturen. Ik weet niet of ik echt in Australië zou willen wonen, maar ik zou er wel eeuwig vakantie kunnen vieren. Dus ja, het doet toch een beetje pijn om dit achter te laten en terug te keren naar het noordelijk halfrond.

Maar laat ik wel eerlijk zijn: ik heb er geen spijt van dat ik het voor nu hierbij moet laten. Er zijn ontzettend veel mensen die ik tijden niet heb gezien of gesproken, ik kan niet wachten om weer aan de slag te gaan met al het werk dat voor me klaarligt, en alhoewel het reizen me prima bevalt kijk ik er wel naar uit om weer eens een plek thuis te kunnen noemen. Het geld is eerlijk gezegd toch ook wel een beetje op, ik heb heel veel zin om eindelijk weer eens meer dan 20 CD’s tot m’n beschikking te hebben, en ik begin zowaar een beetje uitgekeken te raken op m’n beperkte ingepakte garderobe. En ja, ik ben wel weer eens toe aan internet dat niet (zelfs in de best beschikbare variant) frustrerend traag is.

Dat ik het land ga missen staat vast, maar wat mij betreft toont dat alleen maar aan dat de reis geslaagd was. Het was niet goedkoop, ik heb de nodige vervelende momenten gehad en af en toe voelt 5 maanden wel echt als een eeuwigheid om weg te zijn, maar uiteindelijk kan ik niet anders dan glunderen als ik terugkijk op wat ik allemaal heb kunnen zien, doen en ervaren. Dit was, zoals ze zeggen, the trip of a lifetime.

I’m going home, Australia, but I will be back. No worries.

G’night.

Brisbane by night

Brisbane by night

Going the middle distance

Ik werd in Darwin in eerste instantie welkom geheten door het weer, en dan met name het regenseizoen. Toen ik vanaf m’n hotel begon aan een eerste rondje door de stad was het stralend weer, maar een minuut later zag ik geen hand meer voor ogen en was alles wat ik aanhad volledig doorweekt. Je zou het bijna vergeten, maar dit stuk van het continent kun je praktisch onder Zuid-Oost Azië rekenen en dat geldt ook voor de onvoorspelbare en zware regenbuien. (“Closer to Bali than to Bondi” zeggen ze wel eens.) Even later ging ik – met nieuwe droge kleren aan – voor de herkansing, die wat meer succes had.

Heel NT is redelijk dunbevolkt (ruwweg zo groot als Mexico met ongeveer evenveel inwoners als Eindhoven) en Darwin is dan ook vooral relatief gezien een grote stad. Met zo’n 150000 inwoners doet het onder voor zowel Amersfoort als Enschede, en zo voelt het ook een beetje: klein maar fijn.

Bicentennial Park

Bicentennial Park

Port Darwin

Port Darwin

Darwin Waterfront

Darwin Waterfront

Stokes Hill Wharf

Stokes Hill Wharf

Het zeewater is gevuld met dodelijke kwallen, dus dan maar een golfslagbad ernaast parkeren.

Het zeewater is gevuld met dodelijke kwallen, dus dan maar een golfslagbad ernaast parkeren.

Qua sfeer is het verbazingwekkend cosmopolitisch. De binnenstad is erg levendig en heeft een aangename sfeer. Het is misschien ruwweg 10 keer zo klein, maar Darwin heeft een stuk meer uitstraling dan Adelaide wat mij betreft.

Supreme Court (met cycloonkelder)

Supreme Court (met cycloonkelder)

Parliament House. De kenmerkende bouwstijl is om het heftige klimaat te overleven.

Parliament House. De kenmerkende bouwstijl is om het heftige klimaat te overleven.

Dat gezegd hebbende had ik het ook hier na een paar dagen wel weer gezien. Tussendoor is m’n auto nog even door de APK geweest (alweer de laatste van de trip) zodat ik de slotetappe zou doorkomen, en daarna kon ik weer verder.

Looking for those dam crocodiles

Op aanraden van de lokale VVV reed ik niet direct naar het volgende natuurpark maar maakte ik eerst even een tussenstop die op de route lag. Bij Fogg Dam worden in deze tijd van het jaar bijzonder veel krokodillen gespot, en toen ik er eenmaal aankwam bleek dat dusdanig ver te gaan dat je er niet eens uit de auto mocht stappen.

Fogg Dam Wetlands

Fogg Dam Wetlands

Het lijkt misschien een grasveld, maar het staat allemaal onder water.

Het lijkt misschien een grasveld, maar het staat allemaal onder water.

Een krokodil heb ik hier helaas niet gezien, maar dat maakte de trip wat mij betreft niet minder waard – het is een heel mooi stukje natuur op zichzelf.

Kakadon’t or Kakadu

Daarna toch even verder rijden, op naar Kakadu. Boven Nitmiluk en Litchfield is dit toch wel de primaire toeristische attractie van The Top End en bovendien gigantisch. Niet alleen de natuur trekt hier veel bekijks, maar ook de grote verzamelingen aan cultureel erfgoed van de Aboriginal-stammen die er hebben geleefd. Door het regenseizoen was ook hier weer ontzettend veel afgesloten, maar ik vond het niet zo erg want het leeuwendeel van de grote attracties is hier toch alleen bereikbaar per 4×4 en dat zou ik met mijn auto toch niet kunnen. Ik beperkte me daarom tot een paar goed bereikbare plekken die ook aardig wat rotstekeningen hadden, want daar had ik nog niet zoveel van gezien.

Er zijn ondertussen twee stukjes trivia die ik graag even met jullie deel. Een is dat een gigantische regio ten oosten van Kakadu de naam Arnhem Land draagt (niet direct genoemd naar de stad maar naar het schip van een Nederlandse ontdekker, dat op zijn beurt wel weer naar de stad verwijst). Aardig wat dingen eromheen verwijzen vervolgens naar die regio, waaronder de snelweg die bekendstaat als de Arnhem Highway.

Niet te verwarren met de A50.

Niet te verwarren met de A50.

Weetje nummer 2 gaat vooral over waar deze weg naartoe leidt. Veel mensen denken dat Jabiru (een flink dorp midden in het park) vooral opgericht is als uitvalsbasis voor het toerisme, maar alhoewel het zich daarvoor erg goed leent is de echte reden verre van gerelateerd aan waardering voor natuurschoon: iets ten oosten ervan ligt Ranger, een mijn bij een van de grootste uraniumreserves ter wereld. Kort gezegd is dit zo’n beetje de Australische versie van olieboringen in de poolzee.

Eenmaal voorbij Jabiru verandert de snelweg in de Kakadu Highway en brengt deze je al snel bij de afslag naar Ubirr. De weg is verhard, maar er is een relatief diep stuk waar nog wel eens water blijkt te staan dus op veler advies ben ik eerst even bij het Ranger-hoofdkantoor gaan vragen of ik er vandaag langs zou komen. “Dry as a bone” was zijn interpretatie. Dat klopte niet helemaal, maar het was gelukkig wel te overzien. Het is overigens wel grappig om links en rechts van je onder water te zien staan en je te realiseren dat zonder de lagen asfalt je effectief dwars door een rivier zou rijden. Om die reden ook hier weer veel waarschuwingen bij al het water: niet uitstappen, want anders krijg je misschien bezoek van een croc.

Ubirr

Ubirr

Ubirr zelf is een verzameling van rotsen met een grote hoeveelheid rotstekeningen in de vele grotten.

Sommige tekeningen zijn wat ouder en minder duidelijk...

Sommige tekeningen zijn wat ouder en minder duidelijk…

...de iets recentere werken zijn wat beter te onderscheiden.

…de iets recentere werken zijn wat beter te onderscheiden.

Een bonus is dat een van de rotsformaties vrij hoog komt en vrij goed te bewandelen is, waardoor je na een beetje zweten een prachtig uitzicht hebt over de regio.

Omhoog naar de lookout

Omhoog naar de lookout

Nardab Floodplain

Nardab Floodplain

Mijn camera heeft aardig moeite met hoog contrast, maar deze is toch best goed gelukt

Mijn camera heeft aardig moeite met hoog contrast, maar deze is toch best goed gelukt

Niet al te ver van Ubirr ligt Nourlangie Rock, met dit keer niet losse formaties maar effectief één groot stuk gesteente de attractie vormt. Het concept is ongeveer hetzelfde (rotskunst met af en toe leuk uitzicht erbij) maar de route is een stuk creatiever en voelt dan ook een stuk meer als een bergwandeling met af en toe wat leuke kunst om naar te kijken.

Wandelroute bij Nourlangie Rock

Wandelroute bij Nourlangie Rock

Er waren niet altijd trappen.

Er waren niet altijd trappen.

Dit zijn denk ik de scherpste tekeningen die ik heb gezien. Ik ben wel alweer vergeten wat het moet voorstellen.

Dit zijn denk ik de scherpste tekeningen die ik heb gezien. Ik ben wel alweer vergeten wat het moet voorstellen.

Over 'life size' gesproken

Dat is nog eens levensgroot

Het uitzicht bij Nourlangie is ook niet verkeerd, alhoewel het door de stapel bomen moeilijk was dat echt goed op een foto vast te leggen.

Nourlangie Rock

Nourlangie Rock

Arnhem Land Escarpment

Arnhem Land Escarpment

Door het klimaat was al dat wandelen ook hier best weer een zweterige klus, maar ik voelde me fit genoeg om tegen het einde van de middag nog 1 halte te bezoeken. Dit keer niet een plek van kunstwerken, maar juist iets met de focus op natuurschoon: Mirrai Lookout. Dat heb ik geweten.

Want wie heeft er nou een duidelijk pad nodig.

Want wie heeft er nou een duidelijk pad nodig.

Het was absoluut de zwaarste klim van de dag, en bovendien was er tijdens het klimmen niet zoveel te zien. Als je eenmaal de heuveltop hebt bereikt en om je heen kunt kijken word je echter wel mooi beloond voor al die arbeid.

Nourlangie Rock vanaf Mirrai

Nourlangie Rock vanaf Mirrai

Een van de grote (nu onbereikbare) trekpleisters van Kakadu is Jim Jim Falls, een stevige waterval van 260 meter. Volgens de bordjes zou je die in de linkerhelft van dit beeld moeten kunnen zien. Volgens de bordjes ja.

Een van de grote (nu onbereikbare) trekpleisters van Kakadu is Jim Jim Falls, een stevige waterval van 260 meter. Volgens de bordjes zou je die in de linkerhelft van dit beeld moeten kunnen zien. Volgens de bordjes ja.

Gezelschap op de lookout.

Gezelschap op de lookout.

Ik verwachtte wel klaar te zijn met de mooie stukjes natuur toen ik eenmaal richting de camping reed, maar ik kreeg er nog een cadeautje bij: bij een van de vele bruggen over het water zag ik daadwerkelijk een krokodil langszwemmen. Ik heb nog even geprobeerd om er een foto van te schieten vanuit de auto toen ik terugreed, maar dat wilde niet lukken. (Stilstaan op bruggen kun je in het park flinke boetes voor krijgen en daar had ik niet zo’n trek in, dus het ging een beetje onhandig.)

The gorgeous gorge

De volgende dag reed ik van Kakadu terug naar Katherine, met ditmaal de zuidelijke afslag richting Nitmiluk. Dit was redelijk dichtbij, dus na het rijden en de tent opzetten had ik nog wel wat tijd over om dezelfde dag aan de wandel te gaan rond de hoofdattractie van het park: Katherine Gorge.

Nitmiluk

Nitmiluk

Dit valt nog mee qua water op het pad.

Dit valt nog mee qua water op het pad.

Dit daarentegen...

Dit daarentegen…

Om eerlijk te zijn is de omgeving waar je doorheen loopt niet heel spannend, en het wandelpad is niet geweldig bewegwijzerd. Op de meeste plekken kun je simpelweg de kleine beekjes volgen (en dan ben je blij met hoge waterdichte wandelschoenen) maar zodra die niet in de buurt zijn merk je dat ze niet de meest zinvolle plekken hebben gekozen om de kleine bordjes te verstoppen. Ik ben denk ik wel iets van 5 keer fout gelopen, en heb nog vaker gedacht dat ik fout liep ook al had ik de juiste route (simpelweg omdat het volgende bordje niet te vinden was).

Na die toch wel ietwat frustrerende 1,5 uur kom je dan wel uit bij een beeld waardoor je het gedoe toch wel weer snel vergeet.

Katherine Gorge vanaf Pat's Lookout

Katherine Gorge vanaf Pat’s Lookout

Bovenaan de waterval

Bovenaan de waterval

Vanaf het uitzichtpunt is er nog een relatief steile klim naar beneden, die uitkomt bij een waterval.

Southern Rockhole

Southern Rockhole

Als je iets verder doorloopt is ook de waterkant zelf te vinden.

Katherine River

Katherine River

Zoals wel viel te verwachten was de weg terug in eerste instantie erg zwaar (klimmen vergt vaak meer inspanning dan afdalen) en ik deed hier dan ook een stuk langer over. Ik had de optie om via een alternatieve route terug te lopen dan ik heen was gekomen, maar toen ik bij de bewuste splitsing was werd het duidelijk dat daar nog wel meer klimmen bij hoorde en dat vond ik inmiddels toch wel echt teveel van het goede. Inmiddels was het toch alweer bijna 40 graden, erg vochtig en het was ook nog eens een pad waar je wel een beetje bij moest opletten – dat vond ik niet zo’n fantastische combinatie.

Al met al moet ik zeggen dat ik erg tevreden was over de wandeling die zeer waarschijnlijk de laatste zou worden van mijn tijd Down Under. Onder de omstandigheden was het waarschijnlijk een van de zwaarste wandelingen die ik heb gedaan, en ik vulde er een ruime 4 uur mee; het eindigen met de eindbaas was zeker gelukt.

Welkomstcomitë op de camping

Welkomstcomité op de camping

Die avond stond vooral in het teken van een beetje uitrusten bij de tent, maar op een gegeven moment kwam er nog bezoek van een verzameling wallabies die aan het grazen sloeg op het grasveld van de camping. Op zich niets wat ik nog niet eerder had gezien, totdat het me opviel dat er een paar jonkies nog in de buidel zaten.

Een kleintje...

Een kleintje…

...maar niet de kleinste!

…maar niet de kleinste!

Dit zijn duidelijk wel veel kleinere beesten dan kangoeroes, want toen ik een paar exemplaren van ongeveer een halve meter langs zag komen bleken een paar hiervan ook weer jongen in hun buidel te hebben. (Kangoeroes beginnen als jong volgens mij zo’n beetje bij een halve meter als ze uit de buidel zijn…)

Towards the final shore

Misschien dat er al wat opgetrokken wenkbrauwen waren bij m’n opmerking over de laatste grote wandeling. Ik ben toch nog lang niet weg uit het land? Nee, dat klopt. Voor het restant van m’n reis geldt echter afwisselend een van twee redenen. De eerste reden is simpel: sommige dagen werden goed gevuld met andere dingen, niet op de laatste plaats met lange autoritten. Deze reden ging gelijk op voor de eerstvolgende 4 dagen. Jawel, vier hele dagen gevuld met autorijden, om van Katherine naar de oostkust te komen.

Terug naar Tennant Creek

Terug naar Tennant Creek

Als je de wegenkaart van Australië pakt zul je waarschijnlijk een weg zien die van Daly Waters naar Cairns loopt, langs de Golf van Carpentaria (onderdeel van de Savannah Way die doorloopt tot aan Broome in WA). Dat zou absoluut de snellere route zijn, ware het niet dat die voor een groot deel onverhard is en zoals veel van dat soort wegen in deze tijd van het jaar gewoon niet gegarandeerd begaanbaar is zelfs met een stevige 4×4. In plaats daarvan had ik dus een stevige omweg te nemen via Tennant Creek, over de Overlander’s Way via de Barkly en Flinders Highways. Deze omweg nam dag 1 en een flink deel van dag 4 voor z’n rekening (eerst 690 km van Katherine terug naar Tennant Creek, en op het einde 350 km vanaf Townsville naar Cairns). De tussengelegen rit strak naar het oosten bestond na Tennant Creek uit stops in Mount Isa (650 km) en Charters Towers (750 km), vanaf waar het nog een uurtje naar Townsville was (gevolgd door nog zo’n 4 uur naar Cairns). Totale oogst: 2584 kilometer.

De laatste stukjes Top End

De laatste stukjes Top End

Over die rit kan ik niet zo heel veel spannends vertellen, maar het was gelukkig niet geheel zonder anecdotes. Allereerst heb ik natuurlijk weer de nodige hoeveelheid suicidale beesten gezien, waarvan een toch wel echt de hoofdprijs scoorde omdat het zo’n absurd formaat had dat ik het in eerste instantie niet eens aanzag voor een dier. Een hagedis van makkelijk 3 meter lang zat midden op het wegdek, z’n achterpoten op de middenstreep vanwaar de voorste helft recht overeind stond (tot ruwweg mijn ooghoogte in de auto) en z’n staart over mijn gehele rijstrook lag. Ik dacht eerst dat het een tak was, maar ja, als je al een uur geen bomen langs de weg hebt gezien ga je daar toch ook wel vraagtekens bij zetten. In ieder geval moest ik er aardig voor afremmen voordat het beestje bedacht dat hij beter het asfalt kon verlaten, wat verdomd snel ging voor zo’n groot geval.

Dit is de oogst van 1 dag. Nee, geen insecten - die vlekken komen van kleine vogels die laag overvliegen en frontaal de voorruit schampen.

Dit is de oogst van een halve dag. Nee, geen insecten – die vlekken komen van kleine vogels die laag overvliegen en frontaal de voorruit schampen.

Op de camping in Mount Isa kreeg ik te maken met een goed staaltje Australische gastvrijheid. Mijn tent stond naast een van de bungalows op het terrein, en de man die daarin zat had avondeten over en bood mij een portie aan. Het was een interessante ontmoeting. De man was een Aboriginal van in de 50, werkzaam voor Queensland Rail (door het werk op locatie zat hij dan ook in de bungalow) en aardig op weg door z’n voorraad Victoria Bitter. Je zou hem dronken kunnen noemen, maar alhoewel hij soms nogal van de hak op de tak sprong kon ik verbazingwekkend samenhangende gesprekken met hem voeren. Alhoewel hij nooit buiten Australië was gekomen was hij bepaald niet wereldvreemd, en ik heb aardig wat over actualiteiten kunnen praten, maar net toen ik dacht dat ik een verdomd intelligente spoorwegmonteur te pakken had bleek dat hij ook nog wel wat eigenaardigheden had. Wist je bijvoorbeeld dat Korea tegenwoordig meer mensen heeft dan China, en dat Nostradamus een verdomd slimme gast was? Het maakte ook allemaal niet uit, want het was een leuke avond en bovendien had hij me een bijzonder lekkere jambalaya geserveerd, en dat zal me toch vooral bijblijven. Samen met de laatste wijsheid die hij me vertelde (die het een en ander over z’n scheiding duidelijk maakte): “never sleep with your missus’ sister”.

Eindelijk van die halve uren tijdsverschil af...

Eindelijk van die halve uren tijdsverschil af…

Tijdens de volgende dag passeerde ik het enige stuk van de snelweg dat op de elektronische borden gemarkeerd werd met CAUTION. (Op een groot deel van de federale snelwegen staan borden die per traject aangeven of de wegen open zijn, al dan niet met waarschuwingen, beperkingen voor 2WD’s of gewichtsbeperkingen voor de truckies. Best handig als je niet elke dag de overheidswebsites erbij wilt hoeven pakken.) Deze status betekent in het algemeen vooral wegwerkzaamheden of een ongeluk waardoor je even moet opletten, maar niks bijzonders dus ik verwachtte niet heel veel. Toen ik er eenmaal langs kwam realiseerde ik me echter dat ik langs de plek reed die ik een tijdje terug in het nieuws had gezien: de trein met zwavelzuur die rond Kerstmis ontspoorde lag er nog. De bergingswerkzaamheden waren dusdanig dicht bij het wegdek dat je er met 40 langs moest, maar verder had het voor de weggebruikers geen gevolgen.

Tropisch Queensland

Tropisch Queensland

En net als je denkt dat dit het meest dramatische is dat je gaat meemaken op het platteland zie je in het volgende dorp opeens een politiejeep in je spiegels met z’n feestverlichting op de carnavalsstand. Het bleek uiteindelijk gewoon een nogal overdreven manier te zijn om me een Random Breath Test te laten doen. Ik weet niet wat me meer verbaasde: de nogal uitbundige manier van staande houden of het feit dat ik nu voor de derde keer een alcoholcontrole tegenkwam in de ochtenduren. En voordat je denkt dat er juist op het platteland wellicht een beetje soepeltjes gedacht wordt over drank achter het stuur: ik was duidelijk een toerist, met m’n NSW-kenteken in Queensland. In ieder geval was het allemaal natuurlijk gewoon in orde, en na het blazen (dit keer wel gewoon door een buisje in plaats van het rare telverhaal in Nowra) en een kort luchtig gesprek met oom agent over of Australië me een beetje beviel als vakantieland was ik weer onderweg. Terwijl ik Richmond uitreed bedacht ik me een laatste theorie voor de controle in de vroege ochtend: het was die dag Australia Day, waarschijnlijk nog het best te vergelijken met Koningsdag in Nederland, en mogelijk dat er op zo’n vrije dag al helemaal veel DUI’s voorkomen.

De laatste kilometers op de Bruce Highway richting Cairns

De laatste kilometers op de Bruce Highway richting Cairns

Van Australia Day heb ik verder overigens helemaal niks meegemaakt, want dat was de dag gevuld met de langste etappe van m’n rit naar het oosten. De twee grote steden die ik die dag zag (Mt Isa en Charters Towers) waren allebei best slaperig in de ochtend respectievelijk de avond, en de dorpjes die ik tussendoor passeerde waren nou niet bepaald gevuld met de parades die de hoofdsteden voor hun rekening namen. Oh well, je kan niet alles hebben.

Ze noemen het niet voor niets de Wet Tropics

Ze noemen het niet voor niets de Wet Tropics

Cairns you believe it

Tegen het einde van de middag op de vierde dag was ik dan eindelijk in Cairns, en dat was toch wel heel prettig. Op de eerste plaats natuurlijk het feit dat ik eindelijk m’n bestemming bereikt had (en daar even een paar dagen zou blijven) maar daarnaast was de stad zelf een aangename verrassing. De locatie van de stad maakt het een populaire bestemming voor toeristen omdat je daarvandaan makkelijk het Great Barrier Reef en het tropische regenwoud (op de werelderfgoedlijst) kunt bezoeken, maar ik had de nodige verhalen gehoord dat het daardoor nogal opgezet is als een doorvoerplek en de stad zelf bijzonder weinig voorstelt. Daar ben ik het zelf in ieder geval niet mee eens.

Trinity Inlet

Trinity Inlet

Cairns Waterfront

Cairns Waterfront

Prachtige omgeving, gezellige binnenstad en zat kroegen en restaurants om een sfeer te maken die niet smaakt naar “backpackers only”. Dat je er bovendien ook nog een hele stapel aan activiteiten in de regio langs kan afvinken voelt meer als een bonus dan het doel van de stad.

Een stukje binnenstad

Een stukje binnenstad

Het deed me allemaal nog best denken aan Darwin (maar dan met een nog wel iets mooiere omgeving) en de bewonersaantallen blijken slechts in de honderdtallen te verschillen, dus dat klopt nog aardig. Je ziet er wel een stuk minder Aboriginals en de toeristendichtheid is een stuk hoger, maar het is dan ook wel echt een andere locatie.

Aan de pier

Aan de pier

3 metres under the sea

Na een goede nacht slapen (met eindelijk weer airco in de buurt van het bed) moest ik de volgende ochtend vroeg op. Rond 7:30 werd ik opgepikt voor een ritje naar de haven, en een tijdje later zat ik op een boot richting Green Island. Dit eilandje is op zich niet heel bijzonder, maar het was de tussenstop op weg naar het daadwerkelijke Barrièrerif waar we alvast een paar uur de tijd kregen om een beetje te oefenen met snorkelen. Met wat snorkelspul en een lycrapak tegen de kwallen lag ik na een tijdje in het water aan het strand.

I'm on a boat!

I’m on a boat!

In eerste instantie verwachtte ik niet heel bijzondere dingen te zien hier want het bleek allemaal niet zo kleurrijk te zijn als de eindbestemming, maar er was wel genoeg leven om te bekijken. Alle formaten vissen kwamen langs (met de grootste volgens mij ongeveer even groot als ikzelf) en daarnaast nog twee grote zeeschildpadden die op hun gemakje langsvlogen op een paar meter afstand. Na een dik uur begon ik al aardig in een rozijn te veranderen en besloot ik m’n energie verder een beetje te sparen voor de volgende halte.

Green Island

Green Island

Het platform in kwestie ligt precies naast een vrij ondiepe koraalberg, dus zodra je in het water ligt zie je al snel een heuse regenboog. Dit was, kort gezegd, alles wat je zo’n beetje op een gemiddelde natuurdocumentaire ziet en ervan verwacht. Alle mogelijke kleuren (en glinsteringen), elke denkbare vorm en een gigantische variëteit aan groottes in zowel koralen als vissen waren er te vinden. Palingachtige beesten van 3 meter lang schoten langs, ik kwam vissen tegen die aangekleed leken met cadeaupapier en glitters, en natuurlijk toch wel een beetje de hoofdprijs: ik heb Nemo gevonden.

Bij het platform op het rif

Bij het platform op het rif

Volle boel

Volle boel

Alles bij elkaar heb ik die dag zo’n 3 uur in het water gelegen, en alhoewel ik me tijdens het zwemmen fit genoeg voelde om nog langer door te gaan, was ik eenmaal terug op het platform toch wel aardig kapot en blij om het een dag te noemen. Ik heb nog even stevig gebunkerd bij het open warme buffet (ik ga wel echt het uiterste halen uit dat geld dat ik heb moeten aftikken voor deze tour) en een beetje rondgekeken in de wat drogere attracties die ze nog te bieden hadden, zoals het onderwater-observatorium op het platform.

Zonder onderwatercamera is zo'n observatorium de beste optie

Zonder onderwatercamera is zo’n observatorium de beste optie

Van de kleine twee uur terugvaren naar Cairns heb ik weinig meegekregen; laat ik het erop houden dat die boot verdomd comfortabele stoelen had.

Sit back and go up

Met een fysiek dagje achter de rug had ik nu wel zin in een iets passievere tijdsbesteding, en die stond dan ook op het programma. Mede op aanraden van Nico nam ik hier een retourtje Kuranda, gebruikmakend van de twee toeristische vervoersmiddelen die het dorp verbinden met Cairns. De heenrit ging via de Skyrail, die deels over stukken regenwoud gaat en daarnaast een paar tussenstops heeft waar je kleine rondjes door dat regenwoud kunt wandelen.

Cairns vanuit de Skyrail

Cairns vanuit de Skyrail

Da's wel een groot boompje ja.

Da’s wel een groot boompje ja.

Regenwoud op Red Peak

Regenwoud op Red Peak

Uitzicht over het regenwoud

Uitzicht over het regenwoud

Barron Falls (met op de achtergrond de trein van de Kuranda Scenic Railway)

Barron Falls (met op de achtergrond de trein van de Kuranda Scenic Railway)

Na een dik uur was ik in Kuranda zelf. Het is duidelijk een dorp dat zich aardig rond het dagtoerisme heeft gevormd, want terwijl ik aankwam (ca. 11:00) gingen de eerste winkels en restaurants open, en tegen mijn vertrektijd (ca. 15:00) gingen de meesten daarvan ook weer dicht. Het dorp zelf is ontzettend klein en de paar attracties die je er kunt vinden (vooral verschillende smaken flora en fauna zoals een vlindertuin en reptielenhuis) vragen naar mijn mening wel ietwat absurde bedragen. Nou wist ik dit van tevoren ook wel, dus ik had wat accessoires voor bezigheidstherapie bij me. Tussen het rondkijken door heb ik dus af en toe even een boek gepakt of verder gewerkt aan m’n volgende blogupdate.

Wonen tussen het groen

Wonen tussen het groen

Kuranda

Kuranda

Na een ietwat late lunch kon ik richting het treinstation voor de rit terug met de Scenic Railway.

I'm on a train!

I’m on a train!

Ik was achteraf blij dat ik de versie had genomen met de Skyrail in de ochtend, want de Scenic Railway is echt een hele goede dagafsluiter. Terwijl je een beetje in de treinbanken hangt en geniet van het gevarieerde uitzicht krijg je het een en ander aan historische achtergrond te horen via de speakers, vooral over hoe ambitieus de treinlijn wel niet was en hoe ingewikkeld deze bleek om te bouwen. Er komt ook nog wat langs over de inzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, want net zoals Darwin was Cairns in die tijd een aardige garnizoensstad voor de geallieerden.

Uitzicht over Smithfield

Uitzicht over Smithfield

Stoney Creek Falls

Stoney Creek Falls

Stoney Creek Bridge

Stoney Creek Bridge

Lage wolken bij Redlynch

Lage wolken bij Redlynch

In het algemeen ben ik niet zo’n groot fan van dure activiteiten en georganiseerde tours, maar deze twee dagen vond ik toch wel geslaagd. Nou heb je voor een uitstapje naar het rif sowieso wel een georganiseerd iets nodig dus dat dat me geld ging kosten wist ik al heel lang, en alhoewel ik Kuranda zelf niet heel spannen vond gaven de vervoersmiddelen (en dan met name de treinrit) me wel het gevoel dat de 100 dollar voor die dag goed besteed was.

Counting down the days

Weet je nog dat ik het een stukje terug had over 2 verschillende redenen om geen grote wandelingen meer te doen? Voor de reis oostwaarts gold reden 1, en voor het traject dat nu volgde (zuidwaarts) reden 2: ik had simpelweg geen zin meer. Op de dag dat ik Cairns verliet was ruwweg mijn laatste week ingegaan, en toen ik me dat eenmaal had gerealiseerd wou het er niet meer uit. Feitelijk was ik op dit moment gewoon aan het aftellen naar m’n eindstation (Brisbane), en met die grote stad in het vooruitzicht stond het me nogal tegen om nog een paar laatste dagen de verschillende dorpjes en natuurparken rond de kust te verkennen. Natuurlijk helpt het ook niet mee dat ik een groot deel van de oostkust al gezien had, en terwijl ik dit stukje afzakte was er niet heel veel dat er echt uitsprong als heel anders dan wat ik al gezien had. Nou had ik niet echt last van tegenzin om dat stukje af te leggen, maar ik hield het nu gewoon even bij autorijden en hangen op de kampeerplek.

Opnieuw de Bruce Highway op, ditmaal tot het andere eindpunt

Opnieuw de Bruce Highway op, ditmaal tot het andere eindpunt

Cardwell

Cardwell

Townsville

Townsville

The Big Mango

The Big Mango

Carmila Beach (ongeveer 10 meter van de kampeerplek)

Carmila Beach (ongeveer 10 meter van de kampeerplek)

Calliope River Campground

Calliope River Campground

Bundaberg Rum Distillery

Bundaberg Rum Distillery

Bij Cairns zie je veel bananenbomen, hier vooral veel suikerriet.

Bij Cairns zie je veel bananenbomen, hier vooral veel suikerriet.

Rumble through the jungle

Heb ik dan helemaal niks bijonders meer te melden voordat ik Brisbane binnenrijd? Nou, een dingetje dan. Mijn laatste kampeerplek voordat het zover was (sterker nog, mijn laatste kampeerplek van de hele Australië-reis) was in Hervey Bay, waar ik 2 nachten verbleef. Niet omdat Hervey Bay zelf nou zo spannend is, maar ik had er een dagtour geboekt naar het beroemde Fraser Island, het grootste zandeiland ter wereld dat hier voor de kust ligt. Als je er rekening mee houdt dat de trip naar het Great Barrier Reef niet echt in groepsverband was maar vooral een club mensen die met dezelfde boot gingen, is dit in feite de enige georganiseerde trip van mijn hele reis. Nou zijn er ontzettend veel eilandjes rond de kust die volgens de reisgidsen het bezoeken waard zijn (Magnetic Island en Kangaroo Island bijvoorbeeld) en ik heb ze eigenlijk allemaal overgeslagen omdat ik zelden overtuigd ben dat het echt heel anders is dan wat je aan het vasteland kunt vinden, en bovendien vaak een stuk duurder is i.v.m. de overtocht. Fraser Island wordt echter een stuk anders beschreven en was daarnaast een heel expliciete aanrader van Lidewij, dus hier was ik toch wel benieuwd naar.

Een ouderwets pontje

Een ouderwets pontje

Fraser de kat, die aan boord van het schip woont om de vogels weg te jagen.

Fraser de kat, die aan boord van de pont woont om de vogels weg te jagen.

Doordat het een zandeiland is kun je er alleen met 4WD’s overheen, en zelfs dan moet je echt weten wat je doet als je niet vast wilt komen te zitten. Er zijn veel opties waarbij je voor de dag een geschikte auto kunt huren en in een karavaan meerijdt, maar alhoewel ik mijn weinige offroad-ervaring erg leuk vond vertrouwde ik mezelf hier echt niet mee en had ik geen zin in alle mogelijke frustraties. Dan dus maar met een klein groepje, met een gids achter het stuur die het eiland goed kent.

Het grove geschut

Het grove geschut

Central Station

Central Station

De buitenste laag is een losse boom die te lui is om zelf een dikke stam te groeien.

De buitenste laag is een losse boom die te lui is om zelf een dikke stam te groeien.

Een van de jongere bomen, slechts 300 jaar oud.

Een van de jongere bomen, slechts 300 jaar oud.

Het had de afgelopen dagen aardig geregend en dat was positief, want de grond was een stuk vaster en de rit was een stuk soepeler. Leuk als je dat hoort, maar aangezien ik nog steeds aardig door elkaar geschud werd vroeg ik me wel af hoe heftig het wel niet moet zijn in droge omstandigheden. We hebben overigens ook geen van de zogenoemde tag-alongs vast zien zitten (backpackers die met een eigen/gehuurde 4×4 achter een gids aankarren) maar volgens de gids kwam ook dat door het weer; normaal kom je volgens hem elke dag minstens 2 keer een vastgelopen auto tegen.

Om je een idee te geven van het wegdek

Om je een idee te geven van het wegdek

Natuurlijk was het (al dan niet beperkte) geschud tijdens de ritten een deel van de lol, die tussen de verschillende stops door kwam. Voor het grootste deel waren het redelijk toegankelijke bezienswaardigheden, maar ook nog een beetje gewandel door het regenwoud en natuurlijk de mogelijkheid om in een uitzonderlijk helder meer te zwemmen.

75 Mile Beach

75 Mile Beach

Eli Creek

Eli Creek

Geloof het of niet, dit is officieel een snelweg waar de normale verkeersregels gelden (en politiepatrouilles plaatsvinden).

Geloof het of niet, dit is officieel een snelweg waar de normale verkeersregels gelden (en politiepatrouilles plaatsvinden).

Wrak van de Maheno

Wrak van de Maheno

The Pinnacles

The Pinnacles

Lake McKenzie

Lake McKenzie

Kingfisher Bay

Kingfisher Bay

Ik ben nog steeds niet heel erg overtuigd van groepsactiviteiten (toegegeven, na 5 maanden m’n eigen plan trekken ben ik daarin waarschijnlijk een beetje bevooroordeeld) maar ik had wel het idee dat het dat hier absoluut waard is. Je kunt toch verdomd veel zien op een moeilijk begaanbaar eiland zonder de nodige mechanische frustraties, en het eiland heeft absoluut z’n eigen meerwaarde. (Daarnaast is het natuurlijk ook bepaald niet verkeerd om een stevige Angus steak als lunch te krijgen.)

The home stretch

En toen was het toch echt gedaan met het kamperen! De laatste keer spullen inpakken probeerde ik het eindelijk weer eens netjes te doen (wel zo handig als je het wilt doorverkopen), en ik gooide ook eindelijk maar eens wat opruimwoede tegen het interieur aan: al m’n spullen verzamelen en terugstoppen in tassen, en bovendien al het afval verzamelen en achterlaten in de vuilnisbak. Voordat ik kon vertrekken moest ik echter wel nog even een vierde tak van de ANWB erbij halen (nu de RACQ), maar dit viel mee: de accu was leeg. Bij aankomst had ik de sleutel een beetje lang in het contact laten zitten met de radio aan, en dat was waarschijnlijk niet zo handig. Ik was wel even bang dat er iets meer aan de hand was omdat ook met startkabels van de campingeigenaar er niks gebeurde, maar de powerpack van de monteur had geen problemen en ik kon op weg om de laatste 300 kilometer af te werken.

Trivia-vragen en antwoorden langs de weg om mensen wakker te houden achter het stuur

Trivia-vragen en antwoorden langs de weg om mensen wakker te houden achter het stuur

Gympie

Gympie

Heel veel interessants heb ik niet te melden over deze rit. Het einddoel was nu zo in zicht dat ik ook geen zin meer had in tussenstops of toeristische routes, dus het was gewoon even doorpakken.

Ik zie wat bekends in de verte!

Ik zie wat bekends in de verte!

...eeeeeeeeeen skyline!

…eeeeeeeeeen skyline!

En na het bliksembezoek van alweer 3 maanden geleden begon ik nu aan een wat langer bezoek van 3 dagen. Mijn laatste 3 dagen in Australië.

Aan de Brisbane River

Aan de Brisbane River

Coast to coast cross-country

Op een vroege zondagochtend vertrok ik uit Adelaide, vol richting het noorden. In tegenstelling tot m’n route naar Broken Hill betekent dat echter niet gelijk dat je de zuidkust achterlaat, want de oceaan heeft zich rond Adelaide nogal naar binnen gewurmd. Vanaf Port Augusta, zo’n 300 kilometer ten noorden van Adelaide, begint de woestijn dan echt.

Twee snelwegen van duizenden kilometers lang, naar het westen en naar het noorden.

Twee snelwegen van duizenden kilometers lang, naar het westen en naar het noorden.

In for the long haul

Ik had niet echt een harde planning gemaakt voor waar ik precies wou uitkomen, want ik wist niet zo goed hoe de lange ritten me zouden vallen. Mijn plan was om gewoon te rijden met de nodige tussenstops, en bij elke tussenstop eens kijken hoeveel daglicht ik nog had en wat voor opties dat me gaf voor slapen. Met andere woorden: cruise control op 100, audioboek aan en gaan. Mag je maar 100 dan? Nee, je mag in SA het grootste deel van de weg 110 rijden, maar de gemiddelde road train rijdt 100 dus ik wou op deze manier voorkomen dat ik veel combinaties van 55 meter hoefde in te halen. En zodra je de Stuart Highway oprijdt kom je die opeens best veel tegen, met 3 of 4 aanhangers achter elkaar.

Zoutmeren rond Lake Eyre.

Zoutmeren rond Lake Eyre.

Een heel normale lengte, en niet eens de langste op de weg.

Een heel normale lengte, en niet eens de langste op de weg.

Vroem.

Vroem.

De snelweg is in South Australia nogal dunbevolkt, en er zijn praktisch geen dorpen te vinden. Het grootste teken van leven dat je af en toe tegenkomt is een roadhouse, een soort combinatie van hotel, camping, supermarkt en tankstation. En natuurlijk een kroeg.

Glendambo Roadhouse

Glendambo Roadhouse

Bij m’n eerste stop in Pimba raakte ik binnen aan de praat met 3 mannen die rond het middaguur duidelijk al het een en ander achter de kiezen hadden. Het bleken wegwerkers te zijn die hun werk midden in de nacht deden zodat ze nog een beetje draaglijke temperaturen hadden. In eerste instantie spraken ze me aan omdat m’n AC/DC-shirt goed viel, maar even later bleek dat een van de mannen Nederlandse ouders had (die rond de oorlog waren geëmigreerd). Een kleine wereld, zullen we maar zeggen.

Gezellige boel.

Gezellige boel.

De roadhouses liggen gemiddeld zo’n 150 kilometer van elkaar, en ik had van tevoren al het een en ander gevonden aan websites van mensen die de prijzen bij de verschillende stops een beetje in de gaten hielden. Op de snelweg gaat mijn auto zo’n 900 kilometer mee op een volle tank, dus ik had wat vrijheid om niet elke stop te hoeven tanken, en dat was gezien de prijzen wel prettig: kostte het 1,22 in Adelaide, onderweg kwam het soms op 1,75. Je zult het weten dat je in een afgelegen gebied bent.

Opal hopefuls

Origineel was m’n plan om de eerste stad pas te bereiken tegen het middaguur van de volgende dag, maar het rijden beviel me zo goed dat ik er even wat kilometers aan vastplakte. Tegen de schemering kwam ik op de eerste fatsoenlijke nederzetting sinds Port Augusta, zo’n 500 kilometer verderop: Coober Pedy.

Coober Pedy

Coober Pedy

De stad is van oorsprong een mijnstad, niet voor grondstoffen maar voor de nationale edelsteen van Australië, opaal. De opaalvelden zijn vanaf een afstand al aardig te zien, door de hopen opgegraven aarde die her en der verspreid liggen over grote vlaktes.

Opaalvelden

Opaalvelden

Los van de industrie is de stad ook nog op een merkwaardige manier gevormd. Vanwege de hoge temperaturen vonden de meeste mensen het niet zo’n strak plan om bovengronds te wonen; aangezien ze toch al aan het graven waren hebben ze dat doorgezet naar hun huizen, om wat natuurlijke koeling te zoeken. Het zijn niet volledige grotten (er is vaak het een en ander tegen de voorkant aangebouwd voor de ruimte) maar uiteindelijk betekent het wel dat de huizen meestal rond de bergen gegroepeerd liggen.

Half onder de grond wonen

Half onder de grond wonen

Tegen de tijd dat ik een camping had geregeld was de zon toch echt aan het ondergaan, dus dat leek me een goed moment om naar het uitkijkpunt te gaan bovenop een berg in het midden van de stad.

Big Winch Lookout

Big Winch Lookout

Zonsondergang in Coober Pedy

Zonsondergang in Coober Pedy

De volgende ochtend begon ik met een korte autorit naar een gebied vlak buiten de stad, naar een paar rotsformaties genaamd The Breakaways. Voor wie de woestijn nog niet mooi genoeg vindt moet dit toch wel de overtuigende plek zijn.

The Breakaways

The Breakaways

Om ook nog even een beeld te krijgen van het ondergrondse karakter van de stad ben ik ter afsluiting nog even langs een paar ondergrondse kerken geweest. Er is geen huis wat je kunt bezoeken wat niet in een museum is omgetoverd, maar de kerken zijn daadwerkelijk nog in gebruik en geven daarom een iets minder kunstmatig beeld. Kerken zijn er nogal veel (mijnwerkers houden wel van religie) maar ik hield het bij 2 stuks.

Servische Orthodoxe kerk

Servische Orthodoxe kerk

En de binnenkant.

En de binnenkant.

St Peter & Paul

St Peter & Paul

En de binnenkant.

En de binnenkant.

Daarna was het tijd om eens een opaalmijn van binnen te zien. Alhoewel er veel musea te vinden zijn is er volgens de meeste aanbevelingen maar 1 plek waar je echt een mijn kunt bezoeken die vandaag de dag nog in gebruik is, en daar ging ik heen. Het bleek echter dat ik een dag had gekozen waarop ze niet veel bezoekers verwachtten, dus de persoon die normaal het stuk in de open mijn begeleidt was nu gewoon aan het werk en dus niet beschikbaar voor rondleidingen. Jammer, maar de rondleiding in het oude stuk van de mijn was nog steeds erg uitgebreid (en het kosste minder).

Tom's Working Opal Mine

Tom’s Working Opal Mine

Een duidelijk verschil met andere soorten mijnen: geen stutwerk nodig.

Een duidelijk verschil met andere soorten mijnen: geen stutwerk nodig.

Een kijkje in het functionele deel, op afstand.

Een kijkje in het functionele deel, op afstand.

Het enige nadeel was wat mij betreft dat er ontzettend hard geprobeerd werd alles in een Facebook-attractie te veranderen. De hele tijd kreeg je de optie om een stuk gereedschap vast te houden, in een manlift te zitten of voor een graafmachine te staan, allemaal met de toevoeging “zodat je het op de foto kunt zetten”. De rest van mijn groep was een familie met twee kinderen dus die maakten er graag gebruik van, maar ik moest elke keer weer uitleggen dat het van mij allemaal niet hoefde (en dat mijn weigering om te poseren echt niet betekende dat ik het allemaal saai vond).

Speelgoed!

Speelgoed!

Ik had Coober Pedy wel zo’n beetje gezien en maakte me klaar voor vertrek, maar wel met een kleine omweg richting een ander stuk buitengebied. De Moon Plains staan bekend om hun uiterst vlakke en kale karakter en zijn daarom geregeld gebruikt als filmlocatie (meestal in films op een andere planeet of na een apocalyps).

Moon Plains

Moon Plains

Aan de rand van de Moon Plains is nog iets anders te vinden: de Dingo Fence, gemaakt om vruchtbare landbouwgrond te beschermen tegen dingo’s en bovendien het langste hek ter wereld. Er is misschien weinig te zien (als je er staat is de eerste gedachte toch gewoon “ja, het is een hek”) maar het is toch wel grappig om je te realiseren dat je halverwege een hek van 5600 kilometer staat.

Dog Fence

Dingo Fence

Het rooster in de weg rond de Dingo Fence. Deze is wel een stuk rigoreuzer dan de veeroosters die je elders ziet; zelfs als ik rechtuit liep moest ik opletten dat m'n voeten niet vast kwamen te zitten.

Het rooster in de weg rond de Dingo Fence. Deze is wel een stuk rigoreuzer dan de veeroosters die je elders ziet; zelfs als ik rechtuit liep moest ik opletten dat m’n voeten niet vast kwamen te zitten.

Coober Pedy gezien vanaf de Moon Plains, over de niet al te fantastische weg ernaartoe. Het ziet er al heet uit.

Coober Pedy gezien vanaf de Moon Plains, over de niet al te fantastische weg ernaartoe. Het ziet er al heet uit.

Drowning out the desert

Nadat ik de vorige dag 850 kilometer had afgewerkt stond er nu ‘slechts’ 750 kilometer op het programma. Onderweg kreeg ik het nodige te zien van woestijnweer, zoals kleine wervelwinden van stof die de weg overstaken.

Wervel...

Wervel…

...dewervel...

…dewervel…

Niet al te veel later was het tijd voor regen, en niet zo’n beetje ook. Volgens de logica “when it rains, it pours” reed ik het ene moment in de stralende zon met 40 graden op de thermometer, gevolgd door ruitenwissers op max, 10 meter zicht en een frisse 28 graden. Gelukkig werd het zicht snel beter (er zijn niet zoveel plekken waar je je auto veilig aan de kant kunt zetten, laat staan als je de weg niet ziet) maar de regen hield aan.

Cadney Park

Cadney Park

Marla Roadhouse

Marla Roadhouse

Het meest spectaculaire aan dit weer was wel de bliksem. Soms vielen de heuvels even weg en gaf de woestijn zo’n uitzicht dat je elke seconde wel ergens aan de horizon een ontlading zag. Het toppunt was echter veel dichterbij, toen ik op een lang recht stuk weg reed en 3 snelle ontladingen achter elkaar zag op ongeveer een kilometer afstand langs de rand van de weg. Ik weet niet wat indrukwekkender was: de bliksem zo dichtbij zien inslaan, of het feit dat bij elke inslag er een grote snelle vlam de lucht inschoot omdat er een boom ontplofte.

Op het asfalt was het op dit moment even droog, maar als je goed kijkt zie je in de verte opstuivend zand in de regen.

Op het asfalt was het op dit moment even droog, maar als je goed kijkt zie je in de verte opstuivend zand in de regen.

Onderweg had ik ook nog even wat ruzie met de elektronica in de auto: de stroom van de sigarettenaansteker was uitgevallen. Ik had het niet eens door totdat de Garmin op een gegeven moment te kennen gaf dat de batterij leeg was – nou was de weg makkelijk genoeg om gewoon op de borden te rijden, maar het leek me toch suboptimaal. Bij de volgende stop dus even gekeken wat er aan de hand was, en na de conclusie te trekken dat ik geen reserves had maar gelijk een stapel nieuwe zekeringen gekocht.

Welkom in de staat die geen staat is, waar de snelheidslimiet hoger ligt en de road trains nog langer mogen zijn.

Welkom in de staat die geen staat is, waar de snelheidslimiet hoger ligt en de road trains nog langer mogen zijn.

Erldunda Roadhouse

Erldunda Roadhouse

Vanaf Erldunda verruilde ik de noordelijke richting voor zo’n 2,5 uur richting het westen, en tegen het vallen van de avond kwam ik op m’n plaats van bestemming. Officieel heet het dorp Yulara, maar je krijgt een iets beter beeld bij de locatie (en reden voor mijn bezoek) met de alternatieve naam: Ayers Rock Resort. (En nee, ik ben niet echt van de resorts, maar dit is de enige plek op een beetje fatsoenlijke afstand waar je mag overnachten en ze hebben gelukkig ook een camping.)

Niet langer de Stuart Highway maar nu de Lasseter Highway.

Niet langer de Stuart Highway maar nu de Lasseter Highway.

Cadeautjes langs de kant van de weg.

Cadeautjes langs de kant van de weg.

Omdat ik de reis wat sneller had afgelegd dan origineel gepland was ik er een dag eerder, en omdat ik hierna niet zoveel lange dagen meer in de planning had staan verwachtte ik niet dat ik die extra tijd later per se nodig had. Ik besloot dus m’n verblijf gewoon met een dag te verlengen. Dat kwam goed uit vanwege de temperaturen: ten eerste is het in de zomer om die reden laagseizoen en zijn er flinke kortingen (in dit geval 3 nachten voor de prijs van 2, precies goed) en ten tweede bleek dat de meeste wandelingen met een beetje afstand na 11:00 afgesloten worden voor de veiligheid van wandelaars in de hitte. Ik was van plan 2 grote wandelingen te doen, en die afsluiting betekende dat ik het op 2 losse dagen moest doen – dat ik er nu 2 volle dagen zou zijn was dus helemaal niet verkeerd.

Tussendoor nog even dit: de receptioniste van de camping herkende het paspoort en vroeg welk deel van Nederland ik vandaan kwam. Meestal houd ik het bij “opgegroeid in het centrum, ik woon naast Duitsland” want de plaatsnamen zeggen mensen toch niks, maar dat was nu anders. “Enschede? The place with the fireworks, right? I went there once. My mother grew up in Borne!”

Back on the beaten path

Uluru (de traditionele naam van Ayers Rock) is vooral beroemd van de dieprode kleur die het heeft in zonsopgang en zonsondergang. Aangezien ik voor de wandeling toch al vroeg op moest vond ik dat ik prima nog wat eerder kon opstaan om dit ook eens mee te maken. Dat betekent dat de wekker ging om 4:30, en uiteindelijk rond 5:30 in de auto zat. Normaal vermijd ik rijden in het donker in dit land, want er zijn nogal wat beesten rond de wegen juist heel actief in de nacht en tijdens de schemering, maar het was nu een relatief korte rit en dat leek me wel haalbaar om extra geconcentreerd te rijden. Overigens leek ik een van de weinigen te zijn die zich hier druk om maakten, want van de colonne die in het donker richting het uitzichtpunt rijdt lijkt het merendeel vooral bang te zijn de zonsopkomst te missen (ook al waren ze ruim op tijd); vooral veel te hard rijden dus, en vergeet vooral niet om geregeld mensen in te halen in blinde bochten met doorgetrokken strepen op de weg. Ik moest weer eens denken aan de vele mensen in alle delen van het land die elke keer weer hetzelfde vertellen: de meeste ongelukken worden veroorzaakt door toeristen die niet doorhebben dat er andere omstandigheden zijn in dit land, veel te hard rijden en vooral geen rekening houden met de wegen (die niet altijd even geweldig zijn) en de natuur. Aziaten zijn er blijkbaar extra goed in.

Goooooooeeeeeedemorgen.

Goooooooeeeeeedemorgen.

Die zonsopkomst bleek niet echt anders te zijn dan de gemiddelde lookout: je gaat ernaartoe, je blijft even kijken, en dan denk je “tja, dat was het dus”. Het is best een mooi plaatje, daar niet van, maar als je je bedenkt dat een leeuwendeel van de toeristen puur en alleen voor die schemermomenten komt vraag je je toch een beetje af of er iets magisch is dat jij niet ziet en de rest wel. Even om me heen kijken gaf al snel aan dat dat niet het geval was: mensen zijn druk bezig met foto’s en selfies, en praten zelfs hardop over dat ze daarmee weer iets van hun bucket list kunnen afvinken (true story) en gaan daarna weer terug naar het resort om in het zwembad te springen. Pure waanzin.

In de schaduw...

Uluru in de schaduw…

...en in het morgenrood.

…en in het morgenrood.

Terwijl de meesten dezelfde weg terug namen reed ik de weg wat verder af, op naar het startpunt van de wandeling. Als je eenmaal op die steen afrijdt en op een gegeven moment aan de voet ervan staan is dat wel ineens een stuk indrukwekkender dan van een afstand moet ik zeggen.

Well hello.

Well hello.

Om m’n goede traditie van stevige wandelingen tijdens deze reis voort te zetten koos ik voor de Base Walk, die in 4 uur het hele rondje maakt rond Uluru. Je ziet niet alleen de verschillende hoeken (en bijzondere vormen) van de steen zelf, maar ook de bijzondere stukjes natuur eromheen.

Rotstekeningen van de Aborigines

Rotstekeningen van de Aborigines

Er zijn ook wat grotere grotten hier en daar.

Er zijn ook wat grotere grotten hier en daar.

Er is nog best wat groen in de buurt.

Er is nog best wat groen in de buurt.

De grote vijver bij Kantju Gorge droogt in de zomer een beetje op...

De grote vijver bij Kantju Gorge droogt in de zomer een beetje op…

Het was warm, maar met genoeg water, eten en stops is het prima te doen. De droge woestijnwind zorgde bovendien af en toe voor wat aardige verkoeling. Dat was niet verkeerd, want toen ik terugkwam bij de auto vertelde de thermometer dat het om 10:30 al 36 graden was, en ik had gelijk nog meer begrip voor het sluiten van het pad met dit soort omstandigheden.

Je hebt soms wel een beetje het idee dat je tegen versteende chocolademousse aankijkt.

Je hebt soms wel een beetje het idee dat je tegen versteende chocolademousse aankijkt.

Nee, het is niet bepaald een uniform ronde vorm.

Nee, het is niet bepaald een uniform ronde vorm.

Mijn eindoordeel: het is eigenlijk ook maar gewoon een steen. Het is geologisch gezien een hele interessante, er zijn best wat leuke hoekjes voor de natuur en natuurlijk is er een gigantische verzameling aan Aboriginal-mythes die eraan verbonden zijn, maar moet je het ding per se met eigen ogen zien om dat te waarderen? Niet echt. De wandeling was totaal niet bijzonder (je loopt gewoon een aangelegd rondje over vlakke grond) en alhoewel er best wat borden staan die af en toe wat toelichting geven over de natuur, de mythes of hoe Aboriginals er vroeger woonden, is verreweg het grootste deel gewoon wandelen met een nogal eentonig uitzicht. Dat gezegd hebbende is het wel een stuk interessanter dan puur van een afstandje de effecten van ochtend-/avondrood bekijken, en als je het bij een wat kortere wandeling houdt (die ook beschikbaar is met een gratis Aboriginal-gids die er wat dingen bij vertelt) is het echt wel een aanrader. (Mijn gok is dat de wandeling die ik koos simpelweg geen meerwaarde heeft bovenop de wandeling van 1 uur, en dat dat m’n oordeel een beetje scheef trekt.)

Culture schmulture

Nadat ik m’n lunch had weggewerkt ging ik terug het park in, op naar het cultuurcentrum. Hier doet het beheer haar best om de cultuur van de lokale Aboriginal-stammen toe te lichten, de verhalen wat meer achtergrond te geven en de geschiedenis van het gebied in te vullen. Ik heb er denk ik een klein uur rondgewandeld en best wat leuke dingen gezien, maar opnieuw had ik gewoon meer verwacht. Ik heb het gevoel dat het nationale museum in Canberra meer achtergrond geeft dan dit cultuurcentrum, en dat voelt toch een beetje scheef.

Nou denk ik dat dit een beetje te maken heeft met de onzekerheid van het parkbestuur, die je onder andere ook terugziet in de beklimming van Uluru: er worden tours aangeboden waarmee je de steen kunt beklimmen, maar tegelijkertijd word je als bezoeker keer op keer gevraagd vooral niet te klimmen. De Aboriginals vinden het beklimmen namelijk een vorm van heiligschennis en willen het eigenlijk niet, maar het is een tijd lang zo’n standaardonderdeel geweest voor Australiërs die het park bezoeken dat Parks Australia bang is dat het verbieden van de klim mensen wegjaagt (en dus een terugloop in inkomsten betekent). Dat cultuurcentrum voelt ook alsof er veel meer mee gedaan had kunnen worden, maar de beperkte uitvoering maakt het toegankelijker voor mensen die eigenlijk niet zo geïnteresseerd zijn, terwijl uitbreiden zou kunnen betekenen dat mensen het een museum vinden en dus helemaal niet meer komen. Het is allemaal wel een beetje begrijpelijk, maar toch ook wel een beetje vreemd.

Mijn plan was om die avond naar de zonsondergang te kijken (als ik er toch ben kan ik er net zo goed gebruik van maken) maar dat liep niet helemaal zoals gepland. Er brak een flinke regenbui open in de avond, en tegen de tijd dat de zon onder ging (en ik eenmaal bij de lookout stond) was het dusdanig heftig onweer dat er van de schemering niks meer te zien viel. Het leverde echter wel het spectaculaire beeld op van bliksem rond Uluru, en een keer zelfs een inslag op de top; dat zie je ook niet elke dag.

Uluru? Waar?

Uluru? Waar?

De parkeerplaats bij de lookout was praktisch leeg (goedweertoerisme is hier nogal letterlijk) en ik raakte aan de praat met de paar andere mensen die de regen trotseerden om het natuurgeweld te zien. Op een gegeven moment had een van hen de briljante ingeving om bij Kantju Gorge te kijken – een van de waterplassen rond Uluru die ontstaat doordat de vorm van de steen het regenwater er heel netjes naartoe geleidt. We sprongen dus snel de auto in en sjeesden ernaartoe (er is een parkeerplaats praktisch naast de Gorge) en waren er getuige van een ware waterval die langs de wand gutste.

Hoe ziet dat er dan uit? Het was tegen die tijd sowieso al heel donker, en rond Kantju Gorge zijn er ook nog vele bomen – niet bepaald iets waar mijn camera fatsoenlijk beeld mee kan produceren. Met een beetje Googlen kom je echter een heel eind.

Second-rated, first class

De volgende dag was ingepland voor het andere grote stuk natuurschoon in het park: Kata Tjuta (ook wel bekend als Mount Olga of The Olgas). Het is zo’n 50 kilometer verder dan Uluru, en dat betekende dus nog iets eerder vertrekken om ook hier maar even de zonsopkomst mee te pakken. Het was op dit uitzichtpunt iets rustiger, en de gemiddelde leeftijd was ook duidelijk hoger: dit was wat meer de categorie die reisgidsen en brochures leest en dus weet wat het park allemaal te bieden heeft, en niet gewoon afkomt op dat ene ding waar ze ooit van gehoord hebben (tenminste, zo verklaarde ik het).

Kata Tjuta

Kata Tjuta

Ook hier ging ik weer voor de grootste wandeling die er was, een rondje door de Valley of the Winds. In een woord: geweldig.

Zelfs om 7 uur 's ochtends is een zonnebril wel prettig hier.

Zelfs om 7 uur ‘s ochtends is een zonnebril wel prettig hier.

Officieel zijn er 39 van deze 'domes', maar ze zijn nogal met elkaar vergroeid.

Officieel zijn er 39 van deze ‘domes’, maar ze zijn nogal met elkaar vergroeid.

Het contrast met Uluru had niet groter kunnen zijn. De rotsformaties lijken dezelfde geologische achtergrond te hebben maar zijn veel veelzijdiger, de wandeling heeft echt wat uitdagende stukken (stevige klimstukken, losse rotsen op het pad en lekker hoogteverschil) en de natuur is waanzinnig afwisselend.

Rotsen, planten en in de winter blijkbaar zelfs een beekje.

Rotsen, planten en in de winter blijkbaar zelfs een beekje.

Valley of the Winds

Valley of the Winds

Dat was best een stevige afdaling!

Dat was best een stevige afdaling!

Er zijn hier geen borden met uitleg over de achtergrond, simpelweg omdat dat geheim is. Blijkbaar is de echte betekenis voorbehouden aan Aboriginal-mannen die een bepaalde beproeving hebben doorstaan, dus zelfs de mensen van Parks Australia weten dat niet. Maar het is gelukkig niet zo heilig dat je er niet mag rondlopen, alhoewel ze je wel vragen om uit respect stil te zijn tijdens de wandeling. Dat is voor sommige toeristen natuurlijk echt ontzettend moeilijk, want zeg nou zelf, als jij een paar rotswanden ziet is het toch logisch dat je als een kind gaat experimenteren hoe hard je er een echo doorheen kan krijgen?

Soms bergachtig, soms lekker vlak.

Soms bergachtig, soms lekker vlak.

Kata Tjuta vanuit de vallei

Kata Tjuta vanuit de vallei

Vandaag is roooooooooooood...

Vandaag is roooooooooooood…

Wat betreft toeristen en borden lezen (ja, ik klaag graag over het stereotyp van vervelende reizigers): sinds wanneer voldoen sneakers aan de aanbeveling “sturdy footwear”? Zoals gezegd heeft deze wandeling best wat pittige oppervlakken, en ik heb vrijwel alle andere mensen op het pad hier moeite mee zien hebben om de simpele reden dat ze flinterdunne schoenen dragen. Nou weet ik dat ik een vrij extreem geval ben (mijn bergschoenen zijn uitgevoerd als veiligheidsschoenen, dus ik heb er de voordelen van stalen neuzen en stalen zolen bij) maar om nou helemaal geen wandelschoenen aan te trekken op een pad dat overal geadverteerd wordt als vrij pittig vind ik toch wel ronduit dom. Een van de redenen dat dit me zo is bijgebleven is dat ik op een gegeven moment twee meiden passeerde die hardop aan het vloeken waren dat er niet was aangegeven dat het pad zo slecht was – voor mij genoeg reden om zo ongeveer al het bovenstaande te citeren als tegenargument. Hun reactie daarop was zo absurd dat ik er daadwerkelijk even geen antwoord op wist: “Stevige schoenen, dat betekent toch gewoon ‘geen slippers’?”

(Ik ben op het moment van schrijven alweer wat verder en heb er bij andere wandelingen sindsdien extra op gelet, en ja, dit komt overal voor.)

Die avond moest ik kiezen of ik in de herkansing ging voor Uluru, of richting Kata Tjuta zou rijden voor de zonsondergang. Vanwege de extra reistijd naar die laatste (en de lengte van de rit in het donker die daarbij hoorde) vond ik dat eigenlijk niet zo’n geweldig plan, maar even later bleek dat ook de eerste optie niet zoveel zou opleveren. Er was weliswaar geen regen, maar het was nog steeds ontzettend bewolkt, dus er was wederom weinig te zien. Desondanks ben ik toch maar even wezen kijken, en alhoewel de parkeerplaats dit keer veel voller stond betekende het vooral veel meer teleurgestelde mensen.

Wel opnieuw een grappige anecdote wat betreft kennis over Nederland, dit keer niet over Enschede maar over Amersfoort. Ik zeg er vaak bij dat het bij Utrecht in de buurt ligt, want soms herkennen mensen dat nog van de start van de Tour. Dit keer nog beter: van het clubje waar ik mee aan de praat raakte was er een jongen die een paar maanden in Utrecht had gestudeerd via ESN, en hij had daadwerkelijk van Amersfoort gehoord.

A canyon fit for a king

De reis vervolgde naar een nabijgelegen natuurpark – relatief dichtbij dan, namelijk op 4 uur rijden. Het was een stukje terug naar de Stuart Highway, om vervolgens ruwweg halverwege een afslag te nemen naar het noorden. Onderweg heb ik nog even wat stops gemaakt om de omgeving wat beter te bekijken; ik was er al een keer langsgekomen, maar toen deed ik m’n best om voor het donker aan te komen en had ik niet echt zin om te stoppen.

Attila, ook bekend als Mount Conner, wordt door sommige toeristen nog wel eens aangezien voor Uluru.

Attila, ook bekend als Mount Conner, wordt door sommige toeristen nog wel eens aangezien voor Uluru.

Rond lunchtijd kwam ik aan op de plaats van bestemming in Watarrka National Park. Ook hier kwam ik weer terecht in een zogenaamd resort, maar ik hield het hier lekker bij de kampeeroptie.

Nou was er in het andere park al gewaarschuwd dat in Watarrka dezelfde maatregelen gelden rond warm weer: je moet voor een bepaalde tijd aan de wandeling beginnen, daarna sluiten ze het pad af. Ik bleek echter mazzel te hebben want het was deze dag vrij gematigd (lees: 30 graden en overwegend bewolkt) dus dat was niet van kracht. Het was iets na lunchtijd toen de tent stond, en dat gaf me genoeg tijd om de wandeling nog dezelfde dag te doen in plaats van de volgende ochtend. Dat stilzitten in de middaguren bij Yulara vond ik eigenlijk niks dus ik vond het allang best dat ik dat niet opnieuw hoefde te doen, en ik ging dus gelijk op naar de wandelroute.

De grote attractie van Watarrka is Kings Canyon, een reeks kloven in het George Gill-gebergte. Het wordt nogal eens de Grand Canyon van Australië genoemd, maar het is toch een beetje anders omdat het door een gebergte loopt. Mijn wandeling, de Rim Walk, volgt het grootste deel van de kloof langs de rand – die wandeling begon met een stevige klim naar de top van de berg, en ondertussen vraag je je toch af waar die kloof blijft. Zodra je eenmaal boven bent is het echter niet te missen.

Klimmen zul je!

Klimmen zul je!

George Gill Range

George Gill Range

Het begin van Kings Canyon

Het begin van Kings Canyon

Kings Canyon

De steilste wand, die nog het meest aan de Grand Canyon doet denken.

Wat Kings Canyon zo bijzonder maakt is dat het een combinatie is van heel veel verschillende vormen van natuur. Geologisch is het sowieso waanzinnig: niet alleen de kloof, maar ook de wanden van zandsteen die je bovenop de bergen tegenkomt geven elke keer weer bijzondere nieuwe beelden.

Bovenop kom je hele verzamelingen van dit soort gelaagde zandsteentaarten tegen.

Bovenop kom je hele verzamelingen van dit soort gelaagde zandsteentaarten tegen.

Felrood en donkergroen is hier wel vrij gangbaar.

Felrood en donkergroen is hier wel vrij gangbaar.

Soms zijn er hele vlakke plateaus te vinden waar geen klimmen voor nodig is.

Soms zijn er hele vlakke plateaus te vinden waar geen klimmen voor nodig is.

Daar komt een hele stapel aan dieren bij, van hagedissen en vogels tot gigantische kangoeroes, die ik op een moment zelfs steile bergwanden omhoog en omlaag heb zien nemen alsof het berggeiten waren.

Skippy!

Skippy!

Dippy! (Je moet even zoeken, maar hij zit hier ruwweg in het midden op weg naar rechtsonder.)

Dippy! (Je moet even zoeken, maar hij zit hier ruwweg in het midden op weg naar rechtsonder.)

Maar het meest bijzondere zit ‘m wel in de flora, want de Kings Creek die door de kloof loopt voedt daar een gigantische explosie aan groen die voor je gevoel helemaal niet thuishoort in de woestijnachtige omgeving. Dit kleine paradijsje heet dan ook Garden of Eden, en alhoewel ik ze echt niet allemaal kan onderscheiden heb ik me laten vertellen dat eenderde van alle plantensoorten in heel Northern Territory is vertegenwoordigd in deze ‘tuin’.

Garden of Eden

Garden of Eden

Het water is hier een stuk minder opgedroogd dan bij Uluru en Kata Tjuta.

Het water is hier een stuk minder opgedroogd dan bij Uluru en Kata Tjuta.

Hier is na stevige regen soms een waterval, maar zoveel geluk had ik dit keer niet.

Hier is na stevige regen soms een waterval, maar zoveel geluk had ik dit keer niet.

Ik kan wel heel uitgebreid van alles en nog wat vertellen over de wandeling, maar eigenlijk kan ik er heel kort over zijn: dit is verreweg het mooiste en gaafste wat je kunt zien in centraal Australië. Je bent 4 uur aan het wandelen en dat is misschien een beetje pittig, maar elke minuut daarvan ontdek je weer iets nieuws om versteld over te staan. Vergeet Uluru, negeer even de West MacDonnels (die hieronder komen) en zelfs Kata Tjuta mag je wat mij betreft links laten liggen – als je 1 plek bezoekt in het befaamde Red Centre, maak het dan Kings Canyon.

Vanaf Cotterill Bridge

Vanaf Cotterill Bridge

In de avond kreeg ik trouwens nog een extra cadeautje van Watarrka: toen ik op de camping aan het eten was kwam er opeens een jonge dingo over het veld hobbelen. Nou kunnen dat (ondanks hun vrolijke hond-achtige uiterlijk) verdomd gevaarlijke beesten zijn, maar deze was vooral erg nieuwsgierig en leek wel gewend te zijn aan de mensen op de camping. Ik deed m’n best het eten van ‘m weg te houden (niet alleen omdat ik zelf honger had, maar je hoort elke diersoort gewoon absoluut niet te voeren) en na een minuutje was ik daarom ook niet interessant meer. Het is inmiddels de zoveelste diersoort die ik helaas niet op de foto heb staan, maar opnieuw vond ik het er zelf niet minder leuk om.

Down the rabbit hole

Omdat ik de wandeling de vorige dag al had gedaan kon ik lekker op tijd vertrekken vanuit Kings Canyon Resort, op naar zo ongeveer de enige plaats die de meeste mensen in dit gebied bij naam kennen: Alice Springs. Voor veel mensen is Alice ook synoniem met Uluru, maar zelfs voor Australische begrippen liggen ze niet bepaald bij elkaar om de hoek. Vanuit zowel Yulara als vanuit Watarrka is de rit naar deze stad zo’n 5,5 uur.

A town called Alice

A town called Alice

Het is wellicht ooit begonnen als een hele belangrijke nederzetting, bijna letterlijk “in the middle of nowhere” ooit opgezet om de telegramlijn tussen Darwin en Adelaide te ondersteunen. Inmiddels is het echter gewoon een goed ontwikkelde stad met alle gemakken die je buiten de woestijn tegenkomt.

Alice Springs CBD

Alice Springs CBD

In Nederland hebben we slagbomen als er een brug over water heen gaat. Hier zijn er slagbomen voor als het water over de weg heen staat.

In Nederland hebben we slagbomen als er een brug over water heen gaat. Hier zijn er slagbomen voor als het water over de weg heen staat. Dit is laag water, dus ze waren open.

Het belangrijkste verschil met andere steden is de grote hoeveelheid Aboriginals op straat (voor m’n gevoel is het ongeveer de helft van de mensen). Alhoewel ik ze niet allemaal kan onderscheiden zegt mijn reisgids dat er 6 verschillende talen worden gesproken op straat, en dat geloof ik zo. Nou is mijn ervaring een beetje scheef omdat heel Northern Territory een wat grotere verhouding heeft in de steden (en dit is de eerste stad die ik er bezoek) maar het is desondanks wel een grappige verrassing.

Hoe draag je de lokale cultuur goed uit? Juist, via de prullenbakken!

Hoe draag je de lokale cultuur goed uit? Juist, via de prullenbakken!

Wat een beetje minder is, is de ietwat grimmige sfeer die er lijkt te hangen. Ik kan er niet helemaal mijn vinger op leggen, maar het voelt gewoon alsof er tegen het begin van de avond iets broeit wat niet helemaal pluis is. Ik heb ontzettend veel politiepatrouilles gezien (inclusief politie te paard door het centrum) die op zich allemaal vrolijk rondkijken en niet per se ergens naar op zoek lijken te zijn, maar met hun aanwezigheid wel een bepaald signaal lijken af te geven. Het is ook de enige stad waar de Lonely Planet expliciet een waarschuwing voor geeft dat je er ‘s avonds niet alleen over straat moet gaan, en als je je een beetje inleest in de geschiedenis van criminaliteit in Alice Springs snap je dat ook wel. Laat ik even duidelijk zijn: ik heb me er geen moment onveilig gevoeld en vond het een aardige stad om doorheen te lopen, maar ik heb er een bepaalde ondertoon gevoeld die ik nog niet eerder ben tegengekomen in dit land.

Anzac Memorial

Anzac Memorial

Alice vanaf Anzac Hill, met de MacDonnel Ranges op de achtergrond

Een klein stukje Alice vanaf Anzac Hill, met de MacDonnel Ranges op de achtergrond

On being sent west

Na een nacht in The Alice reed ik de volgende dag door naar een natuurpark dat wel degelijk op praktische afstand ligt van de stad: de West MacDonnel Ranges, ofwel de westelijke helft van de paralelle bergketens waar Alice Springs zo ongeveer middenin is geplaatst. Het gebied strekt zo’n 150 km ten westen van Alice Springs, en langs deze lengte ligt een mooie weg waaraan je met regelmaat tussenstops tegenkomt. Het grootste deel van de tussenstops is gericht op kloven in de bergketens, soms met mooie waterplassen erbij die zelfs midden in de zomer ijskoud zijn en daarom erg populair zijn om in te zwemmen.

Simpsons Gap

Simpsons Gap

Larapinta Valley

Larapinta Valley

Simpsons Gap vanaf Cassia Hill

Simpsons Gap vanaf Cassia Hill

Standley Chasm (mensen voor schaal)

Standley Chasm (mensen voor schaal)

Ellery Creek Big Hole

Ellery Creek Big Hole

Ormiston Gorge

Ormiston Gorge

Glen Helen Gorge

Glen Helen Gorge

Een grote uitzondering is een plek waar het verweren van de steensoorten een bepaalde vallei heeft omgetoverd in een soort schilderspalet. Aboriginals haalden hier lange tijd hun verschillende kleuren vandaan voor zowel rotsschilderingen als lichaamsversiering.

Ochre Pits

Ochre Pits

De tweede uitzondering is helaas alleen op afstand te zien: Tnorala, ook bekend als Gosses Bluff. Alhoewel het eruitziet als een tafelberg is het in werkelijkheid een gigantische krater van een meteorietinslag.

Gosses Bluff vanaf Tyler's Lookout

Gosses Bluff vanaf Tyler’s Lookout

Plains, aliens and automobiles

Na een krappe week liet ik het centrum van het continent achter me om verder naar het noorden te steken langs de Stuart Highway.

De steenbokskeerkring

De steenbokskeerkring

Een van de wat…bijzonderdere tussenstops is Wycliffe Well. Deels omdat de brandstof hier echt ontzettend duur is (wat een beetje onhandig is qua concurrentie aangezien er een half uurtje verderop een zit met bijna 10 cent verschil in de prijzen) maar toch vooral omdat deze plek zichzelf heeft uitgeroepen tot de UFO-hoofdstad van het land.

Wycliffe Well

Wycliffe Well

Ik noem dit "Aussie 51"

Ik noem dit “Aussie 51”

In Northern Territory is de maximumsnelheid op grote snelwegen trouwens niet 110 maar 130, en op delen van de Stuart Highway is er zelfs helemaal geen snelheidslimiet. Dat klinkt allemaal natuurlijk heel leuk (gigantische lange stukken weg die niet heel druk zijn) maar als je je bedenkt dat benzinestations relatief dungezaaid zijn is het toch niet zo heel praktisch. Er zijn nogal wat verhalen van toeristen die zich niet realiseren dat hun verbruik absurd hoog wordt op 160 en vervolgens met een lege tank zitten. Ik hield het bij mijn tactiek: geen road trains inhalen als het niet hoeft, lekker doorrollen op 100.

Devils Marbles

Devils Marbles

Tegen het eind van de middag kwam ik aan in Tennant Creek, en dat ging niet geheel zonder verrassingen. Toen ik afremde om te parkeren bij de receptie van een camping viel me namelijk een bijzonder geluid op dat ik niet eerder had gehoord (het was waarschijnlijk weggevallen tegen het volume van de motor op hoge snelheid). Een beetje onderzoek gaf aan dat het geluid veranderde met de toeren van de motor, en toen ik een beetje rondkeek zag ik wat druppels onder de auto vandaan komen. Je raadt het al: tijd om de ANWB te bellen. Na de RACT en RACV werd ik dit keer geholpen door de AANT. Terwijl ik wachtte op de monteur had ik tijd om even te bedenken dat ik opnieuw wel een beetje mazzel had gehad: Tennant Creek is de enige stad van een beetje formaat in een straal van zo’n 600 kilometer. Als je tussen Alice Springs en Katherine een plek moet kiezen om een garage te zoeken, dan is dit duidelijk de beste plek. De monteur was er vrij snel, en concludeerde binnen een minuut dat het een lek in de leidingen van de stuurbekrachtiging was. Zijn gok was dat er een leiding vervangen moest worden (uurtje werk en het zou mij niks kosten) maar aangezien het inmiddels bijna zes uur was stelde hij voor om morgenochtend even bij z’n garage langs te komen.

Ze houden in de woestijn van goedkope bouw, dus hier zit gewoon een garage in.

Ze houden in de woestijn van goedkope bouw, dus hier zit gewoon een garage in.

Die volgende ochtend was de diagnose nog simpeler: de pomp lekte, maar erg traag. In plaats van 700 dollar uit te geven aan het vervangen van een pomp stelde hij daarom voor dat ik een literfles vloeistof bij het eerstvolgende tankstation kocht om het reservoir af en toe even bij te vullen – waarschijnlijk zou ik er in de laatste weken van mijn reis nog lang niet 1 fles doorheen jagen, dus dat was veel goedkoper. Zo gezegd, zo gedaan, en ik was al snel weer onderweg.

Je ziet nogal wat van dit soort termiethopen langs de kant van de weg. Soms zijn er een paar hele grote jongens aangekleed met T-shirts of hoeden.

Je ziet nogal wat van dit soort termiethopen langs de kant van de weg. Soms zijn er een paar hele grote jongens aangekleed met T-shirts of hoeden.

Putting the wet in tropics

Tegen het einde van de middag kwam ik aan in Katherine. Dat was een beetje per ongeluk (ik was vooral onderweg naar Litchfield en ik had niet echt tussenstops gepland) en dat leverde wel een interessant ‘probleem’ op. Nitmiluk, een van de drie wereldberoemde natuurparken van de bovenhelft van NT (bekend als The Top End) ligt naast Katherine, en dat had ik in de planning staan voor wanneer ik dit stukje weg weer de andere kant op zou rijden. Ik had niet echt heel veel zin om dat op te schuiven want dat zou betekenen dat ik op die terugreis juist een lege planning zou hebben. Uiteindelijk koos ik voor een tussenweg: ik liet de hoofdattractie aan de zuidkant van Nitmiluk even liggen voor de volgende stop, en ging nu naar de noordkant voor de iets minder bekende attractie, Edith Falls.

Hoe noordelijker, hoe groener

Hoe noordelijker, hoe groener

Voor wie het was vergeten: "everything in Australia wants to kill you".

Voor wie het was vergeten: “everything in Australia wants to kill you”.

Toen ik de tent ging opzetten op de camping merkte ik wel gelijk dat ik hier in de tropische kant van het continent terecht was gekomen. Nadat ik een hele dag ik de comfortabele airco had gezeten was het wel even wennen om met 35 graden bij 90% luchtvochtigheid rond te lopen. The Top End heeft in deze tijd van het jaar ook nog eens een regenseizoen, en ik stond in een bossig gebied dat de afgelopen dagen duidelijk het nodige water had gekregen (en vasthield). Dat maakte het wel een prachtlocatie om rond te lopen.

Edith Falls

Edith Falls

Leliyn Creek

Leliyn Creek

In de nacht brak die regen vervolgens ook echt los, dus de volgende ochtend moest ik een tent met een bijna doorweekte buitenlaag inpakken. In ieder geval was het niet het enige doorweekte; mijn kleren waren na een paar minuten rondlopen ook alweer helemaal doordrenkt van het zweet. In de wetenschap dat ik hier toch maar aan moest wennen liet ik dit me er niet van weerhouden om even een wandeling te doen in het gebied.

Klimmen door stroperige lucht

Klimmen door stroperige lucht

Maar je krijgt er wel mooi uitzicht voor terug

Maar je krijgt er wel mooi uitzicht voor terug

Dat wandelen zorgde wel voor ontzettend veel meer zweet, maar het was zeker een goed idee. Bovenal blijf ik het leuk vinden dat ik af en toe op plekken ga kijken die totaal niet in m’n planning staan, en dat bijna al die plekken toch wel bijzondere stukjes natuurschoon lijken te zijn. Er is gewoon ontzettend veel om te zien in dit land, blijkt maar weer.

Upper Falls

Upper Falls

Upper Rock Pool

Upper Rock Pool

Na ongeveer anderhalf uur was ik toch wel erg blij om weer even in de airco van mijn auto te kunnen duiken, verder op weg naar het noorden.

(Litch)field day

Waar Nitmiluk in de meeste lijstjes op plaats 3 staat van de natuurparken in het noorden van The Territory, staat de volgende attractie vaak op plaats 2: Litchfield. Nou is er in dit park van alles en nog wat te doen, maar een paar dingen zijn alleen bereikbaar met een 4WD en bovendien is in het regenseizoen van alles en nog wat afgesloten (voornamelijk omdat wegen weggespoeld of overstroomd zijn). Dat zorgde ervoor dat het restant van de opties best overzichtelijk was, en het paste redelijk netjes in een dag.

Wat is er open? Nou, niet zo veel.

Wat is er open? Nou, niet zo veel.

Buley Rockhole was de eerste plek. Effectief is het een breed stuk van een aflopende beek, met wat rotsen die een kleine cirkel maken. Het is vooral mooi als een plek om te zwemmen, maar eerlijk gezegd niet heel spannend om te zien.

Tja, een betere foto heb ik niet.

Tja, een betere foto heb ik niet.

Florence Falls is een ander geval. Ook hier is het voor de meeste bezoekers vooral interessant als plek om te zwemmen, maar hier is daadwerkelijk iets te zien. Te beginnen met de waterval zelf.

Florence Falls

Florence Falls

Florence Creek

Florence Creek

Een wandeling van een dik half uur loopt langs zowel stukken regenwoud als iets wat officieel savanne heet – niet bepaald wat je ervan zou verwachten, maar anders dan het regenwoud is het zeker.

Shady Creek

Shady Creek

Welkom op de savanne

Welkom op de savanne

De volgende halte: Tolmer Falls. Hier is vrij weinig dichtbij te doen, maar gelukkig kun je vanaf de lookout ook hier een beetje een toeristische route terug nemen naar de parkeerplaats. Al snel is er weer een uur weggewandeld.

Tolmer Falls

Tolmer Falls

Toch wel iets anders dan de woestijn: geen rotsen met een beetje groen, maar groen met een beetje rotsen.

Toch wel iets anders dan de woestijn: geen rotsen met een beetje groen, maar groen met een beetje rotsen.

Tolmer Creek

Tolmer Creek

Ik zie door het bos de bergen niet meer.

Ik zie door het bos de bergen niet meer.

Tegen het einde van de middag bracht dit me bij Wangi Falls. Dit zijn waarschijnlijk wel de meeste indrukwekkende watervallen van het hele park met een mooie plek om vanaf te kijken, maar ik vermoed dat je hier toch wel echt het maximale uithaalt als je er ook kunt rondzwemmen (wat hier in het regenseizoen niet mag vanwege de kans op krokodillen). Ook hier ben ik even gaan rondwandelen, maar ik had er al een paar uur wandelen opzitten die dag en de drukkende temperatuur en vochtigheid maakten het hier toch wel echt heel zwaar – genoeg reden om na een kwartier toch maar weer om te keren.

Wangi Falls

Wangi Falls

Deze planten staan ongeveer een paar weken per jaar in bloei. Rara wanneer ben ik er?

Deze planten staan ongeveer een paar weken per jaar in bloei. Rara wanneer ben ik er?

Er zijn verschillende mogelijkheden voor kamperen in het park, maar ik koos er uiteindelijk voor om terug te rijden naar Florence Falls. Deels omdat die camping een stuk leger leek dan de andere opties die ik had gezien, maar ook deels omdat er bij Florence Falls daadwerkelijk gezwommen mag worden. Toen ik er eerder op de dag was had ik daar niet zoveel zin in (vooral omdat ik dan weer zou moeten omkleden om verder te gaan naar de volgende stops) maar als je ernaast kampeert is het een ander verhaal. Om het helemaal mooi te maken bleek de plek verlaten te zijn (zowel de camping als het water).

Florence Falls vanuit het water

Florence Falls vanuit het water

And finally…

Omdat ik de kans toch niet elke dag krijg begon ik de volgende dag ook weer even met een paar baantjes onder de watervallen. Daarna even douchen, inpakken en het laatste stukje van de lange rit afwerken. Na de laatste paar uren op de Stuart Highway was er eindelijk weer iets van een stad zichtbaar.

Dadadadadadadada-Darwin!

Dadadadadadadada-Darwin!

En na 10 dagen dwars door het continent zag ik weer water. Dit keer niet de Grote Australische Bocht, maar de Timorzee.

Port Darwin

Port Darwin

Between the ocean and the desert

Een nachtelijke overtocht betekent ook slapen. Ik deelde de kamer met een man die zijn vrouw en kinderen bij de grootouders achter had gelaten omdat hij maandag alweer aan het werk moest in Canberra. Zoals zo ongeveer iedereen in dit land lijkt te doen gaf ook hij me weer wat tips over plekken die ik absoluut moest zien en welke toeristenvangers ik beter links kon laten liggen. Mijn situatie met de auto zag hij somber in; zelfs in een grote stad als Melbourne verwachtte hij dat ik pas maandag geholpen zou kunnen worden, en zelfs dat zou nog wel eens lastig kunnen worden (de paar die open zouden zijn zaten waarschijnlijk al volgeboekt). Ik probeerde er maar niet al te veel over na te denken, want ik moest immers ook nog slapen en dat gaat zo lastig als je je ergens zorgen over moet maken.

Rond 4:45 werd de wekkeroproep gedaan – de boot was op tijd vertrokken en had blijkbaar haast gehad om zo snel mogelijk bij de familie te zijn voor Oudjaarsdag, want we zouden bijna drie kwartier eerder aankomen dan gepland, rond 5:20. Ik had op zich prima geslapen (hetzij een beetje kort) en na een korte douche vond ik mezelf wakker genoeg. Dat moest ook wel; ik had zo’n gevoel dat ik een heel lange dag voor de boeg zou krijgen.

(Waarschuwing: het volgende verhaal is een beetje langdradig, en niet het meest interessante stuk van m’n reis voor de meeste mensen. Het was voor mij echter wel een vrij memorabele dag, dus vandaar dat ik het heb uitgewerkt.)

Bij de terminal heb ik even overlegd met het lokale personeel wat het plan van aanpak zou worden. Het werd al snel duidelijk dat er wat wachten aan zat te komen, want er ging diezelfde ochtend nog een boot terug naar Tasmanië dus tot 9:00 was het dusdanig druk op het vrachtdok dat ze er geen sleepwagens in wouden. De RACV bellen ging wat lastig want m’n telefoon was leeg, en m’n laders lagen in de auto (in de heisa de vorige avond had ik niet verwacht die in te hoeven pakken) en daar mocht ik niet bij. Op zo’n moment kom je erachter dat met mobiele telefoons de telefooncellen op straat wel echt aan het uitsterven zijn: de enige die iedereen wist te noemen zat in een winkel die pas een half uur later open ging. Wachten dus. Toen de winkel eenmaal open was zag ik dat ze ook gewoon USB-kabels verkochten dus ik besloot er daar maar een van mee te nemen – m’n laptop had nog wel stroom, en ik had zo’n gevoel dat ik meerdere telefoontjes nodig zou hebben en dat een telefooncel dan suboptimaal zou uitpakken.

De RACV deed alsof ze me best wouden helpen, maar ze moesten mijn lidmaatschap van de NRMA eerst controleren (de ANWB in New South Wales – de rest helpt me via een samenwerkingsverband) en dan hadden ze het abonneenummer nodig. Dat stond op een stuk papier…in de auto. Dan maar op naam opzoeken, maar na een tijdje in de wacht terwijl de twee organisaties met elkaar overlegden vonden ze dat ik niet in het systeem stond. Spelling zou ook niet het probleem zijn – het staat niet op mijn naam maar op naam van Traveller’s Autobarn, wat elke English native speaker wel zou moeten snappen. Ik wist eigenlijk wel zeker dat de muts aan de andere kant van de lijn gewoon iets fout had gedaan (met mijn humeur op dat moment dacht ik bij mezelf al dat het niet het beste personeel zou zijn op de nachtdienst in de vakantie) en besloot maar gewoon de NRMA te bellen. Dit had ik de vorige keren ook gedaan, waarna zij met de RACT en RACV hadden gebeld. Leek mij extra gedoe, maar slim zijn en om de bureaucratie heen werken had me vooral een half uur aan verspilde tijd en moeite opgeleverd. De NRMA kon me gelijk vinden en ging me helpen…maar dan moest ik wel zelf even een garage vinden, want zij wisten toch echt niet wie er vandaag open waren.

Na wat gesteggel met de AWN in een poging een nieuwe lijst garages te krijgen (het was opnieuw echt een ontzettend moeilijke vraag die ik stelde) was het alweer 6:45. Ik had een lijst met garages, maar die kon ik niet bellen want zelfs op normale werkdagen was geen van de garages open volgens hun websites. Ik probeerde al wel wat om te kijken of er automatische berichten waren die iets zeiden over openingstijden, maar nee. De eerste garage ging om 8:00 open maar had volgens de website vanaf 7:30 al iemand op locatie voor vroege drop-offs, dus om 7:30 probeerde ik die en zowaar kreeg ik iemand aan de lijn. Ze konden me zelfs helpen, maar dat zou wel maandag worden (ter verduidelijking: het was donderdag, en ik was van plan zaterdag te vertrekken). Afleveren kon al wel vandaag. Het was waarschijnlijk het beste wat ik zou krijgen, dus ik vond het prima en gaf het adres door aan de NRMA, zodat die het weer konden doorgeven aan de RACV. Ondertussen belde ik maar met m’n hotel om m’n verblijf met een paar dagen te verlengen, want dat zou ik wel nodig hebben. Het puzzelen aan m’n reisschema kwam later wel, maar ik had al wat globale ideeën over opties voor schuiven en schrappen.

Even later miste ik een oproep van de NRMA, het voicemailbericht zei dat ze geen sleepwagen konden reserveren maar alleen direct (het was 7:45 en ik had ‘m om 9:00 nodig). Nou ja, vooruit. Ik had erop ingesteld om rond 8:50 opnieuw te bellen, maar vlak daarvoor kreeg ik opeens een automatische SMS van de RACV dat er iemand onderweg was en over 5 minuten bij me zou zijn. Waar dit precies fout was gegaan wist ik niet, maar het kon me ook niet zoveel schelen. Ik liep richting het vrachtdok waar de sleepwagen zou aankomen.

Het was even wat gedoe om de auto op de wagen te krijgen (er was iemand die net zoals ik met een kapotte auto zat, en die hadden ze precies voor mijn auto geparkeerd) maar na een beetje duwwerk was deze vrij en was het gedaan. De man vroeg me of ik iemand had die het vandaag kon regelen. Nee, maandag pas, maar we konden het alvast afleveren, zei ik. Hij zei dat hij wel iemand wist die het vandaag kon regelen, en vroeg of ik dat wou proberen. Zelf betwijfelde ik dat het dezelfde dag nog kon gebeuren (de monteur van RACT had de conclusie getrokken dat de boordcomputer aan vervanging toe was, dat leek me niet iets wat even snel tussendoor kon) maar ach, als het niet vandaag kon kon die garage het vast ook wel maandag proberen. Prima, zei ik, laten we dat maar doen.

Terwijl de man onderweg was belde hij even vooruit om te zeggen wat er aan de hand was en dat hij een spoedgeval had, of hij er even naar kon kijken. De reactie was zo ongeveer wat ik verwachtte: als het een klein probleem is zou hij het fixen, maar iets groots ging niet lukken. Na het telefoontje kwam ik aan de praat met de chauffeur, over dat ik aan het reizen was en wat ik allemaal al had gezien. Een van de dingen die ter sprake kwam was dat ik al een slaapplek had (een hotel in de binnenstad). Toen we aankwamen bij de garage kwam dat opeens weer om de hoek kijken. Het was een familiebedrijf, en terwijl hij de man aan de lijn had gehad kwamen we nu de vrouw tegen, die zei dat ze het veel te druk hadden. Mijn chauffeur zei tegen mij dat ik even m’n mond moest houden, en hield vervolgens een verhaal tegen de vrouw dat ik geen slaapplek had dus het moest absoluut dezelfde dag gebeuren. Nou vooruit, ze zouden ernaar kijken. “Het zijn goede mensen, maar soms moet je ze een beetje onder druk zetten.”

Je moet trouwens niet het idee krijgen dat ik in een afgelegen industriewijk was gekomen bij een twijfelachtige monteur. We zaten in Spotswood, een wijk net aan de overkant van de West Gate Bridge, en het voelde verbazingwekkend Enschedees (los van het kwik dat rond 9:30 al de 38 had aangetikt). Een van de dingen die dat deed was het feit dat er een grote hoeveelheid (sterk geïntegreerde) Arabische mensen leken te wonen. De garage was netter en mooier dan alle garages die ik tot nu toe heb gezien, had grote certificaten van de RACV en tal van andere vergelijkbare instanties hangen, en werd gerund door (gokte ik) een Libanese familie. De vrouw had duidelijk de broek aan en had de bedrijfsvoering in handen, maar vader en drie zoons deden het handwerk. Mijn chauffeur was een nogal ronde Marrokaanse kerel, die duidelijk een vriend van de familie was. Terwijl ik aan het wachten was kwamen er af en toe wat mensen uit de buurt binnendruppelen om een auto op te halen (de helft in het Engels, de helft in het Arabisch) en op een gegeven moment kwam er zelfs nog een vriend van de familie met een sleepwagen aan; hij had de andere auto bij zich die stuk van de boot was gekomen.

Ik pakte een kop koffie uit de automaat (vers gemalen koffie voor 1 dollar – had ik al gezegd dat dit een bijzonder nette garage was?) en ging er maar rustig voor zitten, want ik verwachtte dat het nog wel even zou duren en dat ik zou horen dat ze het toch niet vandaag konden doen. Twintig minuten later hoorde ik dat het opgelost was. Ja, echt.

Het probleem bleek te zijn dat er een aardekabel van de elektronica los was komen te zitten en slecht contact maakte. Dit was een perfecte verklaring voor alle symptomen, en was bovendien ook nog eens te wijten aan het verwisselen van de motor: ze hadden daarbij gewoon iets niet goed aangedrukt. Dat laatste vond ik nog het belangrijkste, want dat zei mij dat het eigenlijk geen nieuw probleem was en dat het eigenlijk nog steeds door die falende radiator kwam. Iedereen (inclusief ikzelf) was wel verbaasd dat dit niet was gevonden door het mannetje van de RACT, en ook niet bedacht was door de Holden-technicus die hij had gebeld. Beetje jammer, maar dat kon me nu niet zoveel schelen. Mijn probleem was opgelost, en het kostte mij niet meer dan de manuren. Toen kwam de klap op de vuurpijl: “Ben je lid van RACV?” “Niet direct, nee.” “Ok, nou, we doen maar even alsof, want dan kunnen we je ledenkorting geven.” Nog eens 10 procent eraf.

Zowel de familie als de chauffeur (die er nog steeds rondhing, wachtend op een volgende klus) heb ik uitvoerig bedankt. Het gaf opnieuw aan dat je echt heel behulpzame mensen hebt in dit land, maar mijn gestoei over de telefoon had wel duidelijk gemaakt dat je die (net zoals in elk land eigenlijk) niet moest zoeken in een callcenter. Dat het grote hoofdkantoor niet weet welke garages open zijn op feestdagen en in de vakantie vind ik nog steeds bizar (het lijkt me juist de periode dat je veel problemen hebt met toeristen die niet in hun eigen stad zijn en dus niet hun auto naar huis kunnen laten slepen i.p.v. een garage) maar zodra je bij de working class aanklopt wordt alles op alles gezet om je te helpen – zelfs een onzinverhaal aan je vrienden ophangen om de klus er nog even door te duwen is dan prima, blijkbaar.

Tegen de tijd dat ik vertrok uit de garage was het 10:30. Een paar uur eerder zat ik in de terminal in mezelf te vloeken op onbehulpzame callcenters terwijl er op de TV’s de standaard kunstmatige supervrolijke ochtendprogramma’s vooruitkeken naar de gezellige en vrolijke viering, en een “happy new year” – op dat moment was ik alles behalve happy, en die TV’s maakten het absoluut niet beter. Een paar uur later was het echter compleet anders. M’n auto deed het weer en ik had er bovendien vertrouwen in dat ik niet in het ene probleem na het andere zou komen, ik hoefde m’n reis niet om te gooien en ik had nog een hele dag voor me om lekker te genieten van het absurd warme weer in afwachting van nieuwjaar. Je zou kunnen zeggen dat er wel een beetje sprake was van mood swings.

Eenmaal bij het hotel liet ik m’n eerdere verlenging weer annuleren, en toen ik m’n tassen wou achterlaten (het was 2 uur voor check-in) bleek dat m’n kamer al klaar was en dat ik gewoon gelijk naar boven kon. Gewoon gelijk m’n spullen in een hotelkamer gooien. Puur omdat het kon (en om een beetje het gevoel te krijgen dat m’n dag nu pas echt begon) ben ik maar gewoon weer onder de douche gesprongen, en na een klein ongepland middagdutje om de korte nacht te compenseren (je kent dat wel, als je opeens op een heel comfortabel bed ligt) had ik dan toch eindelijk het gevoel dat ik 2 mooie dagen in Melbourne voor me had liggen.

Going with the times

De eerste van die dagen was overigens niet heel uitgebreid. Met 40 graden buiten de deur had ik niet heel veel motivatie om de stad weer door te wandelen, zeker omdat ik het gevoel had dat ik toch wel aardig wat had gezien tijdens m’n vorige bliksembezoek. Ik vulde het dus vooral met wat lezen in de schaduw bij Flagstaff Gardens, een lunch bij de Federation Square, en een beetje typen aan m’n verhalen aan de Yarra River.

Tussen de frustraties door dacht ik in de ochtend op de televisies gezien te hebben dat er om 21:00 vuurwerk zou zijn bij Flagstaff Gardens (het ‘kindervuurwerk’ zullen we maar zeggen). Ik had niet echt andere plannen dus ik ging daar maar heen om alvast een idee te krijgen van de show, maar dat bleek tevergeefs; het kindervuurwerk was alleen bij Yarra Park, en er was niets zichtbaar vanaf waar ik zat. Na een reeks doffe knallen ging ik een beetje teleurgesteld terug naar m’n hotelkamer om nog even op te laden voor de mensenmassa’s bij de show rond middernacht. Ik besloot voor het eerst in tijden weer eens het nieuws te kijken, en toen dat eenmaal gedaan was kwam ik terecht bij een cricketwedstrijd op TV. Nou kende ik op dat punt alleen wat basisconcepten van de sport, maar niet genoeg om echt te snappen hoe een wedstrijd werkte. Wat mij fascineerde aan de wedstrijd was dat het publiek zo enthousiast was als bij een gemiddelde voetbalwedstrijd, in tegenstelling tot het imago wat meer in de buurt komt van snookerpubliek. Terwijl dit aanstond besloot ik de regels op te zoeken, en ik had al vrij snel de meeste concepten begrepen – bovendien werd me duidelijk dat deze competitie is voor Twenty20-cricket, wat kort gezegd een vorm is van de sport die juist is ontwikkeld om het sneller en interessanter voor het publiek te maken. Het werkte, want aan het einde van de wedstrijd (die bovendien met een bijzondere grote comeback eindigde waardoor de presentatoren ook nog eens op de maximale stand sprongen) zat ik er helemaal in.

Toen de wedstrijd afgewerkt was werd het wel tijd om richting Federation Square te gaan, een van de grote plekken waar (en dit wist ik zeker) de vuurwerkshow goed te zien zou zijn. In tegenstelling tot Sydney heeft Melbourne geen centrale show maar gebruiken ze een hele verzameling flatgebouwen om vanaf af te steken. Het was druk, maar ik kon nog prima op een mooie plek komen, en na een klein uurtje wachten barstte de show los.

Drukte bij Federation Square

Drukte bij Federation Square

Ik zal heel eerlijk zijn: het viel gewoon tegen. Niet alleen vergeleken met de show in Sydney, niet alleen vergeleken met georganiseerde shows in Nederland, maar gewoon vergeleken met wat ‘we’ zelf afsteken was dit een aanfluiting. Effectief hadden ze gewoon een vuurwerkshow gepakt zoals in Darling Harbour (beter nog, een vuurwerkshow zoals ik zelf ooit voor de Kick-In heb besteld voor slechts 3 nullen) en die op 15 locaties neergezet. De effecten waren niet bijzonder, er zat geen structuur in de show, er was geen duidelijk einde – er was niet eens een countdown naar middernacht, de show begon gewoon opeens. Het was beter dan niets, zullen we maar zeggen, maar het stadsbestuur zou wel eens mogen nadenken over hoe geloofwaardig hun verhaal is dat er 8 maanden planning aan vooraf was gegaan (ik verzin het niet).

Can you say anticlimax?

Can you say anticlimax?

Maar weet je, het was eigenlijk wel prima. Ik zat totaal niet in die stemming die normaal bij deze tijd van het jaar hoort. Het was niet koud, er was geen leeglopend-en-vervolgens-weer-vollopend studentenhuis rond de Kerstdagen, geen oudejaarsconference met oliebollen, en ik had niet eens geprobeerd om de Top 2000 te luisteren. Van alle dagen die ik in Australië zou doorbrengen had ik hiervan verwacht dat het nog wel eens een eenzaam moment zou worden (nul bekenden om me heen in plaats van de honderd nieuwjaarswensen die ik normaal uitdeel in de Vestingbar) maar zo voelde het totaal niet. Natuurlijk miste ik het feest in de VB wel een beetje (het blijft toch wel een van de weinige echt leuke en grote feesten van het jaar) maar ach, een jaartje missen moest kunnen.

Out and about

De volgende dag besloot ik gebruik te maken van het geweldige openbaar vervoer van de stad. Dat is lekker simpel gehouden, en is geweldig voor toeristen. Het begint met een gratis zone – het hele CBD kun je gratis bereizen in bussen, trams en treinen. Ja, treinen; langs de rand van het CBD liggen zo’n 4 treinstations. Ga je buiten die gratis zone, dan betaal je een vast bedrag waarmee je zoveel kunt reizen binnen 2 uur als je wilt (eventueel een hoger bedrag als je tussen zones 1 en 2 reist, maar je komt eigenlijk nooit buiten zone 1 als toerist). Na die 2 uur kun je opnieuw inchecken – je betaalt dan datzelfde vaste bedrag nogmaals, maar daarmee is voor de rest van die dag elke reis betaald. Voor mij betekende dit op een feestdag dat ik voor een paar dollar onbeperkt de hele stad door kon. Niet verkeerd.

Allereerst op naar St. Kilda. Dit is een wijkje dat rond het strand is gebouwd en een beetje de allure heeft van een gemiddeld stranddorp zoals Lakes Entrance, maar dan wel binnen een stad van 4 miljoen. Het voelt dan ook niet echt klein, maar ook niet echt als een stukje van een metropool, en dat is best een grappig sfeertje.

Melbourne heeft ook een Luna Park, met een andere maar even verontrustende poort als die in Sydney

Melbourne heeft ook een Luna Park, met een andere maar even verontrustende poort als die in Sydney

St. Kilda Beach

St. Kilda Beach

De lokale nieuwjaarsduik

De lokale nieuwjaarsduik

The Esplanade

The Esplanade

Na een beetje uitwaaien op het strand ging ik richting de Shrine of Remembrance. Dit gigantische monument is de centrale plek van het land op Anzac Day, vergelijkbaar met de Dam op 4 mei. Op het eerste gezicht is het gewoon een veel grotere versie van het Anzac Memorial in Hyde Park, maar het is zeker een los bezoek waard. En niet alleen vawege het uitzicht dat de heuvel je geeft over de stad.

Boer War Memorial

Boer War Memorial

Wat omringende monumenten voor historische figuren, zoals de eerste gouverneur-generaal...

Wat omringende monumenten voor historische figuren, zoals de eerste gouverneur-generaal…

...en Edward VII.

…en Edward VII.

Shrine of Remembrance

Shrine of Remembrance

Melbourne vanaf de trappen

Melbourne vanaf de trappen

Wat ik persoonlijk nogal opvallend vind is dat, in tegenstelling tot de monumenten en musea in Sydney en Canberra, dit monument vrij expliciet praat over “the glory of sacrifice” van de soldaten. Ik vond het bij die eerdere plekken juist zo prettig om te zien dat er juist werd benadrukt dat er niks geweldigs is aan sterven voor je land, dat het vooral een noodzakelijk kwaad is. Het gaf het allemaal een heel menselijke benadering, juist onderscheidend van de ronduit wanstaltige manier hoe bijvoorbeeld de VS het altijd presenteert. Dit monument gaat compleet de andere kant op, en dat vind ik toch jammer. Natuurlijk moeten we dankbaar zijn voor de mensen die met gevaar voor eigen leven de oorlog ingaan, en je zou dat voor mijn part zelfs nobel kunnen noemen, maar dat je het nodig vindt om het te presenteren als glorie behalen door het geven van je leven vind ik getuigen van een gebrek aan vertrouwen in je eigen bevolking om te snappen hoe belangrijk de acties van die mensen waren. Het klopt gewoon niet met de nuchterheid die ik tot nu toe van Australiërs gewend ben. Een beetje vreemd dus.

De volgende stop was South Yarra, een van de bekendere en hippere wijken van de stad. Ik wist niet zo goed waarom ik er eigenlijk heen ging want de verhalen die ik erover had gelezen waren nou niet per se over het soort wijk dat mij normaal aanspreekt, en toen ik er eenmaal aankwam bleek dat beeld precies te kloppen. Het is niet heel bijzonder, maar ook zeker niet vervelend om rond te lopen.

South Yarra

South Yarra

Ik besloot het tramhoppen af te sluiten met een stop in de Alexandra Gardens, waar ik aan de Yarra River even een uurtje met m’n boek kon zitten.

Aan de Yarra River

Aan de Yarra River

Toen ik terugkwam bij m’n hotelkamer zette ik m’n TV weer aan om te kijken of er toevallig weer een cricketwedstrijd was, en die had ik te pakken (sport op feestdagen is net zoals in de VS wel een ding hier). De reclameblokken wisten me bovendien te vertellen dat er de volgende dag een wedstrijd zou zijn in Melbourne, en niet zomaar eentje: een derby tussen de twee teams uit de stad, en bovendien in de Melbourne Cricket Ground (ook wel bekend als de MCG), verreweg het beroemdste stadion van het land. Het heeft voor cricket een legendarische status en wordt ook beschouwd als de geboorteplek van Australian Football – eigenlijk wel een must-see dus. Ik kwam erachter dat er nog zat kaarten waren, en niet te duur: 40 dollar, voor zowel de vrouwenwedstrijd in het voorprogramma als de mannenwedstrijd in de avond. (De vrouwencompetitie is dit jaar begonnen en is een exacte weerspiegeling van de mannencompetitie – dezelfde teams zijn vertegenwoordigd en ze spelen dus dezelfde wedstrijden.) Last-minute besloot ik om m’n plan om te gooien: ik verlengde m’n hotel met een extra nacht en boekte het ticket. (Die extra dag in Melbourne zou ik waarschijnlijk aftrekken van de paar dagen die ik in Adelaide had gepland – daarover later meer.)

De avond vloog uiteindelijk best snel voorbij, met nog een beetje sfeer proeven van de binnenstad en avondeten. En cricket op TV.

Battle for Melbourne

Mijn bonusdag in Melbourne was aangebroken, en na het uitslapen en late ontbijt was het eigenlijk al wel tijd om richting het stadion te gaan. Ditmaal niet met de tram, maar met de trein. De vormen van het stadion kun je vanuit de binnenstad al zien langs de rivier, maar als je er eenmaal voor staat realiseer je je pas echt hoe groot het ding eigenlijk is.

Het binnenkomen was een beetje gedoe, want mijn ticket zei Gate 3 en die deur zat dicht. Ik vroeg de mensen die daar in de buurt stonden en die zeiden dat ik wel Gate 3 moest hebben maar aan de andere kant van de paal, en daar wist iemand me te vertellen dat ik juist terug moest, weer om de grote paal heen. Ik kreeg kleine flashbacks naar m’n telefoonavonturen, en bedacht me dat de minst officiële mensen me tot nu toe het beste hadden geholpen. Ik negeerde dus alle mensen met het MCG-uniform en stapte af op een ingehuurde beveiliger. Die gaf een simpel antwoord: die deur ging vanavond pas open, maar ik kon prima bij Gate 4 naar binnen. Klopte als een bus; het was een beetje omlopen om bij m’n stoel te komen, maar het ging prima. Opnieuw natuurlijk een beetje jammer vanuit het perspectief van klantenservice.

Een wedstrijd in de WBBL trekt niet zo heel veel bezoekers.

Een wedstrijd in de WBBL trekt niet zo heel veel bezoekers.

Aan het begin van de BBL-wedstrijd was het al drukker...

Aan het begin van de BBL-wedstrijd was het al drukker…

...een uur later al helemaal.

…een uur later al helemaal.

De vrouwenwedstrijd verliep met een relatief leeg publiek, maar tegen het begin van de mannenwedstrijd zat het al wel wat voller. Gek genoeg liepen de tribunes ook tijdens de wedstrijd nog vol, met na het eerste uur nog extra mensen die binnenstroomden; tegen die tijd was er een paar duizend man meer dan bij het begin. Achteraf waren er 2 aan elkaar gerelateerde oorzaken: er was een all-time bezoekersrecord binnen de competitie (van ca. 50000) verbroken (die avond waren er ca. 80000), en dat was zo’n extreme stijging dat ze er bij de MCG niet op hadden gepland. Het leverde lange wachtrijen op en voor veel mensen veel vertraging, maar uiteindelijk zorgde het wel voor een lekker vol stadion, wat toch wel heel veel doet met de sfeer.

Ik had van tevoren niet echt een team gekozen om voor te juichen dit keer, want volgens de ranglijst deden beide teams het niet echt geweldig dus een underdog was er dit keer niet. Uiteindelijk koos ik voor de Renegades (puur omdat die technisch gezien het uit-team waren) en daarmee koos ik dit keer voor het verliezende team. Jammer, maar het maakt de wedstrijd niet minder leuk. Ik vond het een mooie afsluiting van Melbourne en was erg blij dat ik de extra dag erbij had gepakt.

Hit the (great) road

Die zondag vervolgde ik mijn reis door ditmaal aan de westkant het water op te zoeken. Dat betekende eerst een flinke tijd door de buitenranden van de metropool van Melbourne te gaan. Eenmaal daarbuiten kom je vrij snel bij het kustplaatsje Torquay, waar officieel het begin ligt van de Great Ocean Road, een snelweg langs de Victoriaanse zuidkust.

West Gate Bridge

West Gate Bridge

Geelong

Geelong

De Great Ocean Road staat internationaal nogal bekend als de mooiste roadtrip van Australië, en dat trekt natuurlijk veel toeristen aan. Een van de manieren waardoor dat nogal opvalt is dat er opeens heel veel borden langs de weg staan die je eraan herinneren dat je in dit land links moet rijden. Voor veel toeristen is dit het eerste (en soms het enige) stuk dat ze daadwerkelijk zelf rijden, juist vanwege die reputatie, en dat zorgt voor een aardig gebrek aan ervaring op deze wegen. Voor mij ook extra opletten dus – ik zat niet echt te wachten op spookrijders.

Wat de weg zo interessant moet maken is niet alleen de weg zelf, maar vooral de vele mooie haltes waar de weg langs loopt. Dat betekent dus veel uitstappen en rondlopen, te beginnen met Torquay zelf.

Torquay Front Beach

Torquay Front Beach

Cozy Corner, op Point Danger

Cozy Corner, op Point Danger

Hierna is het al heel snel tijd om juist even van de Great Ocean Road af te wijken en een zijweg te nemen, om op die manier een kijkje te nemen bij het wereldberoemde Bells Beach. Dat mensen hier durven te surfen vind ik toch wel gewaagd – ik zou er niet eens willen zwemmen.

We zijn begonnen!

We zijn begonnen!

Bells Beach

Bells Beach

Eenmaal terug op de weg kom je al heel snel weer bij de volgende paar dorpjes uit. Op dit traject is de weg eerlijk gezegd nog niet heel erg spannend, en de dorpjes zijn ook niet zo spectaculair als je al het een en ander aan kustplaatsjes hebt gezien. Anglesea’s hoofdattractie is grazende kangoeroes op een golfbaan, maar daar mag je natuurlijk niet op als je niet gaat golfen, en Aireys Inlet heeft een vuurtoren, waar ik inmiddels toch wel een aardige hoeveelheid van heb gezien.

Oceaan? Waar?

Oceaan? Waar?

Ah, gevonden.

Ah, gevonden.

Aireys Inlet

Aireys Inlet

Eagle Rock

Eagle Rock

Richting Lorne krijgt de weg wat meer vorm. Het dorp zelf voelt een stukje eigenwijzer dan de meeste stranddorpen en heeft dan ook wel wat, maar het is nog steeds niet echt uitnodigend om uren rond te hangen als je geen trek hebt in het strand.

Nou begint de weg toch echt al een stuk eerder, maar het gebaar is mooi.

Nou begint de weg toch echt al een stuk eerder, maar het gebaar is mooi.

Iets meer coastal drive, maar ook iets meer wolken.

Iets meer coastal drive, maar ook iets meer wolken.

Lorne op afstand

Lorne op afstand

Na Lorne moest ik afwijken van de route. Een tijdje terug was er een grootte bosbrand in het gebied, en op Eerste Kerstdag vaagde die meer dan honderd huizen weg in twee dorpjes langs het traject tussen Lorne en Apollo Bay. De brand is inmiddels onder controle (maar nog steeds niet helemaal gedoofd) en de weg was op het moment dat ik er was dus ook nog niet vrijgegeven. Als ik de foto’s moest geloven was dit een van de weinige stukken waar de weg juist echt langs het water loopt, maar onder de omstandigheden heb ik toch liever een veilige route dan een mooie route. Bijkomend voordeel: via de omleiding kwam ik ergens terecht waar ik anders waarschijnlijk niet was gekomen.

Falls at nightfall

De weg leidde landinwaarts en bracht me eerst bij een attractie die nog onder de regio van Lorne wordt gerekend: Erskine Falls. De weg hiernaartoe liep precies langs het afgezette stuk bos, en er waren zelfs wat picnicplekken aan die kant van de weg die afgezet waren. Erskine Falls zelf was echter net erbuiten, en dat was te zien: hordes aan auto’s die waarschijnlijk de GOR aan het afrijden waren vulden de parkeerplaats. Je hoeft maar een paar minuten te lopen om iets van de waterval te zien.

Erskine Falls

Erskine Falls

Hierna nam ik een zelf uitgeplande omleiding, om zodoende een beetje de grote verzameling toeristen te proberen te ontlopen. Inmiddels was het ook al tegen het einde van de middag, dus ik besloot een kampeerplaats te zoeken die ongeveer langs die route lag. Die vond ik bij Beauchamp Falls. De route ernaartoe was wel een leuk staaltje bochtenwerk.

Ja, die weg is inderdaad zo smal. Nee, het is geen eenrichtingsverkeer.

Ja, die weg is inderdaad zo smal. Nee, het is geen eenrichtingsverkeer.

De kampeerplaats was in feite gewoon een groot grasveld bij de parkeerplaats voor een wandeling, dus nadat de tent was opgezet besloot ik die wandeling ook maar even te doen. Ik was er nu toch, dus waarom niet.

Kamperen bij de parkeerplaats

Kamperen bij de parkeerplaats

We duiken weer het regenwoud in

We duiken weer het regenwoud in

Beauchamp Falls

Beauchamp Falls

Deze wandeling deed me weer denken aan andere wandelingen door het regenwoud, en de eindstop leverde beelden op van vallend water die wat mij betreft veel mooier waren dan die van Erskine Falls. Een mooi verborgen pareltje dus.

Deppeler Creek

Deppeler Creek

Curves of the coast

De volgende ochtend moest ik helaas een natte tent inpakken; het had de hele nacht geregend, en het miezeren in de ochtend leek niet echt van plan zijn snel te stoppen. Aangezien ik de tent diezelfde avond weer zou uitpakken vond ik dit niet zo’n probleem, dus ondanks het weer begon de dag met een prima humeur.

De rit terug naar de kust was niet eenvoudig. De weg lag bezaaid met losgewaaid spul uit de bomen van afgelopen nacht, en op een moment sprong er ook nog even een kangoeroe vlak voor m’n bumper langs toen ik de bocht om kwam. Eenmaal op een grotere weg passeerde ik een vallende tak die m’n voorruit schampte (gelukkig geen schade), en een minuut later kwam ik opeens bij een grote omgewaaide boom. Het was aardig druk op de weg, maar ik was de eerste bij de boom (achter mij stond al snel een file, net zoals aan de andere kant van de weg) – het zag er dus uit alsof het echt net gebeurd was, en dat voelde toch wel als een beetje mazzel dat de boom niet net een minuut later was omgekukeld. Met ongeveer 6 man sleepten we de boom aan de kant om de weg vrij te maken, en daarna maakte ik dat ik zo snel mogelijk weg was van dat stuk weg met toch wel heel veel droog ogende bomen die moeite leken te hebben met de harde wind.

Bij Skenes Creek kon ik weer de Great Ocean Road op, en al snel was de grote stoet aan gehuurde campers en gecharterde touringcars weer zichtbaar.

Na Apollo Bay dook ik weer even de grote weg af naar Cape Otway, het meest zuidelijke puntje van het Australische vasteland. De echte attractie is hier (3 keer raden) opnieuw een vuurtoren, en ze hebben het lef om 20 dollar te vragen voor een rondleiding van een half uur door dat apparaat, maar ik besloot een stukje van de Great Ocean Walk mee te pakken dat hierlangs loopt – een wandelroute die parallel loopt aan de Great Ocean Road.

De weg op Cape Otway is een beetje kaal

De weg op Cape Otway is een beetje kaal

Een stukje Great Ocean Walk

Een stukje Great Ocean Walk

Cape Otway Lighthouse

Cape Otway Lighthouse

Daarna maar weer terug naar de weg, en daar kwam ik al snel op het meest beroemde stukje van de route (dat bovendien ook eindelijk weer daadwerkelijk langs de kust loopt). Eerste stop: de Gibson Steps, waar iemand met een pikhouweel ooit besloot om bij een arbitrair gekozen klif een trap te maken om op het strand te kunnen komen.

Lekker geslinger terug naar de grote weg

Lekker geslinger terug naar de grote weg

Gibson Beach

Gibson Beach

Gibson Steps

Gibson Steps

Vanaf hier is al een beginnetje te zien van de volgende halte, de Apostles. De algemeen geaccepteerde naam is tegenwoordig 12 Apostles maar dat getal is er alleen maar bijgeplakt omdat mensen geologie en de Bijbel met elkaar gingen verwarren – het zijn er nooit 12 geweest. Maar vertel dat maar eens aan de Chinezen die hier letterlijk met busladingen worden aangevoerd.

The Apostles

The Apostles

Ik kwam hier duidelijk terecht in de flow van de tourbussen vanuit Melbourne, die in 1 dag zoveel mogelijk van de interessante haltes doen en ‘s nachts terugrijden. Daarnaast is de halte van de Apostles een absurd grote centrale plek waar ook nog eens losse tourorganisaties zitten die vanaf daar de rest van de kust afwerken. Je kunt ook nog met de helicopter een stukje langs de kust doen, als je echt snel van je geld af wilt zijn. Ik wist dat het een toeristische weg was, maar dit was wel weer echt een plek die niks meer te maken had met natuurschoon bewonderen en vooral bezig is met het uitmelken van de toeristische attractie.

De rest van de haltes is niet zo idioot groot gemaakt, maar ik werd wel de rest van de dag achtervolgd door de tourbussen, aangezien ik nu in hun reisschema zat (en geen zin had om te proberen te in te halen, want dan zou ik zelf dingen moeten overslaan). Volgende stop: Loch Ard Gorge. Net zoals Mimosa Rocks is ook dit stukje kustlijn genoemd naar een ter plekke gezonken schip – ik dacht dat zeelui bijgelovig waren, maar dit lijkt me niet iets wat je doet als je bijgelovig bent.

Loch Ard Gorge

Loch Ard Gorge

Razorback

Razorback

Thunder Cave

Thunder Cave

Heel veel kan ik niet over de losse haltes zeggen eigenlijk. Ze zijn allemaal best leuk, maar voor mij deed de idiote drukte (plus de waanzinnige obsessie met bij elke stop honderd selfies en groepsfoto’s maken) toch wel flink afbreuk aan de hele ervaring. Voor verreweg het grootste deel van deze mensen ging het totaal niet meer om bijzondere rotsformaties zien – het was een kwestie van een checklist afwerken, bewijsmateriaal schieten voor Facebook, en doorrrrrrr. (En nee, dat zijn echt niet alleen de Aziaten – ik heb genoeg Europeanen gezien en gehoord die er minstens zo goed in zijn.)

The Arch

The Arch

London Bridge (in de jaren 90 is de daadwerkelijke brug ingestort)

London Bridge (in de jaren 90 is de daadwerkelijke brug ingestort)

The Grotto

The Grotto

Na The Grotto droogde de tourbussen snel op, en ik zag er veel ook juist omdraaien om terug te racen naar Melbourne. De volgende stop was daardoor eindelijk weer iets rustiger, en dat was wel een prettige afwisseling.

Bay of Islands

Bay of Islands

De binnenkant van de Bay of Islands

De binnenkant van de Bay of Islands

Toen ik het einde van de weg had bereikt en de ouderwetse Princes Highway weer te pakken had begon de avond al te vallen. Op weg naar m’n geplande kampeerplaats had ik echter nog 1 stop: Tower Hill Reserve. Tussen de vele akkers en weilanden ligt dit kleine natuurreservaat verstopt – zo verstopt zelfs, dat ik ondanks de Garmin de afslag eerst misliep. Als je eenmaal binnen bent is het het extra stukje omrijden echter wel waard.

Tower Hill Reserve

Tower Hill Reserve

Je kan er als je wilt wel een paar dagen vullen met de verschillende wandelingen, maar die tijd had ik niet. Ik besloot de Peak Climb te doen, een redelijk kort retourtje (1 uur) naar de top van de centraal gelegen Tower Hill. Dat het uitzicht vanaf daar mooi is hoef ik waarschijnlijk niet eens te vertellen.

Op weg naar boven. Op de voorgrond een meer, op de achtergrond de zee.

Op weg naar boven. Op de voorgrond een meer, op de achtergrond de zee.

Bovenop Tower Hill

Bovenop Tower Hill

De kampeerplek van die avond lag in het Mount Clay State Forest, lekker beschut tussen de bomen. Het was bepaald niet leeg, maar verreweg het grootste deel van de mensen was Australisch en geen toerist, en op de een of andere manier zijn dat toch een stuk prettiger buren om te hebben op een camping.

Saw Pit Camping Area

Saw Pit Camping Area

This is Gramp country

Met de Great Ocean Road achter me was het tijd om het roer stevig om te gooien en vol landinwaarts te gaan, strak naar het noorden. Dat was tenminste origineel het plan, maar toen ik op de kaart had gekeken om te zien wat ik onderweg allemaal kon doen zag ik het gigantische Grampians National Park parallel aan de route liggen. In plaats van de snelweg te nemen die erlangs liep koos ik ervoor om de weg dwars door dit park te nemen, op naar het dorp Halls Gap dat zo’n beetje geldt als de hoofdstad van het park. Het is best een flink gebied: vanaf de zuidelijke rand was ik een ruim uur bezig op een grote provinciale weg om bij Halls Gap te komen.

The Grampians

The Grampians

Natuurlijk kent zo’n park veel wandelingen, dus ik liet me een beetje informeren over de mogelijkheden bij het informatiecentrum en koos voor een route van ongeveer 4 uur. Na de nodige voorbereidingen was ik een half uur later onderweg.

Dit volstaat hier als een pad

Dit volstaat hier als een pad

Zodra ze doorhebben dat je ze ziet zitten ze stokstil.

Zodra ze doorhebben dat je ze ziet zitten ze stokstil.

Ik weet niet helemaal wat er precies aan de hand was, maar deze wandeling viel me een stuk zwaarder dan de vorige wandelingen. Het was niet warmer, het terrein was niet zwaarder en ik voelde me aan het begin gewoon goed, maar ik had toch wat meer pauzes nodig tijdens deze wandeling. Los van de fysieke inspanning was het een geweldige route, en ik was erg blij dat ik last-minute had besloten om dit park een bezoekje te brengen.

Grand Canyon

Grand Canyon

Vanaf Pinnacle Lookout

Vanaf Pinnacle Lookout

De vallei met een stuwmeer

De vallei met een stuwmeer

Wonderland Forest

Wonderland Forest

Na de wandeling had ik nog een stukje rijden te gaan richting Horsham, waar ik die nacht zou verblijven. Ik kwam nu duidelijk in het platteland met wat ruiger terrein, dus een kampeerplek kon ik niet vinden – voor het eerst sinds m’n reis naar Brisbane sliep ik dus weer een nachtje in de auto.

Het wordt iets kaler

Het wordt iets kaler

Kan je hier slapen dan? Ja hoor.

Kan je hier slapen dan? Ja hoor.

Die avond kwam er nog een truckie bij die vertelde dat hij op deze plek wel vaker overnachtte. Hij had allemaal verhalen over toen hij 30 jaar geleden het land door had gereisd, hoeveel makkelijker dat was omdat er allemaal verharde wegen bij waren gekomen in de tussentijd (hij moest destijds met de trein van Alice Springs naar Adelaide) en over de liftende toeristen die hij af en toe meeneemt. Na een half uurtje ging hij terug naar z’n truck om op tijd te gaan slapen – de volgende ochtend toen ik wakker werd was hij alweer vertrokken.

Mulling by the Murray

Het traject dat voor vandaag in de planning stond was Horsham naar Mildura. Ik kon niet heel erg veel vinden aan interessante stops of dingen om te doen op deze route, dus ik besloot maar gewoon snel het rijden af te ronden en de tent voor de verandering eens op tijd op te zetten, zodat ik in de middag eventueel een beetje in de omgeving van Mildura kon rondkijken.

Een binnenlands stukje quarantainegebied; een Fruit Fly Exclusion Zone.

Een binnenlands stukje quarantainegebied; een Fruit Fly Exclusion Zone.

Even dat je het weet.

Even dat je het weet.

Toen ik eenmaal op de kampeerplaats kwam vond ik dat echter zo’n mooi stekje dat ik besloot om daar maar even een dagje rustig aan te doen. Na de zwaar gevallen inspanning van gisteren vond ik het ook wel een prettig idee om even op te laden, en de omgeving was er helemaal geschikt voor.

Het uitzicht vanuit m'n tent. De rivier vormt de staatsgrens; ik kampeerde in Victoria, de overkant is New South Wales.

Het uitzicht vanuit m’n tent. De rivier vormt de staatsgrens; ik kampeerde in Victoria, de overkant is New South Wales.

Ook hier weer genoeg beestjes om te kijken.

Ook hier weer genoeg beestjes om te kijken.

Veel meer valt er niet te zeggen over deze dag. Het was gewoon lekker relaxed genieten van het leven.

Zonsondergang bij de Murray River

Zonsondergang bij de Murray River

Taking the desert by storm

Nadat de tent was ingepakt was het tijd om verder richting het noorden te gaan, voor mijn laatste bezoek aan New South Wales van deze trip.

Daar zijn we weer!

Daar zijn we weer!

De weg loopt een beetje in vreemde kronkels om na Mildura ook nog even via Wentworth te gaan (het grootste dorp in de regio aan de NSW-kant) maar daarna verlaat deze al snel de vruchtbare grond rond de Murray River en steekt deze de woestijn in.

Het is niet het meest gevarieerde landschap dat je ooit zult zien, maar het is ook zeker niet saai. Je moet je vooral instellen op een lange zit, want het is een rit van iets meer dan 500 kilometer. Ruwweg halverwege kom je nog een tankstation tegen, wat verreweg het grootste teken van leven is dat je aan de snelweg tegenkomt. Natuurlijk zijn er wel boerderijen die zich op het platteland hier hebben gevestigd, maar die zitten kilometers van de snelweg af en kun je simpelweg niet zien. Hun vee daarentegen is geregeld rondom (en soms op) het wegdek te vinden.

Coombah Roadhouse

Coombah Roadhouse

Af en toe kom je wat roadkill tegen, en alhoewel dat in aantallen best meeviel werd daarvoor gecompenseerd met grootte. Op een punt kwam ik op een karkas van een volwassen kangoeroe die midden op mijn rijbaan lag, wat dusdanig groot was dat je er zelfs met een hoge 4×4 volgens mij niet overheen kan. Ik remde af (er kwam een tegenligger aan dus eromheen gaan ging even niet) en toen ik er praktisch voor stilstond zag ik een gigantische wigstaartarend die het beest als lunch gebruikte. Toen ik weer optrok besloot hij ook te vertrekken, en voor m’n neus klapte het beest z’n vleugels uit – een spanwijdte van makkelijk 2 meter breed. Misschien jammer dat er een dode ‘roo voor nodig is, maar het was ontzettend gaaf om te zien.

Woestijn!

Woestijn!

De tijd vulde ik trouwens met audioboeken. Het is een tip die ik had opgepikt van mensen die de lange ritten vaker doen, omdat die vaak lekker lang zijn en ervoor zorgen dat je wakker blijft (de stelregel is zo’n beetje dat je weet dat je moet stoppen met rijden als je het verhaal niet meer volgt). Voor mij was het de ideale smoes om eindelijk eens aan de Jack Reacher-boeken te beginnen.

Na 5 uur en een paar hoofdstukken Killing Floor kwam ik uit bij de naamgever van de Silver City Highway: Broken Hill.

Beschaving!

Beschaving!

Broken Hill is begonnen als mijnwerkstad, en heeft in die rol een paar belangrijke bijdrages geleverd aan de Australische geschiedenis. Zo is een van de originele bedrijven uitgegroeid tot de grootste multinational van het land en een van de grootste bedrijven ter wereld: BHP Billiton (de afkorting staat voor Broken Hill Proprietary, de bedrijfsnaam voor de fusie met Billiton). Het is ook de geboorteplaats van vakbonden in Australië, en was daardoor de eerste stad met een werkweek van 36 uur. De hoogtijdagen van de stad liggen inmiddels wel in het verleden, want de mijnen beginnen leeg te raken en de automatisering kost veel banen – ooit een stad van 30000 man met 4000 mensen in de mijnbouw, nu 19000 inwoners met 250 mensen in de industrie.

Broken Hill vanaf Line of Lode lookout

Broken Hill vanaf Line of Lode lookout

De gebouwen ogen wat koloniaal, maar niet al te oud.

De gebouwen ogen wat koloniaal, maar niet al te oud.

Ook oude gebouwen hebben glazenwassers nodig.

Ook oude gebouwen hebben glazenwassers nodig.

De stad zelf is een bijzonder gezicht als je net een paar uur door de woestijn hebt gereden om er te komen, want alles voelt eigenlijk gewoon hetzelfde als de andere middelgrote steden die ik tot nu toe heb gezien. Los van de verstrekkende vlaktes om de bebouwing heen zou je niet zeggen dat je op een afgelegen plek bent beland.

Downtown Broken Hill

Downtown Broken Hill

Het ouderwetse postkantoor naast de nieuwerwetse telefoonmast.

Het ouderwetse postkantoor naast de nieuwerwetse telefoonmast.

Dan nog iets interessants aan de mentaliteit van Broken Hill: het ligt in NSW, maar vindt zichzelf onderdeel van South Australia (de staat van Adelaide, richting het westen). In het begin van de 20e eeuw kreeg Broken Hill vrij weinig van de NSW-overheid, terwijl de stad verantwoordelijk was voor het leeuwendeel van de economie binnen de staat. Om aan te geven dat ze dat niet pikten besloten ze zich af te scheiden van NSW. Officieel is dat er nooit doorgekomen (dat ligt niet echt in de macht van een gemeenteraad) maar het gevolg is wel dat ze een andere tijdzone aanhouden (30 minuten verschil), een ander netnummer hebben (08 voor SA in plaats van 02 voor NSW), en dat er bij de trein- en busstations vooral grote schema’s hangen voor de lijnen naar Adelaide maar niet naar Sydney. Als je dat eenmaal weet kun je het op heel veel verschillende lagen terugvinden: zo weet ik inmiddels genoeg van de verschillende takken van de automobiel-organisaties om te zien dat de garages geen NRMA-kenmerk maar een RAA-certificaat aan hun muur hebben hangen.

De politie zit nog steeds in het originele hoofdkantoor

De politie zit nog steeds in het originele hoofdkantoor

En ook hier natuurlijk weer oorlogsmonumenten.

En ook hier natuurlijk weer oorlogsmonumenten.

De enige plek waar je een daadwerkelijke mijn kunt bekijken zou pas de volgende dag weer rondleidingen hebben, dus ik hield het op deze dag even bij een museum waar de omstandigheden van een mijn bovengronds zijn nagebouwd. Het museum is opgezet door een man die zelf zo’n 30 jaar in de mijnen van Broken Hill heeft gewerkt, en ook al is hij aardig op leeftijd, hij geeft alle rondleidingen nog steeds zelf.

White's Mine & Mineral Art Gallery

White’s Mine & Mineral Art Gallery

Vanaf de eerste deur is alles in de mijnstijl gegoten.

Vanaf de eerste deur is alles in de mijnstijl gegoten.

Daarnaast heeft hij er een hobby van gemaakt om schilderijen te maken met mineralen die in Broken Hill zelf zijn opgegraven. Er is geen pigment aan te pas gekomen: elke kleur is een natuurlijke kleur. Een van de mooiste dingen aan die kunstwerken laat hij zien door het licht uit te doen en met een ouderwetse kaars erlangs te gaan – de mineralen glinsteren aan alle kanten en geven het een hele andere invulling. Lastig om op de foto te zetten, maar je krijgt in ieder geval een beetje een idee.

Low-tech gereedschap

Low-tech gereedschap

Mineralenkunst

Mineralenkunst

Vlakbij Broken Hill ligt Silverton, een inmiddels grotendeels verlaten dorp dat (ietwat onterecht) een reputatie heeft als spookstad. De weg ernaartoe is wellicht verhard maar moet je vooral niet te hard nemen, want heuvelachtig is een understatement. Een gebouw in Silverton heeft de naam “Beyond 39 Dips” genomen, als referentie aan de diepe dalen die je in het asfalt tegenkomt. Al met al kost deze 20 kilometer je ongeveer evenveel minuten.

Het is een bijzondere gewaarwording. Wellicht wonen er officieel nog enkele tientallen mensen, ik kon ze niet echt vinden. Ik heb twee toeristen gezien bij het hotel (waar vermoedelijk ook wat personeel zit) en 4 mensen bij de camping (waarvan 2 gasten) – verder oogt het daadwerkelijk leeg. En dat is wel een ervaring.

De hoofdstraat van Silverton

De hoofdstraat van Silverton

Tja.

Tja.

Aan de rand van Silverton

Aan de rand van Silverton

De stad is in de loop van de jaren veel gebruikt als filmset, en is voor veel mensen vooral bekend als de set van Mad Max II – voor een fan genoeg reden om er een heel museum voor op te zetten. Verder valt het vooral op dat er veel kunstenaars zitten, die natuurlijk wat inspiratie halen uit de omgeving (of in ieder geval zo’n verhaal ophangen om hun artistieke imago op te krikken, denk ik dan).

Er bestaan nog meerdere kerken - mijnwerkers doen nogal veel aan geloof.

Er bestaan nog meerdere kerken – mijnwerkers doen nogal veel aan geloof.

Mad Max II Museum

Mad Max II Museum

...kunstig.

…kunstig.

De stad kende in betere tijden niet alleen meer mensen die sindsdien naar Broken Hill of elders zijn verhuisd – sommige gebouwen hebben de reis ook gemaakt. Een paar gebouwen zijn integraal afgebroken en 20 kilometer verderop volledig opnieuw opgebouwd in dezelfde vorm. Een paar bordjes geven aan welke gebouwen vroeger op bepaalde plekken aan de weg stonden, om je nog een beetje een idee te geven van hoe de winkelstraat er in drukkere tijden uitgezien zal hebben.

Ik besloot om hier te kamperen, want het was lekker stil en kostte me maar een paar dollar voor een nacht. De camping zit op de locatie waar vroeger een park stond dat aangelegd was om de mijnwerkers wat recreatie te geven. Ik weet niet of het park er ook beter uit heeft gezien, maar het is zelfs relatief gezien toch wel een troosteloze bedoening voor een recreatieplek. Wel een mooie unieke kampeerplek.

Penrose Park Campground

Penrose Park Campground

Toen de zon eenmaal aan het ondergaan was ben ik nog even het dorp uitgereden, naar een uitkijkpunt zo’n 10 kilometer verderop. Als je erheen rijdt krijg je al het idee dat je in echt uitgestorven gebied komt (na Broken Hill is Silverton al kaal, en dit is nog verder op dezelfde weg) en dat klopt. Gigantische uitgestrekte vlaktes zijn het resultaat. Wanneer ik thuis ben ga ik nog wel eens kijken of ik wat panorama’s in elkaar kan knutselen van m’n foto’s. Het is zo vlak dat je de kromming van de aarde kunt zien, zoals op open zee, en dat is echt een waanzinnig beeld.

Mundi Mundi Plains

Mundi Mundi Plains

Die nacht heb ik volgens mij de meest heldere sterrenhemel gezien van mijn hele leven. In een verlaten omgeving met praktisch nul lichtvervuiling en helder woestijnklimaat; je kunt het je wel voorstellen.

On the slopes and underground

De ochtend begon met een autorit over de heuvelachtige weg in de schemering. De Sculpture Garden van Broken Hill staat erom bekend dat deze het mooiste is wanneer de zon opkomt of ondergaat, maar ik had zelf niet echt heel veel zin om in het donker de weg naar Silverton te moeten rijden. Het echte juiste moment kon ik dus niet hebben, maar zodra het licht genoeg was om met een beetje vertrouwen de heuvelachtige weg te trotseren (met genoeg zicht op eventueel overstekend wild) waagde ik me eraan.

Broken Hill vanaf de Sculpture Garden

Broken Hill vanaf de Sculpture Garden

De beelden staan bovenop een heuvel een redelijk stukje buiten de stad, en dat levert inderdaad wat mooie beelden op – ongeacht wat de zon ermee doet. De beelden zelf zijn er ooit terechtgekomen toen iemand een hele club beeldhouwers bij elkaar riep om een paar weken daar aan de slag te gaan in een symposium. Het voelt allemaal dus een beetje als “omdat het kan” maar het zorgt er in ieder geval voor dat de heuvel meer is dan een standaard uitzichtpunt zoals je verspreid over het hele land al genoeg tegenkomt.

Een deel oogt vooral als rotsen...

Een deel oogt vooral als rotsen…

...een ander deel heeft daadwerkelijk vorm.

…een ander deel heeft daadwerkelijk vorm.

Op hetzelfde terrein als de beeldentuin is een klein reservaat gemaakt voor allerhande dier- en plantensoorten die in de woestijn leven. Het klinkt leuk, maar de nadruk ligt toch wel vooral op de flora en dat is wat mij betreft nou niet het meest spectaculaire wat de woestijn te bieden heeft. Los van een paar langsvliegende vogels en een kangoeroefamilie was er niet zoveel te vinden aan dieren, en dat was toch een beetje jammer.

Je bent welkom, maar je moet wel langs een paar elektrische hekken die dienen om gevaarlijke beesten buiten te houden (ter bescherming van de dieren daarbinnen).

Je bent welkom, maar je moet wel langs een paar elektrische hekken die dienen om gevaarlijke beesten buiten te houden (ter bescherming van de dieren daarbinnen).

De omgeving rond de Living Desert Sanctuary

De omgeving rond de Living Desert Sanctuary

Is it a bird? Is it a plane?

Is it a bird? Is it a plane?

Nomnom ontbijt.

Nomnom ontbijt.

Een iets minder welkome gast in de woestijn.

Een iets minder welkome gast in de woestijn.

Er zijn ook nog wat stukjes van het terrein gewijd aan culturele punten van de Aboriginals. Het idee is heel leuk, maar het zijn eigenlijk te weinig punten met te weinig niks ertussen (je moet standaard 10 minuten lopen van het ene museumstuk naar het andere) om het echt boeiend te maken.

Aboriginal-versies van wigwams

Aboriginal-versies van wigwams

Story poles

Story poles

Toen ik hier was uitgekeken reed ik opnieuw de Silverton Road op. Ditmaal niet om in Silverton zelf te komen, maar om halverwege de afslag te nemen naar de Day Dream Mine, de reeds genoemde oude mijn met rondleidingen. Vanaf het asfalt moet je nog zo’n 20 kilometer over een onverharde weg rijden en tussendoor een paar keer handmatig een hek open en dichtdoen (je rijdt officieel over het land van een boer, en die hekken dienen om het vee binnen te houden) maar na een tijdje door niemandsland te rijden kom je daadwerkelijk bij een oude mijn uit.

Op weg naar de mijn

Op weg naar de mijn

Day Dream Mine

Day Dream Mine

We need to go deeper!

We need to go deeper!

Het geheel is een kruising tussen een echte mijn en een museum. Het hoofdkantoor is een van de oude huisjes met een hele rits aan foto’s en krantenstukken over de mijn, en buiten staat een gigantische verzameling aan oude apparatuur en werktuigen klaar (waar je netjes uitleg over krijgt bij de rondleiding zelf). Na een kwartier in de zon gelopen te hebben gaan de helmen met lampen op en duikt de rondleiding daadwerkelijk onder de grond. De nadruk van de rondleiding ligt duidelijk op de werkomstandigheden, zowel qua gevaar (instorting en explosies) als qua fysieke arbeid (handmatig een kar met 500 kg aan steen kiepen is geen pretje), en daarnaast de continue herinnering dat dit maar een kleintje is. Af en toe kun je via een schacht rechtstreeks omhoog kijken om te zien dat je inmiddels 40 meter onder de grond zit, en de man zegt dat de mijnen in Broken Hill op 2 kilometer zitten. Je komt in een kamer van 10 vierkante meter en 2 meter hoog, en je hoort dat ze in Broken Hill kamers ter grootte van een stadion hebben. Je ziet misschien niet hoe de grote mijnen eruitzien, maar vergelijkingen trekken met iets waar je doorheen loopt is toch een stuk interessanter dan het gewoon lezen in een boek.

Na de mijn was het tijd voor een snelle lunch, en daarna weer de weg op. Dit keer was de koers zuidwestelijk: op naar Adelaide.

There’s a feeling I get when I drive to the west…

De route naar Adelaide is niet bijzonder spannend, maar kent toch iets meer tekenen van leven dan de Silver City Highway. Er zijn af en toe daadwerkelijk dorpjes te vinden (alhoewel je wel het gevoel krijgt dat er maximaal 10 man woont) en de grotendeels parallel lopende spoorlijn brengt af en toe wat grote goederentreinen in beeld. Zodra je de staatsgrens over bent en in South Australia zit begint het landschap ook langzamerhand wat bergachtiger te worden (de buitenranden van de Flinders Ranges) en het platteland wordt geler (heel veel tarwe).

In the middle of nowhere...maar je bent welkom.

In the middle of nowhere…maar je bent welkom.

Nog niet per se veel spannender. Links de spoorweg.

Nog niet per se veel spannender. Links de spoorweg.

Flinders Ranges

Flinders Ranges

Het mag niet naar binnen, en ook niet naar buiten. (Dit gaat om dezelfde zone als die ik bij Mildura inreed.)

Het mag niet naar binnen, en ook niet naar buiten. (Dit gaat om dezelfde zone als die ik bij Mildura inreed.)

Grooooeeeen!

Grooooeeeen!

Geeeeeeeel!

Geeeeeeeel!

Inclusief tussenstops kostte de hele rit me iets meer dan 6 uur, dus de avond begon voorzichtig in te zetten tegen de tijd dat ik de stad inreed. Dat deed ik overigens ook zonder het echt door te hebben; er zijn maar weinig buitenwijken, en er is erg weinig aan de binnenstad dat op een afstandje het idee geeft dat je een miljoenenstad tegemoet rijdt. En dat is toch een beetje gek.

Meer Nissan dan skyline.

Meer Nissan dan skyline.

Adelazy

Bij de voerig grote steden heb ik een beetje een chronologisch verhaal geschreven van m’n verkenning, maar hier laat ik dat even achterwege en zal ik gewoon gelijk de conclusie noemen: Adelaide is gewoon niet zoveel aan. Het is een stad zonder echt uitgesproken karakter, en alleen maar bekend als grote stad omdat het nou eenmaal de hoofdstad is van de staat (wat misschien wel spectaculair klinkt, maar uiteindelijk best meevalt).

Ook hier zo'n grote Chinatown

Ook hier zo’n grote Chinatown

De kerstboom afbreken op Victoria Square

De kerstboom afbreken op Victoria Square

Het meest kenmerkende aan de binnenstad is de serie parkjes die in de verschillende hoeken te vinden zijn, met Victoria Square als het middelpunt. Het idee klinkt erg mooi en als je op de kaart kijkt zien de parken eruit als redelijke stukken groen, maar als je er eenmaal staat valt het eigenlijk gewoon tegen. Alles bij elkaar vond ik het helemaal niet erg dat ik besloten had een dag Adelaide te schrappen in ruil voor een extra dag Melbourne.

Whitmore Square

Whitmore Square

Victoria Square

Victoria Square

Light Square

Light Square

Hurtle Square

Hurtle Square

De dag na mijn aankomst bracht ik m’n auto naar een garage voor een APK, en dat bracht me op plekken in de stad waarvan ik zou verwachten dat ze afgeladen zouden zijn met mensen op een zaterdag. In plaats daarvan was de binnenstad uitgestorven, was de grote rondweg leeg en was Victoria Square – hart van de binnenstad – vooral bezet met tenten voor een evenement waar geen van de bewoners iets om leek te geven.

West Terrace, de grote rondweg - helemaal verlaten

West Terrace, de grote rondweg – bijna verlaten

Adelaide Convention Centre

Adelaide Convention Centre

Adelaide Oval aan de River Torrens, langs de Riverbank Bridge

Adelaide Oval aan de River Torrens, langs de Riverbank Bridge

Elder Park

Elder Park

Op het moment van schrijven ben ik alweer weg uit SA, en alhoewel ik weet dat ik lang niet alles heb gezien wat je in de staat kan doen, vind ik het geheel gewoon niet zo spannend. Als je naar Adelaide gaat tijdens een rondreis zou ik het vooral als startpunt kiezen zodat alles daarna alleen maar beter wordt – anders is het (naar mijn mening) de moeite niet waard.

Al met al was ik niet per se teleurgesteld. Natuurlijk had ik iets meer van de stad verwacht, maar het betekende wel dat ik mijn tijd daar vooral kon gebruiken om een beetje op te laden voor de grote reis die ik nog voor de boeg had. Met de auto door de controle, mijn voorraden bijgevuld en mijn eigen energie weer op peil stond na Adelaide namelijk de grootse trip door centraal Australië op de planning: de Stuart Highway, dwars door the Red Centre naar Darwin aan de noordkust.

And the drive goes on

Die etappe van de reis staat in de planning voor de volgende update. Dat deel van de reis beslaat effectief de route van de World Solar Challenge in de andere richting, met hier en daar natuurlijk wat toeristische aftakkingen en tussenstops.

Nature, nurture, nonfunctionality

De Spirit of Tasmania steekt een vrij grote straat over en dat wil nog wel eens voor een ruwe overtocht zorgen, maar deze ging lekker soepel en zonder problemen. Af en toe even uitwaaien op het dek, soms even wisselen van plek in de boot om een ander uitzicht te hebben, maar voor het grootste deel gewoon even uitrusten met een boek (en het typen van het vorige hoofdstuk van m’n verhaal). Na 4 dagen lang lekker van hot naar her te reizen (waarbij ik zo’n 1300 kilometer had afgelegd) was zo’n geforceerd dagje onthaasten helemaal niet verkeerd.

Even zwaaien naar het broertje.

Even zwaaien naar het broertje.

Goedenavond!

Goedenavond!

In de avond van 23 december kwam de boot aan in Devonport. Doordat het vertrek wat vertraagd was kwamen we rond zonsondergang aan, en dat zorgde voor prachtige plaatjes.

Devonport

Devonport

Los daarvan betekende het wel dat er weinig tijd was om nog echt aan verkenning te doen, alhoewel ik dat sowieso niet in de planning had staan voor vandaag. Vanwege de kerstdagen verwachtte ik een redelijke drukte en voor deze week had ik dus zowaar campings gereserveerd – dat was wel prettig, want ik wist gelijk waar ik naartoe moest. Dat was voor de eerste avond niet in Devonport, maar het volgende stadje zo’n 20 km ten westen: Ulverstone. Van zowel Devonport als Ulverstone heb ik niet heel veel gezien, maar de hele route ertussen gaf wel adembenemende beelden. Als het daarmee begint moet de rest van de week wel spectaculair worden!

Onderweg naar Ulverstone

Onderweg naar Ulverstone

De camping zelf was een echte camping zoals we die in Europa ook kennen, met aangelegde plekken en faciliteiten (dit was van een van de grote ketens aan campings of “caravan parks” hier, BIG4). Het stond vrijwel helemaal vol, behalve bij de stroomloze plekken, dus ik had het toch nog verbazingwekkend rustig. Op een afstandje had ik wel wat overburen die op zeer Amerikaanse wijze al hun stroom in knipperende kerstverlichting leken te steken, maar ach, daar heb ik geen last van.

Ook hallo.

Ook hallo.

Ik stond tegen de achterkant van de camping aan, en als ik via de uitgang een weg overstak stond ik gelijk op het strand. Een mooie avondwandeling om m’n aankomst af te maken.

...and goodnight.

…and goodnight.

Can-yon dig it

De volgende ochtend had ik een rit richting het noordwesten in de planning staan, maar niet voordat ik even een omweg naar het binnenland nam. Ik had het in mijn gids bijna gemist, maar de man bij het tankstation zei dat ik toch echt even daar moest kijken als ik toch in de buurt was. De kustroute moest dus even wachten: op naar Leven Canyon.

De kloktoren is het enige echt opvallende aan Ulverstone, maar dan ook wel gelijk in overdreven mate.

De kloktoren is het enige echt opvallende aan Ulverstone, maar dan ook wel gelijk in overdreven mate.

Gemiddeld uitzicht van het Tasmaanse landschap.

Gemiddeld uitzicht van het Tasmaanse landschap.

Toch maar even remmen toen deze echidna de weg wou oversteken.

Toch maar even remmen toen deze echidna de weg wou oversteken.

Na ongeveer drie kwartier rijden kwam ik op de parkeerplaats, en vanaf daar was het geheel een rondwandeling van ongeveer een uur. In principe zijn er twee uitkijkpunten waar je allebei redelijk snel naartoe kunt, maar als je echt de natuur wilt zien kun je ook van het ene punt naar het andere wandelen en dan is het pad een stuk interessanter. Ik kan er lang en kort over zijn: zowel de uitkijkpunten als de tussenroute zijn absoluut de moeite waard.

Tegenover Cruickshanks Lookout.

Tegenover Cruickshanks Lookout.

Leven Canyon

Leven Canyon

De andere kant is iets meer een kloof dan een geul.

De andere kant is iets meer een kloof dan een geul.

Into the wild

Into the wild

Forest Stairs Path

Forest Stairs Path

Vanaf Edge Lookout.

Vanaf Edge Lookout.

Wat zou er eerder geweest zijn? Het pad of de boomstam?

Wat zou er eerder geweest zijn? Het pad of de boomstam?

Pingu goes on holiday

Daarna toch maar weer terug naar het noorden. De eerste stop was het interessant genaamde kustplaatsje Penguin. Die naam is er met een reden: delen van het eiland huisvesten kleine pinguinkolonies(?) en dit dorpje heeft ervoor gekozen z’n hele identiteit daaraan op te hangen. Niet alleen de plaatsnaam geeft het aan; er zijn ook een paar manshoge standbeelden, en alle prullenbakken langs de hoofdstraat zijn met de zwart-witte beestjes versierd.

Penguin Beach

Penguin Beach

Kneuterig, maar wel leuk

Kneuterig, maar wel leuk

De echte soort heb ik helaas niet kunnen zien, want die blijken alleen in de avonden echt zichtbaar te zijn (als ze terugkomen uit de zee, op naar hun slaapplekken aan land).

Table Cape

Verder naar het westen, in de buurt van Wynyard, ligt een groot uitstulpsel met de naam Table Cape. De klifwand zorgt voor mooie uitzichten (en natuurlijk staat ook hier weer een vuurtoren) dus het was een logische stop.

Op naar het westen. De schim in de verte is Table Cape.

Op naar het westen. De schim in de verte is Table Cape.

Het echte uitkijkpunt is praktisch op de parkeerplaats, maar je kunt een flink stuk langs de zee lopen langs de rand van de klifwand in een retour naar de vuurtoren. Met zo’n 25 graden en een beetje zeewind was het prima wandelweer, dus voordat ik weer in de auto stapte was het weer een klein uurtje verder.

Wynyard en omgeving vanaf de klif.

Wynyard en omgeving vanaf de klif.

Lekker langs de zee wandelen.

Lekker langs de zee wandelen.

Niet alleen de kant van het water is interessant; de plaatjes landinwaarts zijn ook wat waard.

Niet alleen de kant van het water is interessant; de plaatjes landinwaarts zijn ook wat waard.

Table Cape Lighthouse

Table Cape Lighthouse

Nutting Hill

Eindstop van de dag was Stanley, een van de oudste nederzettingen op Tasmanië en gelegen op een bijzondere landtong. De meeste van dit soort landformaties eindigen met een kustlijn die geleidelijk de zee ingaat, maar hier eindigt het juist met een grote berg van vulcanisch gesteente. De bijnaam is “The Nut” – er is een andere officiële naam, maar die gebruikt niemand en ik ben ‘m alweer vergeten.

In de verte kun je 'm al zien: The Nut!

In de verte kun je ‘m al zien: The Nut!

Je kunt met een stoeltjeslift omhoog, of je pakt een wandelpad dat via een steile zigzagroute omhoog gaat. Ik had na m’n wandelingen van vandaag wel vertrouwen in m’n conditie, dus ik koos voor de gratis optie. Het was best een onderneming, maar ik verbaasde mezelf: binnen 5 minuten was ik boven, alhoewel het me een flinke zweetpartij had opgeleverd.

De stoeltjeslift en wat mensen om je een idee te geven van de grootte.

De stoeltjeslift en wat mensen om je een idee te geven van de grootte.

Eenmaal bovenop is het de klim wel waard. Hier de westkant van Stanley...

Eenmaal bovenop is het de klim wel waard. Hier de westkant van Stanley…

...en de oostkant plus omgeving.

…en de oostkant plus omgeving.

Eenmaal bovenop is er een wandelroute die een rondje over de mini-berg maakt, en daar kun je gerust een ruim uur mee bezig zijn kwam ik achter (het is best een flink gevaarte). De uitkijkpunten gaven prachtig uitzicht, maar het was soms wel nodig om je stevig vast te grijpen aan de balustrade omdat de zeewind hier sterk genoeg was om je landinwaarts te blazen.

De top oogt nogal als de heide.

De top oogt nogal als de heide.

Aan de schimmen in de achtergrond kun je zien dat de landtong een beetje naar binnen krult.

Aan de schimmen in de achtergrond kun je zien dat de landtong een beetje naar binnen krult.

Om de landtong nog maar even extra zichtbaar te maken.

Om de landtong nog maar even extra zichtbaar te maken.

Aan een kant is er daadwerkelijk een kleine verzameling bomen zozdat je niet meer in de wind loopt.

Aan een kant is er daadwerkelijk een kleine verzameling bomen zozdat je niet meer in de wind loopt.

Stanley

Stanley

Toen ik eenmaal weer aan de voet stond was het toch alweer avond aan het worden, dus ik reed maar eens naar de camping toe. Die bleek in dit geval dichterbij dan gedacht (praktisch aan de voet van The Nut). De eigenaresse vond het wel netjes om mij over te plaatsen van het grote veld (waar de stroomloze plekken waren) naar een omheinde standplaats, want het was zo hard aan het waaien dat mijn kleine tentje er nog wel eens moeite mee zou kunnen krijgen. Helemaal prima, want ze vond het niet nodig dat ik er extra voor betaalde en ik kreeg wel een nog mooiere plek.

Het uitzicht vanaf de kampeerplaats.

Het uitzicht vanaf de kampeerplaats.

Na het avondeten ben ik nog even een rondje gaan lopen om even wat van het dorp te zien (het wandelen beviel goed die dag).

Stanley Beach

Stanley Beach

Dat is ook een manier van marketing.

Dat is ook een manier van marketing.

Bij terugkomst was er nog een interessante kolonne die langskwam: de brandweer die af en toe even de aandacht vroeg met een korte sirenestoot, gevolgd door een trekker met daarachter…de kerstman! (Het was immers 24 december.) De opzet voelde heerlijk dorps.

Merry Christmas!

Merry Christmas!

All I want for Christmas

Eerste Kerstdag 2015 verliep iets anders dan gepland.

Tja.

Tja.

Ik was onderweg terug naar het oosten, had in Wynyard een van de weinige tankstations gevonden die deze dag bemand werd (met cash betalen is toch goedkoper dan met creditcard bij de automaat) en ging toen naar het zuiden, op weg naar het meest beroemde natuurpark van het eiland: Cradle Mountain/Lake St. Clair. Op die route ging het mis.

Het temperatuurwijzertje van de motor was aardig aan het stijgen, en tegen de tijd dat ik dat doorhad viel opeens de motor uit. Met veel moeite (zonder stuurbekrachtiging en rembekrachtiging) kreeg ik de auto in de berm geparkeerd. Wat er precies aan de hand was wist ik op dit moment niet, maar het starten (na enig afkoelen) lukte in ieder geval niet meer en de het geluid dat de motor produceerde was niet echt fantastisch. Ik bleek tot stilstand gekomen te zijn op een plek zonder telefoonbereik, maar binnen een paar minuten kwam er iemand langs die voor mij wel even door wou rijden naar een plek met bereik en voor mij de RACT wou bellen (de lokale versie van de ANWB). In de tussentijd was het voor mij gewoon rustig afwachten in de auto.

De monteur die even later arriveerde concludeerde al snel dat er door oververhitting het een en ander was doorgebrand in de motor. Dat zou je kunnen repareren, maar het snelste en goedkoopste zou zijn om de motor te laten vervangen. Dat op zichzelf was natuurlijk niet fijn om te horen (voornamelijk vanwege het kostenaspect) maar tot overmaat van ramp kwam de timing ook nog even om de hoek kijken. Het was namelijk Kerstmis, en alle garages zaten op slot. Op Tweede Kerstdag zou het niet veel beter zijn, gevolg door een zondag, gevolgd door een maandag die (omdat Tweede Kerstdag in het weekend viel) ook tot vakantiedag was uitgeroepen. De beste man zei dat hij voor nu mij wel naar zijn huis zou slepen, en dat we daar maar moesten bedenken wat de beste volgende stap zou zijn.

Dat huis bleek een flink ding te zijn, op een aardig stuk land. Ik was duidelijk in het platteland, maar de boerenbedrijven zijn ook hier aan het uisterven en het is nu vooral bezaaid met flinke percelen die niet zoveel kosten. Bij aankomst was het al redelijk druk met voorbereidingen voor het kerstdiner, maar dat bleek de kalmte voor de storm te zijn: de monteur (Paul) had zeven kinderen en 5 kleinkinderen, en die kwamen natuurlijk allemaal bij opa en oma voor deze speciale tijd van het jaar. Inclusief nog wat andere familie kwam het totaal aan het einde van de dag op 22 mensen, plus 4 honden en 1 kat. En ik.

Vanuit de achtertuin in Elliott.

Vanuit de achtertuin in Elliott.

Een stukje van de tuin (wat de honden betreft vooral een worstelveld).

Een stukje van de tuin (wat de honden betreft vooral een worstelveld).

Omdat het al vrij snel duidelijk was dat er die dag niets gedaan kon worden met mijn auto werd mij verteld dat ik de nacht bij hen kon doorbrengen. Ik hoefde mijn tent niet op te zetten in de tuin: ze hadden een camper waar ik wel in kon slapen (ze hadden me een slaapkamer in het huis aangeboden, ware het niet dat die nu allemaal bezet waren). Niet alleen dat: ik kreeg lunch van ze, mocht aanschuiven bij het kerstdiner, en werd uitgenodigd om bij het uitpakken van de cadeau’s te zitten. Sterker nog: ze hadden zelfs last-minute wat koekjes uit een kast getrokken en ingepakt zodat ik ook een cadeau kreeg. Ook al is Kerst zo’n familiegebeuren, er werd geen seconde moeilijk over gedaan dat ik als wildvreemde opeens in het huis was, en ik werd ongelofelijk hartelijk ontvangen. Een gastvrijheid die ik nog nooit heb meegemaakt, en bovendien een Kerstmis die ik nooit zal vergeten: de planning was om die avond in m’n eentje in de natuur te kamperen met avondeten van m’n gaststelletje, maar nu zat ik aan een gigantische tafel met een diner waar dagen aan gewerkt was. Je verzint het niet.

(Deze man doet het RACT-werk al zo’n 40 jaar, en zijn kinderen vertelden veel verhalen over hoe ze in hun kinderjaren elke paar weken wel weer iemand te logeren hadden wiens auto stuk was. Ze waren er dus aan gewend, zo in deze uithoek. Maar nog nooit met Kerst.)

Overigens heb ik wel een foto van de hele familie plus ikzelf aan het kerstdiner, maar ik vind het niet zo netjes om die hier te plaatsen. Als je echt benieuwd bent moet je me maar vragen zodra ik weer in Nederland ben.

Zena, de eerste huiskat die in Australië ben tegengekomen (honden komen hier duidelijk meer voor).

Zena, de eerste huiskat die in Australië ben tegengekomen (honden komen hier duidelijk meer voor).

The day after

Ik had op de 25e al vrij snel besloten dat ik even niet te veel zou nadenken over de rest van de week. Er kon toch niks aan gebeuren, en het was nou eenmaal zo, en ik had in zekere zin grote mazzel gehad met waar ik terecht was gekomen. Dat ik iets moest gaan schrappen van m’n planning was duidelijk, maar wat precies zou ik nog wel zien. Daarnaast was de drukte een leuke afleiding en ik had het prima naar m’n zin.

De auto links op de sleepwagen, rechts de camper waarin ik overnachtte.

De auto links op de sleepwagen, rechts de camper waarin ik overnachtte.

De volgende ochtend was het toch even wat minder leuk, toen er geprobeerd werd om mensen te bellen. Zowel Boxing Day als een zaterdag, dus de officiële nummers zouden waarschijnlijk niks worden, dus de zoektocht werd geopend naar privënummers en 24-uurs-bedrijven. Opnieuw kwam die vriendelijkheid van de familie naar voren: allemaal waren ze wel aan het bedenken of ze mensen kenden in de buurt (het is echt een eiland, iedereen kent elkaar) en het internet werd afgestruind naar mobiele nummers in plaats van de bedrijfsnummers. Elke keer kwam er geen gehoor, en toen er daadwerkelijk iemand opnam bleek het de vrouw van de gezochte monteur te zijn die vertelde dat hij tot 11 januari op vakantie was. Ik zal eerlijk zeggen: alle lol van de vorige dag was ik op dat moment toch helemaal vergeten. Het leek erop dat de meeste bedrijven niet eens op dinsdag open zouden gaan, maar pas in het nieuwe jaar – de echt grote steden van het eiland waren niet bepaald in de buurt dus de bedrijven met ruimere openingstijden waren niet echt te vinden. Op dat moment begon het toch wel te dagen dat ik niet alleen delen van Tasmanië zou missen, maar mogelijk zelfs m’n boottocht zou moeten wijzigen (waardoor ook de rest van mijn reis in het geding kwam). Nee, dat was niet leuk.

Tot er na een paar uur eindelijk succes was. De man die op vakantie was had alleen vrij maar was niet vertrokken, en zijn vrouw had hem gevraagd terug te bellen. Hij had een nieuwe motor voor me in de aanbieding, en kon wel wat mensen optrommelen om die voor me te plaatsen op maandag. Niet goedkoop, maar betaalbaar en ik zou op die manier mijn reis (na wat gemiste dagen) gewoon weer kunnen voortzetten. Opluchting in het huis – niet alleen ik, maar iedereen met mij. Dat ik nog 2 nachten zou blijven was geen moment een discussiepunt: ik moest vooral zeggen als ik nog iets nodig had, of als het eten niet genoeg was, etc. Het was bijna alsof ik bij m’n eigen grootouders op bezoek was – alhoewel ik daar nooit tweede kerstdag heb gevierd met tafels vol vlees en groente van de barbecue, in de tuin met uitzicht op de zee.

From rural to cradle

Om maar niet de hele dag binnen te hoeven zitten werd ik af en toe gevraagd of ik mee wou even de honden uitlaten, of even een rondje langs het strand in Burnie te wandelen, maar erg veel afwisseling gaf het niet.

Burnie Beachfront

Burnie Beachfront

Voor de zondag hadden een paar mensen echter het plan opgevat om iets actiefs te doen, en uiteindelijk boden ze aan om me niet alleen mee te nemen, maar bovendien naar Cradle Mountain te gaan – de plek die ik door m’n motorpech nooit bereikt had. Op de dag zelfs haakten er een paar af omdat ze het uitslapen toch een beter idee vonden, maar de initiatiefnemer (Hugh) had er nog steeds zin in. Om te zeggen dat hij een ervaren bushwalker is zou een understatement zijn: hij werkt in Freycinet National Park, heeft zo ongeveer elke berg in het Cradle Mountain/Lake St. Clair National Park al wel een keer beklommen en heeft zelfs de meerdaagse Overland Track gedaan (65 km in totaal), dat laatste ook nog eens in midwinter met een halve meter sneeuw om het extra interessant te maken. Hij wist dus prima wat de mooiste wandelingen waren om in 1 dag te doen, niet te zwaar maar ook vooral niet te saai. Voor hem was het bovendien een mooie gelegenheid om er weer eens te komen, want vanaf Hobart (waar hij woont) is het aanzienlijk verder rijden (ca. 4 uur). Terwijl mijn auto die dag alvast naar de garage gesleept werd zodat ze de volgende ochtend gelijk aan de slag konden, reden wij zuidwaarts. Na ongeveer een uur rijden kwamen we op de overvolle parkeerplaats, en het werd duidelijk dat we per ongeluk de drukste dag van het jaar te pakken hadden.

Hellyer Gorge, een korte tussenstop op weg naar het National Park.

Hellyer Gorge, een korte tussenstop op weg naar het National Park.

Alhoewel we in Europa vooral denken dat Tasmanië heel tropisch en warm is, heeft het met z’n zuidelijke ligging juist het koudste klimaat van Australië – vandaag werd dat duidelijk toen we met motregen en 9 graden aan de klim begonnen (volgens mij was het op dat moment zelfs in Nederland warmer). Al met al was het echter prima wandelweer; je warmt vanzelf wel op met een stevige klim dus een beetje koelte is dan juist wel prettig, en toen de regen eenmaal opklaarde na het eerste kwartier was het bovendien best helder. Op meerdere momenten hebben we de top van Cradle Mountain kunnen zien, en dat is (volgens Hugh) best bijzonder.

Het weer aan het begin van de wandeling. De bergtop zit verstopt achter een wolk.

Het weer aan het begin van de wandeling. De bergtop zit verstopt achter een wolk.

De grote toeristentrekker is een wandeling rond Dove Lake, waarmee je in twee uur het meer rondloopt wat aan de voet van de berg ligt. Ten eerste is het niet een heel uitdagende wandeling, maar ten tweede was er zoveel volk in het park die dag dat het in feite filewandelen zou worden. We waren dus ook blij dat we voor de route naar Marion’s Lookout hadden gekozen, waarmee we na de eerste 5 minuten een afslag pakten en in een keer in een veel rustiger gedeelte waren beland.

Wombat Pool

Lake Lilla

Wombat Pool

Wombat Pool

De wandeling kost zeker wat energie, maar het ging me een stuk beter af dan ik dacht. Als je aan het beginpunt staat en kijkt naar de bergtop waarop Marion’s Lookout ligt (meer dan 300 meter hoger) dan verwacht je toch wel dat het een zware klim wordt, en op basis daarvan had ik het in m’n eentje waarschijnlijk niet geprobeerd, maar achteraf ben ik erg blij dat Hugh deze wandeling voorstelde want het viel eigenlijk best mee en is bijzonder lonend. Toch wel een van de voordelen van meelopen met een local.

Crater Lake

Crater Lake

Tijdens de wandeling wist Hugh me te vertellen dat we in feite het moeilijkste stuk van de Overland Track aan het wandelen waren; zodra je eenmaal langs het uitkijkpunt bent is het veel minder steil en vooral een grote afstand die je moet overbruggen. Voor een groot deel van de klim zit de herkenbare berg verstopt achter de berg die je aan het beklimmen bent, en pas op het laatste moment komt opeens de bergtop weer tevoorschijn. Op dat moment is het wel een heel spectaculair beeld.

Dove Lake

Dove Lake

Nog iets meer van Dove Lake, met op de achtergrond de Great Western Tiers en Walls of Jerusalem

Nog iets meer van Dove Lake, met op de achtergrond de Great Western Tiers en Walls of Jerusalem

Cradle Mountain. Toen de top tevoorschijn kwam was de wolk er nog niet, maar toen ik m'n camera eenmaal pakte natuurlijk wel.

Cradle Mountain. Toen de top tevoorschijn kwam was de wolk er nog niet, maar toen ik m’n camera eenmaal pakte natuurlijk wel.

Na een flinke lunch (sandwiches, fruit en plakken cake die over waren van de thee op Boxing Day) zijn we nog even een stukje doorgelopen zodat Hugh me kon wijzen op het pad naar de top van Cradle Mountain zelf. Vanaf waar we uitkwamen was het waarschijnlijk best te doen geweest (er loopt een niet al te steil pad en er komen geen touwen aan te pas) en het weer was er uitzonderlijk goed voor, maar aangezien we er niet op hadden gepland (en bijvoorbeeld niet genoeg proviand bij ons hadden) besloten we om het toch maar niet te doen. Toch wel grappig dat ik aan het begin van de dag toch een beetje opzag tegen een klim van 300 meter, en na die klim het stiekem wel een beetje jammer vond om niet die extra 200 meter ook te doen. Ik wist dat ik bergwandelen leuk vond, maar hiermee verbaasde ik mezelf toch wel een beetje.

Richting Kitchen Hut. Ongeveer halverwege het groene vlak rechts is het wandelpad omhoog zichtbaar.

Richting Kitchen Hut. Ongeveer halverwege het groene vlak rechts is het wandelpad omhoog zichtbaar.

Toen we eenmaal teruggingen was de wolk aan het wegtrekken.

Toen we eenmaal teruggingen was de wolk aan het wegtrekken.

De terugweg was iets steiler; dezelfde route teruglopen is ook zo saai, dus we pakten een iets minder aangelegd pad voor de retour. Dit pad is duidelijk veel prettiger om af te dalen dan op te klimmen.

Het pad terug naar beneden.

Het pad terug naar beneden.

Aan het einde van de afdaling kwamen we weer uit op het pad rond Dove Lake, en gelijk zaten we weer in de drukte. De afronding was dus een klein kwartier over het vlakke pad rond het meer, terug naar de shuttlebus die ons weer naar de ingang zou brengen.

Opklaring en drukte.

Opklaring en drukte.

Na ‘nog even’ een kop koffie te drinken (en een half uur te wachten totdat die eindelijk uitgeserveerd werd) maakten we ons klaar om terug te rijden. Op de parkeerplaats stonden twee meisjes te wachten op een lift, en voordat ik er erg in had was Hugh al aan het vragen waar ze heen moesten. Het verbaasde me op zich niets, aangezien ik de vorige avond allemaal verhalen had gehoord van iedereen in de familie over hoe vaak ze wel niet lifters meenemen – ik denk dat het een beetje een gevolg is van op het platteland opgroeien en vaak vreemdelingen helpen, zoals hun vader de monteur. Ze bleken naar Burnie te gaan, wat zo goed als op onze route lag, dus ze konden mee. Ze bleken Frans te zijn, een op stage in agrologie (grotendeels in het enige noemenswaardige ding in Elliott voor de buitenwereld: een onderzoekscentrum – kleine wereld) en de ander op bezoek tijdens de vakantie. Na de paar uur wandelen die dag merkte ik dat ik toch wel aardig uitgeput was, en de verwarmde auto hielp niet mee: toen het gesprek een beetje opdroogde had ik gelijk moeite om wakker te blijven. We hadden het kerstdiner er wel afgewandeld, zullen we maar zeggen.

On the road again

De volgende dag was voor een groot deel wachten op een telefoontje: het bericht dat de auto klaar was. Het was vooral een kwestie van de tijd doden met m’n boek, en tussendoor nog even een keer naar het strand van Burnie om een paar honden hun energie weg te laten rennen met een van de gezinnen. Tegen het einde van de middag was het eindelijk zo ver, en bovendien hadden de monteurs ook nog eens de oorzaak gevonden: een verroeste radiator, die tijdens de laatste APK toch echt wel gevonden had moeten worden. Voor een schappelijke prijs werd ook de radiator vervangen, en ik had genoeg om zowel een schadeclaim bij de APK-garage in te dienen als een claim bij de verzekering die ik van TAB had meegekregen. Ik moest nog wel even wachten totdat Paul tijd had om me naar die garage te brengen (juist toen de auto klaar was werd hij weer opgeroepen voor een kleine RACT-klus) maar rond 17:00 was alles toch wel geregeld en kon ik er weer vandoor. Nog even afscheid nemen van alle mensen in Elliott en ze natuurlijk nogmaals heel erg bedanken voor hun gastvrijheid, en daarna in de auto stappen om weer door te gaan. Om na een paar dagen ongepland stil te zitten op een plek weer gewoon met een werkende auto te kunnen rijden is ongelofelijk prettig.

Van Campbell Town naar Swansea.

Van Campbell Town naar Swansea.

Ik had al uitgewerkt wat ik met m’n reisplanning zou doen. Cradle Mountain had ik alsnog kunnen bezoeken, maar het bezoek aan de hoofdstad Hobart en de nabijgelegen gevangenis op Port Arthur moest ik helaas overslaan – dat werd qua reistijd gewoon erg krap. Gelukkig bleef het snijden daarbij, want op die maandagavond kon ik nog precies in Swansea komen aan de oostkust, waar ik origineel had gepland om de nacht door te brengen (en dus ook al een kampeerplaats had gereserveerd). Het was een flinke rit (alles bij elkaar zo’n 3,5 uur) maar ik was nog net voor de schemering op de plaats van bestemming. Ik zat officieel weer op schema.

Zonsondergang bij Swansea.

Zonsondergang bij Swansea.

Onderweg heb ik trouwens ook de enige Tasmaanse duivels gezien van mijn hele week daar: twee ervan lagen dood op de weg, en een ervan heb ik in de berm gezien voordat hij wegvluchtte van het wegdek. De beestjes worden serieus bedreigd door het verkeer, en je ziet dan ook meer campagnes dan elders in het land om voorzichtig te rijden tussen zonsondergang en zonsopgang en liever de auto helemaal te laten staan, om te voorkomen dat je er een aanrijdt.

Bring out the coconuts

Vanuit Swansea was het de volgende dag tijd om naar Freycinet National Park te rijden, een van de meest beroemde stukjes natuurschoon aan de oostkust. Ook hier was het duidelijk wat aan de drukke kant, maar aangezien ik van plan was om hier een van de grote wandelingen te doen (waar ongeveer 5 uur voor staat) ging ik ervan uit dat ik ook hier vrij snel de drukte zou ontlopen. Ik had na The Nut en Cradle Mountain het ritme goed te pakken, en liet me dus ook vooral niet weerhouden door de moeilijkheidsgraad die werd geadverteerd voor deze wandeling.

Welcome to Freycinet

Welcome to Freycinet

Deze kleine rakker kwam op me afgesprongen toen ik uitstapte. Ze zijn rond de parkeerplaats zo gewend aan mensen dat ze je blijkbaar zelfs laten aaien (alhoewel ik dat zelf toch liever niet riskeer).

Deze kleine rakker kwam op me afgesprongen toen ik uitstapte. Ze zijn rond de parkeerplaats zo gewend aan mensen dat ze je blijkbaar zelfs laten aaien (alhoewel ik dat zelf toch liever niet riskeer).

Coles Bay

Coles Bay

Is Wile E. Coyote hier langsgeweest?

Is Wile E. Coyote hier langsgeweest?

Ja, dit was wel weer wat warmer klimweer.

Ja, dit was wel weer wat warmer klimweer.

De grote toeristische attractie van Freycinet is Wineglass Bay, een baai met bijbehorend strand dat gemaakt lijkt te zijn voor mooie ansichtkaarten. De eerste grote stop van de wandelroute is dan ook een ontzettend druk uitkijkpunt over de baai, wat voor de meeste families met kleine kinderen duidelijk ook de eindstop is.

De trap naar Wineglass Bay Lookout

De trap naar Wineglass Bay Lookout

Wineglass Bay

Wineglass Bay

De isthmus met Hazards Lagoon. Links Wineglass Bay, rechts Promise Bay, op de achtergrond The Hazards.

De isthmus met Hazards Lagoon. Links Wineglass Bay, rechts Promise Bay, op de achtergrond Mount Graham (links) en Mount Freycinet (rechts).

Na een wat pittiger afdaling kom je uit op het Wineglass Beach, wat minstens zo druk was. Het kost alles bij elkaar ongeveer een uur om hier te komen, dus voor veel mensen is het waarschijnlijk een prima plek om op het strand of in de zee even uit te rusten van de wandeling.

Wineglass Beach

Wineglass Beach

Wineglass Beach ligt aan een relatief smalle strook land, en mijn wandeling steekt die strook over, richting Hazards Beach (niet omdat het strand zo gevaarlijk is, maar omdat de serie bergtoppen op de landstrook bekend staat als The Hazards). Tijdens dit traject begon het duidelijk wat rustiger te worden.

Over de isthmus.

Over de isthmus.

Een opgedroogd stuk van Hazards Lagoon.

Een opgedroogd stuk van Hazards Lagoon, met Mount Freycinet op de achtergrond.

Een stukje boardwalk om het makkelijk te maken...

Een stukje boardwalk om het makkelijk te maken…

...en een stuk los zand heuvelopwaarts om het moeilijk te maken.

…en een stuk los zand heuvelopwaarts om het moeilijk te maken.

Promise Bay

Promise Bay

Hazards Beach

Hazards Beach

Alhoewel de wandelroute vanaf Wineglass Bay vrij snel weer landinwaarts gaat, loopt het pad aan de kant van Promise Bay juist een heel stuk langs het water – eerst over Hazards Beach, en daarna door het bos aan de waterlinie. Op die route kom je op talloze kleine stukjes strand die minstens zo mooi zijn als de grote toeristentrekkers, maar volledig verlaten. Je moet er iets verder voor lopen, maar als je graag op een rustig plekje wilt zwemmen is dat het volgens mij meer dan waard.

De wandelroute over Hazards Beach terug naar Coles Bay.

De wandelroute over Hazards Beach terug naar Coles Bay.

Hier loopt het pad ook langs. Niet echt dood, maar wel uitgedroogd.

Hier loopt het pad ook langs. Niet echt dood, maar wel uitgedroogd.

Een van de vele kleine stukjes paradijs langs het water.

Een van de vele kleine stukjes paradijs langs het water.

De terugweg loopt langs een vrij rotsachtig deel van het park, en alhoewel het meer wandelen dan klimmen is zijn er wel plekken waar je je handen absoluut nodig hebt. De steile helling waar de route langsloopt zorgt er wel voor dat, als je even bovenop een paar van de grote rotsen gaat staan, je gigantische panorama’s kunt krijgen van het park.

Dit zijn wel leuke klauterpartijen.

Dit zijn wel leuke klauterpartijen.

Great Oyster Bay

Great Oyster Bay

Coles Bay

Coles Bay

Tijdens een van m'n pauzes kreeg ik bezoek.

Tijdens een van m’n pauzes kreeg ik bezoek.

Het laatste stuk van het pad heeft weer wat minder schaduw.

Het laatste stuk van het pad heeft weer wat minder schaduw.

The Hazards

The Hazards

Eenmaal terug op de parkeerplaats zag ik dat er inderdaad ongeveer 5 uur was verstreken, en na een beetje opladen was het dus wel tijd om door te rijden naar de volgende stop.

Rocks and civilization

Diezelfde avond arriveerde ik in Launceston, de tweede stad van het eiland. Ik had weliswaar een plek geboekt bij een grote ketencamping (opnieuw van BIG4) maar de stroomloze plekken waren ten eerste verlaten en ten tweede bovenop een helling waardoor ik een geweldig uitzicht kreeg over de stad (en dat voor de goedkoopste plek van het park).

Terug naar het noorden.

Terug naar het noorden.

Launie!

Launie!

Een paar mensen van de familie in Elliott wonen in Launceston en ze vertelden allemaal hetzelfde: de mooiste plek van de stad is Cataract Gorge. Dit kreeg ik ook nog eens te horen bij de receptie van de camping, en toen ik even later in de Lonely Planet keek zag ik dat die het er ook mee eens was. Het moest dus wel wat zijn. Bij de receptie werd me aangeraden om er met de auto heen te gaan, maar het bleek zo’n 20 minuten wandelen te zijn en na mijn stevige bergwandeling van die dag kon dat er nog wel bij. De zon begon langzaam onder te gaan, en ik besloot dus diezelfde avond er nog een kijkje te nemen om te zien of de zonsondergang het inderdaad nog mooier maakt dan normaal.

Hoezo steil?

Hoezo steil?

De wandeling bleek iets zwaarder dan gedacht (er zitten een paar serieuze heuvels in de straten, een daarvan volgens mij richting de 90% – die hellingproef zou de volgende dag een flinke uitdaging blijken) maar ik had er absoluut geen spijt van toen ik eenmaal op de plaats van bestemming kwam. Ik laat de foto’s hier wel hun werk doen.

First Basin

First Basin

Alexandra Suspension Bridge

Alexandra Suspension Bridge

Cataract Gorge

Cataract Gorge

First Basin vanaf de andere kant

First Basin vanaf de andere kant

De stoeltjeslift boven het vervolg van de South Esk River richting het stadscentrum.

De stoeltjeslift boven het vervolg van de South Esk River richting het stadscentrum.

Je kan nog wat wandelingen doen beide kanten op langs het water, maar dat vond ik voor die avond toch wel iets te veel van het goede. Ik besloot dat te laten liggen voor morgen. Toen ik eenmaal terug was bij m’n tent kwam ik erachter dat ik alles bij elkaar toch alweer 1,5 uur had rondgelopen, en m’n voeten waren er voor die dag wel echt klaar mee – een goed besluit dus. Met het uitzicht op Launceston ging ik mijn laatste nacht op Tasmanië in.

Back to the Gorge

De volgende dag ging ik weer naar de Cataract Gorge, ditmaal met de (ingepakte) auto. Het was tijd om eens wat verder rond te wandelen. Eerst weg van de stad, in de richting van een oude stroomcentrale.

Het begin van Duck Reach Trail

Het begin van Duck Reach Trail

Af en toe eens naar beneden kijken

Af en toe eens naar beneden kijken

Opnieuw die coyote!

Opnieuw die coyote!

Richting het westen.

Richting het westen.

Duck Reach Power Station

Duck Reach Power Station

Er lopen paden aan beide kanten van het water, dus ik besloot de terugweg te doen aan de overkant. Dat bleek een pittige route, want het pad loopt daar hoger dan aan de andere kant en de stijging ernaartoe is ook nog eens steiler. Eenmaal boven was het dus wel tijd om weer even op te laden voordat ik verder liep.

South Esk River

South Esk River

We need to go higher!

We need to go higher!

Cliff Grounds

Cliff Grounds

Dit waren drie grote beesten (elk ongeveer zo groot als een flinke duim) met elkaar in gevecht. Het blijft wel Australië.

Dit waren drie grote beesten (elk ongeveer zo groot als een flinke duim) met elkaar in gevecht. Het blijft wel Australië.

Terug bij First Basin besloot ik door te lopen. De rivier (en met de rivier, de Gorge) loopt het stadscentrum in, en ik was wel benieuwd hoe dichtbij dat nou eigenlijk was. Niet ver, blijkt: met ongeveer 20 minuten ben je van First Basin bij de rand van het centrum (Kings Bridge).

Terugkijkend op weg naar de stad (op de achtergrond First Basin en de Alexandra Bridge).

Terugkijkend op weg naar de stad (op de achtergrond First Basin en de Alexandra Bridge).

Cataract Gorge richting King's Bridge

Cataract Gorge richting Kings Bridge

Bij deze stapel rotsen was een zeehond aan het klimmen.

Bij deze stapel rotsen was een zeeleeuw aan het klimmen.

Het was hard werken...

Het was hard werken…

...maar het lukte!

…maar het lukte!

Het laatste stuk van de Gorge.

Het laatste stuk van de Gorge.

Kings Bridge

Kings Bridge

Om het maar helemaal af te maken stak ik opnieuw over en nam ik weer een ander pad terug naar de parkeerplaats. Opnieuw bleek de terugweg zwaarder dan de heenweg, en de opbouwende hitte hielp niet echt mee. Het zijn absoluut mooie paden, maar toen ik eenmaal weer bij de auto was vroeg ik me toch wel af waarom ik ook alweer zo graag die wandelingen wou doen.

Downtown Launceston achter Kings Bridge.

Downtown Launceston achter Kings Bridge.

Zig Zag Track

Zig Zag Track

Even higher!

Even higher!

Het bezoek aan Launceston rondde ik af met een klein rondje door de binnenstad. Dat is niet heel bijzonder, maar wel duidelijk levendiger dan de andere plaatsen die ik heb bezocht: je kunt merken dat het een grotere stad is. (Wat dat betreft is het extra jammer dat ik Hobart niet heb kunnen bezoeken – dat is de grootste stad, maar met 200000 niet veel groter dan Amersfoort of Enschede, en ik vraag me daarom af of het de sfeer van een grote hoofdstad heeft of gewoon van een middelgrote stad zoals we die in Nederland ook hebben. Maar goed, dat bewaar ik voor een volgende vakantie.)

Koloniale gebouwen in Launceston.

Koloniale gebouwen in Launceston.

Smooth sailin’…

Ik had nog wat tijd over voordat ik die avond weer de boot moest hebben, dus ik nam een beetje een toeristische route terug naar de noordkust. Niet direct terug naar Devonport, maar naar George Town, waar een landpunt bij Low Head wel leuke plaatjes blijkt op te leveren. Ik zou daarna nog genoeg tijd hebben om op tijd in Devonport te zijn om ook daar nog even rond te kijken voordat ik zou inchecken.

Richting George Town

Richting George Town

Bell Bay

Bell Bay

Low Head leverde wel wat leuke plaatjes op, maar het is op zich niet heel bijzonder. Ik heb er een half uurtje rondgelopen, en daarna vond ik het eigenlijk wel weer goed. Des te eerder kon ik in Devonport zijn, en des te rustiger kon ik het aandoen voordat ik naar de haven zou hoeven.

Low Head

Low Head

Maar ja. Dan moest ik wel eerst in Devonport zijn.

En dan helpt het als de auto wilt starten.

Daar stond ik dan, op 2 uur rijden van Devonport, zo’n 4,5 uur voordat de check-in zou sluiten. Vergeleken hiermee was de timing van Eerste Kerstdag misschien zo slecht nog niet. In ieder geval had ik niet veel keus, dus opnieuw belde ik de RACT (nadat ik had geconcludeerd aan de hand van wat waarschuwingslampjes dat ik er zelf in ieder geval niet uitkwam) en moest geduldig wachten.

Na ongeveer drie kwartier kwam de monteur, en die concludeerde na ongeveer een kwartier prutsen dat hij er ook niet uitkwam. De motor leek prima te willen starten, maar er kwam geen brandstof bij, terwijl de brandstofpomp het prima leek te doen. OBD uitlezen via de CAN-bus gaf ruis op de verbinding, en ook na een belletje met het Holden-hoofdkwartier om te kijken of de techneuten daar nog ideeën hadden was het niet opgelost. Opnieuw slepen dus. Ik zag de bui al hangen en verwachtte er niet veel van, maar zei toch maar tegen de man dat ik diezelfde avond eigenlijk nog de boot moest hebben. Hij had het zelf nog nooit gedaan, maar stelde voor de auto naar de haven te brengen om hem de boot op te slepen, zodat ik in ieder geval de oversteek kon maken en het probleem in Melbourne moest laten oplossen. Ik belde even met de mensen van de Spirit, en ja hoor, dat kon.

Terwijl de monteur vertrok (er zou iemand anders komen met de sleepwagen) probeerde ik alvast iets te regelen voor de volgende ochtend in Melbourne, maar dat scenario bleek ontzettend moeilijk voor de klantendiensten. Ik kon een sleepwagen krijgen via de RACV (de ANWB van Victoria) maar die moesten eerst een garage hebben waar het heen kon. Nee, zij konden die niet uitzoeken, dat moest ik doen. Na wat gesteggel kwam het voorstel dat ik TAB moest bellen, en die verwezen me door naar AWN (de toko die garantie/verzekering voor ze regelt). Die mensen kregen het voor elkaar om geen idee te hebben van openingstijden rond feestdagen, dus ik moest zelf wat garages afbellen om te kijken wie er open was. En nee, ze konden me geen lijst van Melbourne mailen, ik moest een specifieke postcode opgeven en daarvoor zouden ze me een paar SMSen. Superhandig als je geen postcode weet van de haven, want de muts aan de andere kant is natuurlijk te dom om zelf even die postcode op te zoeken, dus ik gaf vergeefs maar een CBD-postcode op (voor m’n hotel). Ik kreeg 4 SMSjes, waarvan 2 dubbel – alledrie gesloten. Tegen de tijd dat de sleepwagen kwam was het alweer drie kwartier verder en ik was het helemaal zat, dus ik besloot om de volgende ochtend bij aankomst in Melbourne maar gewoon een nieuw probleem te melden bij de RACV (“ik probeerde van de boot af te rijden en hij deed het niet”) in de hoop dat ze dan wel hun normale routine in gang zouden zetten waarbij ze zelf een garage vinden (want dat is toch waar ik voor betaal met zo’n lidmaatschap).

Tegen de tijd dat de auto eenmaal op de sleepwagen stond en we richting Devonport reden hadden we nog zo’n 1,5 uur – volgens mijn Garmin was dat te weinig. Toen ik echter m’n Google-navigatie op m’n telefoon pakte (de chauffeur durfde zelf niet te zeggen welke van de verschillende routes precies de snelste was dus ik zocht het even op) gaf die aan dat het precies uit zou komen. De chauffeur besloot bovendien even door te trappen en haalde zelfs een trage auto in (inhalen met een sleepwagen gaat niet zo makkelijk) en na een enigszins zenuwslopende rit, zowel vanwege de rijstijl als vanwege de wegtikkende tijd, kwamen we 5 minuten na sluiting aan. Dat moest nog wel recht te praten zijn.

Het was een beetje chaotisch om alles nog geregeld te krijgen, maar uiteindelijk waren de mensen van de boot uiterst behulpzaam. Mijn auto werd ingecheckt als vracht, en ik moest de voetgangersingang nemen. Ze wouden me dusdanig snel op de boot hebben (zodat ik de boel niet op zou houden) dat ik niet hoorde wat de procedure de volgende ochtend zou zijn, maar dat besloot ik op de boot wel te vragen aan de staf. Terwijl ik dacht dat het allemaal misschien wel wat vertraging op zou leveren vertrok de boot dit keer 5 minuten voor tijd.

Na alle heisa besloot ik mezelf die avond maar even op een paar biertjes te trakteren terwijl ik als afleiding weer even verder bladerde door mijn boek. Ik had geen idee hoe ik de volgende ochtend alles gedaan zou krijgen en zag er ongelofelijk tegenop, maar voor nu was het avond, bijna slaaptijd, en had ik de boot gehaald.

Next time on Under Down…

Zal mijn auto op tijd gerepareerd worden om de reis te vervolgen? Wordt het inderdaad een Happy begin van het New Year? Wat voor avonturen komen me nog meer tegemoet? Je leest het binnenkort in…mijn volgende update!

The old and the new

Het was even wat gedoe, maar op een gegeven moment was het inpakken gedaan, waren de sleutels ingeleverd en was de tank afgetopt. Nog even afscheid nemen van de huisgenoten, en daarna zuidwaarts de Princes Highway op. Op een gegeven moment reed ik definitief de stad uit en kon ik Sydney echt uitzwaaien, want hier kom ik voorlopig niet meer terug.

Same old highway

De attente lezer zal zich misschien herinneren dat ik eerder al een stukje de kust was afgezakt, dus ik zou hier een stukje route dubbel doen. Een binnenlandse route nemen was niet echt een optie want dat zou gelijk een heel grote omweg worden. Om eerlijk te zijn kwam het me eigenlijk wel goed uit dat ik even wat bekend terrein had. Na de afgelopen paar maanden was het echt even schakelen om nu helemaal geen vast thuisadres meer te hebben, en daarom beviel het wel om in ieder geval de eerste dag toch grotendeels gewoon even te genieten van de vrijheid, lekker doorkarren en vooral niet omkijken.

Daar is 'ie weer...de Sea Cliff Bridge.

Daar is ‘ie weer…de Sea Cliff Bridge.

Na wat bekende stukjes route kwam ik in Nowra wel een nieuwigheidje tegen: een politiecontrole voor alcohol, opnieuw op zo’n geweldig vroeg tijdstip (vlak na de lunch in dit geval). Het kwam nogal over alsof ze de mensen wouden pakken die hier het begin van de zomervakantie aan het vieren waren op de weg. In tegenstelling tot de vorige keer moest ik dit keer wel blazen – tenminste, ik moest hardop tot 10 tellen terwijl de agent een apparaatje voor m’n mond hield. (Tja, dat zorgde bij mij ook wel voor de nodige verwarring.) Dat ook weer eens een keer gehad.

Kerst!

Kerst!

Nog meer platteland

Nog meer platteland

Tegen het einde van de middag maakte ik voor het eerst een tussentop op een nog niet zo bekende plek, in het kustplaatsje Bateman’s Bay. Ik had een beetje gehoopt dat, voorzover ik nog meer van die kustdorpjes zou tegenkomen die ik tijdens m’n eerste week East Coast had gezien, ik er inmiddels weer wat meer lol uit zou halen – richting het einde van m’n weektrip begon alles toch wel heel erg op elkaar te lijken, maar wellicht dat de paar weken terug in het grote Sydney daar weer verandering in zouden brengen.

De brug over de Clyde River

De brug over de Clyde River

Batemans Bay, bij Batemans Bay

Batemans Bay, bij Batemans Bay

Dat viel eerlijk gezegd toch een beetje tegen. Je merkt gewoon duidelijk dat verreweg de meeste kustdorpen (in ieder geval in deze hoek van het continent) die niet binnen de invloedsfeer van een hoofdstad vallen toch moeite hebben met zichzelf onderscheiden. Dit weekend was bovendien ook nog eens onverwacht rustig, want de meeste Aussies blijven met de kerstdagen nog even bij familie en gaan pas daarna op zomervakantie.

Platteland, maar iets minder plat

Platteland, maar iets minder plat

Mijn slaapplek deze nacht was een rest stop vlak buiten Bateman’s Bay, waar je zowaar een tentje mag opzetten. De naastliggende weg is bovendien niet zo heel druk, dus het voelde niet eens echt alsof je naast een snelweg stond. Ik vond het eigenlijk wel mooi: geen heel spectaculaire eerste dag, maar het spits was afgebeten, ik was onderweg en had een prima plekje gevonden.

Welterusten!

Welterusten!

To the border!

De tweede dag was wat beter gevuld. In eerste instantie was het gewoon makkelijk de Princes Highway verder volgen, maar vlak na Narooma nam ik weer eens een toeristische afslag richting Bermagui. Het dorpje zelf is niet veel bijzonders, maar de omgeving (en de route) zijn zeker de moeite waard.

Wallaga Lake

Wallaga Lake

Ze houden hier nogal van enkelbaans bruggen

Ze houden hier nogal van enkelbaans bruggen

Bermagui

Bermagui

Even verderop op deze route ligt Mimosa Rocks National Park. Het park is genoemd naar een paar rotsen die vlak voor de kust liggen, die op hun beurt weer vernoemd zijn naar een schip wat daar ooit op de klippen is gelopen. Het lijkt mij een bijzondere manier van naamgeving, maar ach, het werkt. Alles is vrij goed bereikbaar (de belangrijkste uitkijkpunten zitten ongeveer een kilometer van elkaar verwijderd) maar daarnaast is het park bezaaid met kleine kampeerplekken voor ca. 10 tenten per stuk. Weer een prachtige camping met toiletten die volledig gratis is, alhoewel hier de heuvelachtige onverharde weg blijkbaar geen goed afweermechanisme is tegen gigantische caravans.

We meet again!

We meet again!

Mimosa Rocks, de zuidkant

Mimosa Rocks, de zuidkant

Het noorden is iets meer uitgesproken

Het noorden is iets meer uitgesproken

Het totaalplaatje

Het totaalplaatje

Nelson Beach

Nelson Beach

Dit beestje van ongeveer een meter lang liep opeens voor m'n voeten langs.

Dit beestje van ongeveer 1,5 meter lang liep opeens voor m’n voeten langs.

Het laatste stuk van de grote omweg (dat weer terugleidt naar de Pacific Highway) staat bekend als de Sapphire Coast Drive. Dat is niet zo spectaculair als het klinkt, maar het is wel weer een mooie provinciale weg met mooie plaatjes door kleine plattelandsdorpjes.

Sapphire Coast Drive

Sapphire Coast Drive

Merimbula

Merimbula

Via Merimbula kom je weer op de Pacific Highway, die vrij snel daarna door het dorpje Eden loopt. De naam is niet eens echt hooggegrepen, want er hangt een heerlijk sfeertje in het nogal slaperige dorp. Er is weinig echt zichtbaar bijzonder aan het kustplaatsje, behalve dan misschien de grote begraafplaats die direct tegenover het belangrijkste strand van het dorp ligt. Zo paradijselijk dat zelfs de toeristische hotspot nog rustig genoeg is om vredig te rusten, zeg ik dan maar.

Aslings Beach

Aslings Beach

En aan de andere kant van de weg...

En aan de andere kant van de weg…

Eden is het laatste echt noemenswaardige dorp voor de staatsgrens – toen ik doorreed was ik na niet al te lange tijd in Victoria, waar ik op zoek ging naar het eerste noemenswaardige dorp. Alhoewel je via de snelweg in Genoa uitkomt is het feitelijke meest oostelijke plaatsje Mallacoota, wat aan de kust ligt en dus niet direct bereikbaa
r is voor de snelweg. Vanaf Genoa ben je er met een dik kwartier, maar niet voordat je met de slingerweggetjes dwars door een blok natuur gaat. De grootste tongstruikelnaam die ik tot nu toe ben tegengekomen: Croajingolong National Park.

Mallacoota is zo rustig als je zou verwachten voor een dorp dat voor je gevoel aan de andere kant van een groene muur ligt. Het heeft echter de luxe om aan de inham te liggen van een groot meer (dat natuurlijk een belangrijke rol speelt in het natuurgebied) en die inham, Bastion Point, is een geweldige plek om uit te waaien.

Mallacoota Foreshore

Mallacoota Foreshore

Bastion Point

Bastion Point

De kampeerplek die ik deze dag voor ogen had had ik op weg naar Mallacoota al even gezien, want het ligt aan de A1 bij Genoa vlak voor de afslag. In mijn campinggids staat deze aangeprezen als favoriet, en de gids kent niet zoveel gratis favorieten, dus ik wou wel eens zien wat er zo bijzonder aan was. Twee dingen: ontzettend veel ruimte, en gratis toiletten en douches (koud, maar daar doe ik het voor). Alhoewel het niks kost accepteren ze wel donaties om de boel te onderhouden, en dit was zo goed geregeld dat ik het wel een kleine donatie waard vond.

Hoge bomen verbergen veel mooie luchten.

Hoge bomen verbergen veel mooie luchten.

Dit was wel een dag dat ik me realiseerde dat ik echt een belangrijke backpackersroute te pakken had, want tegen het vallen van de avond stond het terrein vol met busjes van allerhande backpackerverhuurbedrijven. TAB, Britz, Juicy’s, het stond er allemaal. Een groepje Duitsers aan de overkant dacht in mij even een landgenoot te herkennen (dat krijg je als je een Wacken-shirt draagt) en vervolgens parkeerde er naast mij een clubje waar 2 Nederlandse meiden tussen zaten. Ik heb de avond echter lekker in m’n eentje met een boek afgesloten, want het feest-imago dat van beide clubjes afkwam trok me eerlijk gezegd niet zo heel erg.

Fires and Snowies

Het had die nacht best hard gewaaid en geregend, en vooral de wind was goed terug te zien in allemaal dode takken die op de wegen lagen. Op de kampeerplek echter alleen maar gezonde joekels, dus dat was gelukkig geen probleem. Het was verder ook duidelijk koeler vandaag, en dat was gelijk zichtbaar in alle Fire Danger Rating Signs, die de afgelopen dagen op Very High en Severe hadden gestaan (aangevuld met Total Fire Bans) en nu op Low/Moderate. Er hadden de vorige dag ook wat bosbranden gewoed in o.a. het noorden van Victoria, maar dat gebied kwam ik niet in de buurt.

Boompjes!

Boompjes!

Beestjes!

Beestjes!

Ik zat een beetje met een planningskeuze, want op mijn route lagen twee natuurgebieden die allebei goed aangeschreven stonden, maar allebei waren wel een beetje een omweg vanaf mijn route naar Melbourne. Het werd in verband met tijd dus kiezen. Uiteindelijk besloot ik om Wilsons Promontory links te laten liggen en een kijkje te nemen in Snowy River National Park. Dat betekent dat vlak na Orbost de route weer van de Pacific Highway afgaat, strak landinwaarts richting het noorden.

South Buchan

South Buchan

De weg deed me nogal denken aan New England, maar dan een veel heuvelachtiger versie. Een van de meest opvallende verkeersborden was wel de waarschuwing dat ik een schoolbusroute opreed – dat op zichzelf is best een logische waarschuwing (de bus stopt nogal en op een 100-weg moet je daar rekening mee houden) maar dat er staat dat de weg de komende 60 kilometer onder die route valt is dan wel weer wat bijzonderder.

En de wegen worden steeds...minder onderhouden

En de wegen worden steeds…minder onderhouden

Na Gelantipy wordt het dusdanig plattelands dat er ook geen omheiningen meer zijn om het vee van de wegen te houden. Een paar roosters in de weg en wat hekken tussen weilanden moeten het werk hier doen. Ik vind het zelf wel vermakelijk dat er waarschuwingen hangen dat het verplicht is vee voorrang te geven, en dat er een boete van 500 dollar op staat als je dat niet doet. Hoe zien mensen dat voor zich? Ik denk dat zelfs een grote truck het niet wint van een koe – als je probeert daarop voorrang te nemen lijkt de ziekenhuisrekening me boete genoeg.

"Dad, people are staring..."

“Dad, people are staring…”

Het stukje van het natuurgebied waar ik kwam is vooral getekend door een paar kenmerken van de Little River. Er zijn verschillende uitzichtpunten op enkele honderden meters van verschillende parkeerplekken – geen grote uitdaging, maar het voelt desalniettemin aardig afgelegen en het levert bovendien gewoon mooie plaatjes op.

Kabbeldekabbel

Kabbeldekabbel

Little River Falls

Little River Falls

De kleintjes willen ook een mooi uitzicht

De kleintjes willen ook een mooi uitzicht

Little River Gorge

Little River Gorge

Als je goed kijkt kun je een klein watervalletje zien aan de overkant

Als je goed kijkt kun je een klein watervalletje zien aan de overkant

Als ik meer tijd had gehad zou ik doorgereden zijn om de McKillops Bridge te nemen, die de Little River Gorge oversteekt en volgens de verhalen een spectaculair stukje rijden oplevert. Het bleek echter nog best een aardig stuk rijden te zijn om die brug überhaupt te halen, en alhoewel ik een groot deel van de weg ondanks het gebrek aan verharding wel met 50 durfde te nemen zou het zelfs dan nog 40 minuten zijn daarnaartoe, en de middag liep al een beetje ten einde. Aangezien het mijn plan was om aan de kust te camperen (om de afstand tot Melbourne een beetje te beperken voor morgen) keerde ik dus maar gewoon om en reed ik weer terug zuidwaarts. Onderweg kwam er nog heel vrolijk een jonge kangoeroe voorbij hoppen – ruim ver genoeg voor mij om ‘m te ontwijken, maar het was wel een teken dat de eerste nachtdieren alweer wakker waren.

Opnieuw reed ik hier af op een camping die gratis was maar wel favoriet van mijn gids, met dit keer de bijzondere bonus dat er volgens de gids zelfs geen composttoiletten aanwezig waren. Als je het dan nog voor elkaar krijgt om een favoriete plek te zijn moet het wel spectaculair zijn dacht ik, dus ik was benieuwd. Het maakte wel weer duidelijk hoe handig zo’n gids is, want de camping staat eigenlijk nergens bewegwijzerd; pas na 16 kilometer aan onverharde weg diep verstopt in een natuurpark kom je een keer een bordje tegen, en het duurt makkelijk een half uur voordat je daar bent. Op weg naar dat bordje toe zat er ook nog een bijzonder beest langs de weg wat ik nog niet eerder gezien had – volgens mij was het een zwarte wallaby. Natuurlijk springt zo’n beest weg voor een auto dus ik kon niet heel goed kijken, maar het sprong zeker als een wallaby of kangoeroe.

Op een paar minuten lopen van Glasshouse Campground

Op een paar minuten lopen van Glasshouse Campground

Lake Tyers

Lake Tyers

De buren hadden een dagje de buurt verkend en kwamen terug lang en breed nadat ik mijn tentje had opgezet. De hond die ze meebrachten was heel nieuwsgierig wie er op ‘zijn’ grond stond en kwam gelijk zeer energiek rondkijken. Het was een prima beest en ik had er absoluut geen last van, maar als hij blaffend op je afkomt vinden de baasjes het toch wel netjes om even te kijken dat ze je niet de stuipen op het lijf hebben gejaagd; zodoende kom je aan de praat. Ik was al zo’n 5 minuten aan de praat met de man (die duidelijk Australisch was, en volgens z’n nummerplaten uit Western Australia kwam) toen zijn vrouwelijke kampgenoot hoi kwam zeggen, die aan m’n naam gelijk herkende dat ik een landgenoot was – jaja, we zitten overal in dit land blijkbaar. Zo zit je aan de andere kant van de wereld, en binnen 24 uur kom ik weer een Nederlander tegen…het blijft interessant. Maar ach, het waren best gezellige buren dus je hoort mij niet klagen.

Misschien niet scherp, maar wel mooi

Misschien niet scherp, maar wel mooi

Capital to cap it off

Op dag 4 was het tijd om geleidelijk richting Melbourne te gaan. Ik had al een hotel geboekt dus er zou geen gestress nodig zijn voor een slaapplek, maar ik vond het desalniettemin wel een prettig idee om nog een beetje wat van de stad te kunnen zien zodra ik daar was, en dus niet al te laat aan te komen. Een van de grootste attracties van het Gippsland-gebied waar ik doorheen zou komen is Wilsons Promotory, en dat zou ik zoals reeds genoemd niet bezoeken. De planning voor vandaag was dus vooral een beetje door de dorpjes zigzaggen op weg naar de Victoriaanse hoofdstad.

Het dorp waar mijn kampeerplek zo ongeveer naast lag is Lakes Entrance, genoemd naar de inham die de grote Gippsland Lakes verbindt met de zee. Het is een populair oord voor Australiërs in de vakantie, maar ook hier kreeg ik sterk het idee dat de echte drukte pas rond Boxing Day zou arriveren. Zonder zo’n grote hoeveelheid mensen is het vooral een slaperig stadje.

Lakes Entrance

Lakes Entrance

Cunninghame Bridge

Cunninghame Bridge

Cunninghame Arm

Cunninghame Arm

Main Beach

Main Beach

De rest van de dorpen en stadjes die ik passeerde was niet zo kenmerkend. Het is wel duidelijk dat ze allemaal bij dezelfde regio horen, maar los van de concentratie hotels en caravan parks is het niet echt te zeggen waarom de ene meer toeristen zou aantrekken dan de ander.

Dit gaat wel een beetje verder dan tongue-in-cheek

Dit gaat wel een beetje verder dan tongue-in-cheek. En ja, het was stoffig.

Op een gegeven moment bereikte ik de buitenranden van Melbourne. Net zoals Sydney begint de stad al op een flinke afstand van het centrum (Melbourne heeft ‘slechts’ 4 miljoen inwoners, vergeleken met de 5 miljoen van Sydney) dus er is dan weinig meer aan dorpjes voor tussenstops, maar vooral gewoon doorrijden. In de Victoria M1 had ik voor m’n gevoel nogal de broer van de NSW M4 gevonden qua drukte en route, en toen ik op een gegeven moment zowaar de file in ging was er wel een vaag gevoel van déjà vu. Op een gegeven moment kom je dan echter toch in het CBD, en dan is het duidelijk niet dezelfde stad.

Kijk, een skyline.

Kijk, een skyline.

Ze houden er in Melbourne nogal van om bijzondere verkeersconstructies te gebruiken, en dat was me van tevoren al verteld. Ik was blij dat ik die nog even extra had uitgezocht voor mijn vertrek, want mijn hotel ligt dusdanig in het centrum (praktisch naast Southern Cross Station) dat ik er een gelijk voor m’n kiezen kreeg: de hook turns. Sterker nog, ik herinnerde me een bepaalde kruising nog van een voorbeeldvideo die ik had opgezocht en dat was maar goed ook, want in het echt bleek de constructie voor de kruising niet te worden aangegeven (alleen erop, en dat is al te laat als je al staat voorgesorteerd). Voor me ging een andere toerist de mist in door vanuit de rechterbaan te willen afslaan naar rechts, en hij kreeg gelijk getoeter om z’n oren – ik voelde me toen heel erg ingeburgerd toen ik het vanaf links deed. Het is overigens helemaal niet zo moeilijk of eng, maar je moet er vooral even op voorbereid zijn – zodra je het concept eenmaal snapt gaat het eigenlijk allemaal best soepel.

CBD vanuit Flagstaff Gardens

CBD vanuit Flagstaff Gardens

Southbank

Southbank

Het CBD vanaf de overkant van de Yarra River

Het CBD vanaf de overkant van de Yarra River

Rond vier uur was ik ingecheckt, en na de eerste warme douche sinds Sydney ben ik de stad ingegaan om die in vogelvlucht eens te verkennen. Zolang het nog licht was wou ik er graag gebruik van maken. Via een grote cirkel heb ik het grootste deel van het centrum zo doorkruist.

Victoria State Library

Victoria State Library

Ze nemen het concept Chinatown hier wel heel serieus

Ze nemen het concept Chinatown hier wel heel serieus

Federation Square (met een kerstboom van Lego)

Federation Square (met een kerstboom van Lego)

Er is een aardige rivaliteit tussen Melbourne en Sydney, dus veel mensen doen hun best om de twee steden te vergelijken. Nou vind ik dat na zo’n korte kennismaking erg lastig (het gaat ook altijd een beetje krom zijn, want als je ergens 3 maanden woont leer je de stad heel anders kennen dan als je er een paar dagen als toerist bent) maar ik heb in ieder geval één conclusie kunnen trekken: Melbourne is gek op rare architectuur.

Laten we wat stijlen mixen.

Laten we wat stijlen mixen.

En nog wat blokjes...

En nog wat blokjes…

Modern? HIp? Ik weet niet hoe ik het zou moeten noemen.

Modern? Hip? Ik weet niet hoe ik het zou moeten noemen.

Melbourne Town Hall

Melbourne Town Hall

Victoria Parliament House

Victoria Parliament House

Alhoewel het voor de meeste mensen vooral aan de binnenkant interessant is, wou ik graag aan de buitenkant eens het Crown Casino zien. Dit casino is mij vooral bijgebleven als de beruchte bedenker van de duurste cocktail ooit gemaakt, en ik heb er nogal wat decadente verhalen over gehoord (die ik bijvoorbeeld niet heb gehoord over The Star, het casino in Sydney dat op loopafstand van Pyrmont staat). Een van de meest opvallende dingen vond ik dat de afslag van de M1 die ik zelf nota bene genomen had om de stad in te komen dwars door dit gebouw heen loopt – niets zegt grootheidswaanzin als het statement “jullie leggen de snelweg niet om? dan bouwen wij er wel omheen”.

Crown Casino

Crown Casino

CBD, Southbank en Docklands langs de Yarra River

CBD, Southbank en Docklands langs de Yarra River

Tegen de schemering waren mijn voeten het helemaal zat, want ik had toch de nodige kilometers in een paar uur gepropt. Het voordeel was dat ik door deze uitputting redelijk op tijd in slaap viel, want morgen zou de wekker erg vroeg gaan: 6 uur ‘s ochtends.

That’s the spirit!

Die volgende ochtend zou ik namelijk Melbourne alweer achter me laten, in ieder geval tijdelijk. Vanaf Melbourne gaat er een boot naar Tasmanië, en dat was momenteel de primaire reden voor mij om in deze stad te overnachten. Er zijn nachtboten, maar door de timing van mijn reis kwam ik uit op een dagboot, die om 9:00 zou vertrekken en check-in had van 6:30 tot 8:15. Dat betekende dus lekker op tijd opstaan, helaas geen ontbijt in het hotel (dat was er ‘pas’ om 7:00) en op naar de haven. Het duurde niet lang voor ik in de file kwam – niet de standaard file van de grote stad Melbourne, maar de file van auto’s die de boot op wou. De kerstvakantie is voor de Australiërs natuurlijk de grote zomervakantie, dus aan het begin daarvan gaan er grote groepen naar Tasmanië om daar hun vakantie te vieren (een van de bijnamen van Tasmanië op de nummerplaten is dan ook “The Holiday Isle”).

The Spirit of Tasmania

The Spirit of Tasmania

Ik begon me op een gegeven moment zorgen te maken of ik de check-in wel zou halen, maar dat bleek uiteindelijk geen probleem te zijn – zowel voor als achter mij stonden nog genoeg mensen die ook de boot op moesten, en er was een algemene vertraging. Uiteindelijk werd ik een uur te laat ingecheckt, en de boot vertrok 1,5 uur later dan gepland.

Ok doei.

Ok doei.

And then…?

Op het moment van schrijven zit ik op de boot, maar helaas zonder internet. Het uploaden gaat dus wat later zijn. Tasmanië ga ik proberen in een ruime week te doorkruisen; zodra dat achter de rug is keer ik terug naar Melbourne voor nieuwjaar, met een verdere doorreis naar Adelaide in de planning (met een flinke omweg via de woestijn, langs het legendarische dorpje Broken Hill). Daarover binnenkort meer!

27 days later

Tja, er is alweer wat tijd verstreken sinds mijn vorige update. Ik heb het een paar keer uitgesteld, en toen was het plotseling de vooravond van mijn vertrek uit Sydney. Tussen het vooruitkijken naar de komende reis door is het dus tijd voor mij om even terug te blikken op de laatste paar weken in Sydney.

Om eerlijk te zijn waren de laatste weken niet zo heel spectaculair. Met mijn reis naar Brisbane achter de rug was ik het eerstvolgende weekend allang blij dat ik gewoon weer even rustig een dag niks kon doen. Dat was dus vooral een paar dagen even opladen, weer eens een bezoekje brengen aan de metalplatenzaak Utopia (inmiddels een van mijn favoriete plekjes van Sydney), wat boodschappen doen en een beetje aanmodderen met projectjes vanuit Nederland. Hier en daar kon ik nog wat betekenen voor Patchman, en af en toe waren er wat programmeerklusjes voor de Batavierenrace die ik kon oppakken. Daarnaast heeft het typen van mijn vorige reisverslag ook nog wel wat tijd gekost, dat is ook in dat weekend gaan zitten.

In de tussentijd was oud-huisgenoot Nico gearriveerd in Sydney om aan zijn stage te beginnen, dus dat was een goede reden om eens bij te praten met een paar biertjes in de warme zomeravond. Nou heb ik tot nu toe nog niet bepaald heimwee gehad naar de Bovenmaat en ik heb me hier de afgelopen maanden prima vermaakt in m’n eentje, maar het is toch grappig dat je op dit soort momenten gelijk weer schakelt en toch makkelijk weer een paar uur volpraat met verhalen over de weerszijden van de aardbol.

Doordeweeks was het inmiddels overigens ook wel redelijk rustig. Bij mijn stageopdracht liep ik lekker voor op de planning, en toen die zo ongeveer af was had ik nog een paar weken te gaan. Die laatste werkweken zijn dus gevuld met een beetje meekijken bij andere lopende projecten van Prime Vision, maar met de zomervakantie die hier pal voor de deur stond nam het werk allemaal duidelijk wel een beetje gas terug en daardoor ging het allemaal nogal op het gemakje.

Inmiddels had ik toch aardig het gevoel dat ik Sydney inmiddels toch wel zo’n beetje gezien had, en de paar dingen die ik nog niet had afgevinkt op mijn lijstje uit de voorbereidingen waren me eigenlijk niet de moeite waard om er nog echt op uit te trekken. Old Government House in Parramatta voelde toch een beetje als “nog een oud gebouw”, Palm Beach was blijkbaar leuk om bij dauw (lees: half zes ‘s ochtends) wallabies te spotten maar inmiddels was het me duidelijk dat ik echt niet moeilijk zou hoeven doen om wildlife te spotten in dit land, de Sydney Observatory trok me niet zo want de sterrenhemel zou ik midden in de metropool toch niet zo goed zien als in de wildernis…met andere woorden, Sydney voelde een beetje afgevinkt. Met uitzondering van 1 ding: de kustwandeling langs de zuidelijke stranden.

Coast to coast, beach to beach

Het was het volgende weekend dus tijd om toch maar weer eens wat actiever te zijn, en met een flinke hoeveelheid eten en water in de rugzak nam ik de bus naar Bondi Junction. Het was deze dag weer lekker warm aan het worden, en toen ik in de bus stapte was het al ruim boven de 30 graden, dus om vervolgens een uur lang lekker vanuit een bus de stad te kunnen zien langsvliegen is helemaal niet verkeerd. Eenmaal aangekomen was het echter wel tijd om toch de hitte eens te trotseren.

Bondi Beach

Bondi Beach

Zelfs in Nederland kreeg ik al te horen van veel mensen dat Bondi Beach zwaar overgewaardeerd wordt en erg tegenvalt als je het ziet, en de locals raden je ook continu met klem aan om er eigenlijk gewoon niet naartoe te gaan (behalve dan misschien als je gewoon wilt zeggen dat je er geweest bent). Met die achtergrond was ik toch wel positief verrast toen ik het aantrof. De drukte viel me eigenlijk nog mee (vergeleken met Manly) en de golven waren indrukwekkend genoeg dat het me duidelijk was dat dit strand toch wel met reden een aardige reputatie heeft opgebouwd. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik als niet-strandfan hier opeens een dag zou willen doorbrengen, maar om nou te zeggen dat het helemaal niks aan is gaat me toch wel een beetje te ver.

Bondi Icebergs Pool

Bondi Icebergs Pool

De kustlijn richting Mackenzies Bay

De kustlijn richting Mackenzies Bay

De kustwandeling loopt richting het zuiden van strand naar strand. Op een dag als deze was het duidelijk prima strandweer en het was dus overal ook lekker druk, maar het viel me op dat er bovendien ook veel mensen waren die net zoals ik de wandeling aan het doen waren.

Even terugkijken op Bondi Beach, om nog maar eens aan te tonen hoe smal de strook zand is

Even terugkijken op Bondi Beach, om nog maar eens aan te tonen hoe smal de strook zand is

Mackenzies Bay en Tamarama

Mackenzies Bay en Tamarama

Mackenzies Bay

Mackenzies Bay

Om eerlijk te zijn is er niet zoveel te melden over de tussenstops. Het was leuk om te doen, leuk om te zien en door de vele drinkpauzes ook een redelijk dagvullend programma. Het ging in ieder geval niet vervelen.

Tamarama Beach

Tamarama Beach

Bronte Beach

Bronte Beach

Calga Cliff

Calga Cliff

Calga Reserve en Waverley Cemetery

Calga Reserve en Waverley Cemetery

Clovelly Beach

Clovelly Beach

Gordons Bay

Gordons Bay

Eindstop van de wandeling is Coogee Beach, waar deze dag ook nog eens een food festival aan de gang bleek te zijn. Tussen de vele eettentjes stond een live salsaband te spelen, die vlak na mijn aankomst begon aan Feliz Navidad. Dat soort muziek in de brandende zon bij het strand met allemaal etensgeuren om je heen; de eerste associatie was toch wel de klassieke beelden van Little Havana in Miami Vice. Het was in ieder geval lekker gezellig bij de bushalte terwijl ik wachtte op mijn rit terug naar huis.

Coogee Beach

Coogee Beach

Shine on, youngbloods

Nog een werkweek verder, en opeens was daar mijn laatste weekend in Sydney. Dat weekend zou ik echter niet zomaar voorbij laten vliegen, want ik had nog een concert op de planning staan. Ik had namelijk voor mijn reis twee Australische bands die ik nog eens live wou zien, en had het dus mijn doel gemaakt om die allebei op hun thuisgrond af te vinken. AC/DC was me al gelukt, nu was het tijd voor nummer 2: The Amity Affliction! Ik kon bovendien nog een Australisch poppodium afvinken, de Qantas Credit Union Arena. Dat stadion ligt overigens op loopafstand van mijn huis, wat ik een verademing vond nadat ik bij het ANZ Stadium een uur nodig had om de parkeergarage uit te komen dankzij de geweldige logistieke inzichten van de Australische wegarchitecten.

(Mijn Facebookvriendjes zullen de volgende alinea’s wel herkennen trouwens.)

Het was desondanks wel een beetje een vreemde avond in de QCU. Het begon bij het feit dat de ticketscanman aan de deur vergeet polsbandjes uit te delen waardoor ik (samen met een hele groep anderen) geweigerd word bij de zaaldeuren, maar dat polsbandje opnieuw ophalen gaat lastig want die man is wel zo slim de tickets in te nemen – bewijs dan nog maar eens dat je het juiste type ticket had. En het was zogenaamd onze schuld dat we niet om een polsbandje hadden gevraagd. Zoals Opstelten tegen Teeven gezegd zal hebben: goed geregeld.

Na een kwartier gesteggel eindelijk binnen, net op tijd voor voorprogramma #2: Motionless in White (eerste bandje Hands Like Houses gemist door de security en merchwachtrij). Leuke muziek, maar ze mogen wel eens een vaste dresscode kiezen. De een had zo in Ghost kunnen zitten, de ander in Slipknot, de volgende in Mötley Crüe…en om het af te maken was de zanger sprekend Richmond, de goth uit The IT Crowd. Een waardeloze en compleet onnodige cover van One Step Closer daargelaten was dit best aardig.

A Day To Remember, de mashup van poppunk en metalcore uit Florida, was de co-headliner van deze tour. Ik zag ze nu voor de derde keer, en helaas zette het optreden de heuvelafwaartse trend gewoon verder voort. Ik ben nog steeds groot fan van deze band, maar live hoeft het echt niet meer van mij; als de zanger geen noot zuiver kan zingen is de lol er snel af. Wel leuk dat hun akoestische uitvoering voor de verandering gewoon van een nummer was dat origineel al akoestisch was: If It Means A Lot To You is een persoonlijke favoriet, maar ook die heeft het vocale gezwabber compleet om zeep geholpen. (Dat gezegd hebbende, hun afsluiter – tevens de enige pre-Homeless-aanwezigheid op hun moderne setlist – blijft wel een heel sterk live-nummertje.)

Om de wazigheid van de avond helemaal compleet te maken veranderde de soundtrack van de laatste changeover opeens drastisch. Eerst was het nog Rage Against the Machine, System of a Down en Limp Bizkit, maar nu opeens Justin Bieber, Taylor Swift en Carly Rae Jepsen. Met uitzondering van de eerste kan ik het eerlijk gezegd nog wel waarderen en is het op zich nog best aardige achtergrondmuziek voor een pauze, maar als je dit in Nederland probeert tijdens een metalconcert vliegen er wat bekers bier richting de geluidstafel volgens mij. Gewaagd, zullen we maar zeggen. Rare jongens, die Australiërs.

Anyway. Op een gegeven moment staat de band op het podium waarvoor ik kwam. De band die ik ooit in hun begindagen heb ontdekt via een metalcore-cover van Love Is A Battlefield, en de band waarvan ik het eerste (niet internationaal uitgebrachte) album goed genoeg vind dat ik het ooit voor 60 euro uit Australië heb laten invliegen. Oordeel: fantastisch van begin tot eind, maakte alles goed, en ik had geen stem meer. Cheers!

Amity!

In tegenstelling tot de gemiddelde bezoeker was ik ongeveer 5 seconden gefocust op het nemen van een foto en de rest van de tijd gewoon bezig met het concert – dus ja, deze is een beetje wazig.

Op het moment van schrijven is net aangekondigd dat ze (zoals de geruchtenmachine al deed hopen) ook geboekt zijn op Graspop, dus dat wordt van de zomer een mooie herhaling. De Europese zomer dan, natuurlijk.

Take a look around

De volgende dag bestond behalve het standaard aanmodderen vooral uit een bezoekje aan Kingsford, waar Nico inmiddels een huisje had gevonden. Die regio van de stad was ik nog niet geweest dus het was een prima smoes om zo op het laatste moment toch nog eens wat nieuws te zien. Zowel het buurtje als de avond waren lekker gezellig, en met een ontzettend goede (en idioot goedkope) Thaise maaltijd plus een paar biertjes vlogen de laatste uren van dit weekend toch wel snel voorbij.

Aangezien er geen directe bussen tussen Kingsford en Pyrmont gaan moest ik een beetje met een omweg terug, en dat betekende in dit geval een bus naar Martin Place om vanaf daar de wandeling te maken naar huis. Dat bracht toch een beetje een onverwacht einde aan de avond moet ik zeggen. Het was vooral een beetje een vreemde combinatie van dingen: er was aardig wat zichtbare politie op de been (inclusief wagens met zwaailichten maar zonder sirenes), er werden wat gebouwprojecties voorbereid, allemaal dranghekken stonden klaar en er lag een verzameling bloemen tegen een gebouw aan. De exacte context werd me bij thuiskomst pas duidelijk toen ik het nieuws erbij pakte: het was de vooravond van de herdenking van de gijzeling met dodelijke afloop, die maandag precies een jaar geleden.

Counting the days

Tijdens de laatste week was het nog even raak met het weer: Sydney had een heuse tornado, en dat ging er aardig heftig aan toe. Deze dag had ik mijn auto naar de garage gebracht voor een laatste onderhoudsbeurt voor mijn grote reis (en inmiddels had ik er ook alweer 4000 kilometer opzitten sinds het vorige onderhoud) dus ik zat deze dag thuis, met als gevolg dat ik de storm van een stuk dichterbij meemaakte dan ik vanaf kantoor zou hebben gedaan. In Pyrmont was de schade echter beperkt; het heeft zwaar geregend en stevig gewaaid (de regen ging mooi horizontaal op een gegeven moment) en er is zelfs een aardige bult hagel langsgekomen, maar los van een paar rondvliegende paraplu’s was de impact klein. Desalniettemin was het best indrukwekkend om te horen, want ook op een afstandje gaf het een aardig lawaai.

De volgende dag was er een afsluitende borrel op kantoor. Het was donderdag en de week was nog niet voorbij, behalve voor 1 collega voor wie het de laatste dag was. Alles bleek vooral een goede smoes om op woensdagmiddag om 2 uur al de deuren te kunnen sluiten en in het zonnetje aan het bier te gaan. Tijdens de werkdagen merk je er normaal niet zoveel van, maar de Australiërs houden van hun bier en drinken dat toch meestal buitenshuis, dus voor de meeste mensen aan de tafel was het gewoon hun standaard avondbezoek aan de kroeg, maar dan vervroegd.

De laatste dag was dan ook echt rustig. Ik had natuurlijk sowieso al niet veel meer te doen, maar in het algemeen was de vakantiesfeer duidelijk aangebroken en ook op vrijdag werd de deur dus op tijd dichtgetrokken. Na een paar handen schudden (en met 40 graden “merry christmas” roepen) was het tijd om het kantoor uit te zwaaien en de laatste keer de M4 op te gaan van Arndell Park terug naar de City. Het werd toen wel duidelijk dat het een goed idee was geweest om niet op vrijdag te willen vertrekken, want zelfs om 4 uur stonden de wegen al helemaal dicht beide kanten op: de zomervakantie is begonnen. Ook op zaterdag kan ik blijkbaar maar het best de ochtend mijden als ik de stad uit wil. Prima, ik heb geen haast.

The night before Christmas break

En nu zit ik hier op mijn laatste avond in Sydney, met een biertje op het balkon mijn verslag bij te werken. De tassen zijn nagenoeg ingepakt, de laatste wassen draaien en de kamer is praktisch klaar om opgeleverd te worden. Over iets meer dan 12 uur ben ik definitief weg uit deze stad. En dat voelt een beetje gek.

Grappig genoeg heb ik niet het gevoel dat ik het echt jammer vind om deze stad achter te laten. Ik heb hier dan wel 3 maanden gewoond en het voelt dus wel een beetje als thuis wat ik achterlaat, maar zoals gezegd heb ik de stad toch wel een beetje gezien, en ik heb nou niet echt een hechte vriendenkring die ik nu achterlaat of zo. Dit in tegenstelling tot Nederland, waar ik vandaag toch het meeste aan heb gedacht. Ik denk dat het allemaal een beetje voelde als verhuizen, en dat een deel van mijn brein dacht “tijd om terug te gaan” voordat de realisatie kwam dat ik nog lang niet terugvlieg naar het koude Europa. Het is niet bepaald heimwee, maar opvallend is het natuurlijk wel.

Maar ach, ik vermaak me hier prima en heb ontzettend veel zin in de komende weken. Zoals gezegd heb ik Sydney toch wel een beetje gezien inmiddels, en ik wil wel weer eens een nieuw stukje van het land zien. Ik heb nog een dikke 7 weken op het zuidelijk halfrond voor de boeg, en die ga ik optimaal gebruiken!

Still to come…

Nou, ik zal jullie niet bombarderen met m’n complete reisschema, maar de eerste stops zijn in ieder geval overzichtlijk. De komende dagen zak ik de kust af Victoria in, en neem ik de boot naar Tasmanië. Dat eiland zal ik ongeveer een week op doorbrengen rond de kerstdagen. Op 31 december kom ik terug met de boot in Melbourne, en daar zal ik dus ook nieuwjaar vieren. Het vervolg hoor je dus in 2016 wel!

Ik heb de vraag de laatste tijd trouwens meerdere keren gekregen, dus laat ik ‘m hier eens centraal beantwoorden: ik ga alleen op pad. Het is me naar Brisbane uitstekend afgegaan en ik heb gemerkt dat ik het heel prettig vind om lekker zelf te kunnen bepalen wat ik doe en met niemand rekening te hoeven houden. Mocht ik nog mensen tegenkomen, dan kan er natuurlijk nog van alles gebeuren, maar actief op zoek naar reismaatjes ben ik niet.

Hoe het de komende tijd met updates zal gaan weet ik overigens niet zo goed. Ik maak af en toe wat tussenstops in grote steden en heb daar genoeg wifi tot m’n beschikking, maar hoe het qua tijd gaat zijn (om te typen) moet ik nog maar afwachten. Ik zal in ieder geval m’n best doen om hier en daar een teken van leven te geven – hoe gedetailleerd dat gaat zijn merk je vanzelf wel.

Country roads take me home

(Dit is deel 2 van mijn weekretour naar Brisbane – deel 1 kun je hier vinden.)

Brisbane is een leuke stad, en heeft een heerlijke sfeer om in rond te lopen. Het is absoluut een miljoenenstad en heeft duidelijk hetzelfde kaliber als Sydney, maar er zijn een paar belangrijke verschillen. De absolute nummer 1 is dat alles er een stuk verzorgder uitziet: de wegen zijn gewoon netjes zonder gaten, het is er schoon en alles oogt gewoon alsof er net iets meer tijd is gestoken in de aankleding. Een belangrijk ander verschil is simpelweg de uitstraling van de stad: het is hip, maar dan gewoon zoals het hoort. Niet overdrijven met een overdaad aan café’s, koffiezaakjes, boulangeries en meer van dat soort troep, maar gewoon een grote drukke stad waar mensen overdag werken en ‘s avonds houden van een beetje feesten.

King George Square

King George Square

Voor mij was het vanaf het begin al het plan om Brisbane vooral als peilpunt te gebruiken, en niet als plek om te overnachten. De prijzen voor een overnachting in de grote stad zijn toch een stuk hoger, en aangezien het toch al de stad is waar ik mijn grote reis eindig ga ik nog genoeg tijd hebben om deze later te verkennen. Zolang het nog licht was wou ik dan ook van de gelegenheid gebruikmaken om nog even een ander plekje op te zoeken voor de overnachting, buiten de stadse drukte. Een ding was in ieder geval heel snel duidelijk: ik ben erg blij dat ik in Brisbane eindig – dit is een stad waar ik vrolijk van word.

Fire on the mountain

Het was even wat gedoe om de stad uit te komen, want ik vertrok tegen het einde van de middag en het was natuurlijk spitsuur. In Sydney ga ik altijd netjes tegen de grote stroom in, maar in dit geval zat ik precies tussen de grote groep die na afloop van de werkdag van het centrum naar de buitenwijken vertrok. Na ongeveer een half uurtje filerijden werd het eindelijk rustiger en kon ik rustig mijn weg vervolgen. Dit keer niet de Pacific Highway, maar landinwaarts over de Cunningham Highway via Ipswich.

Tot over een paar maandjes

Tot over een paar maandjes

Terug op de vertrouwde krappe weggetjes

Terug op de vertrouwde krappe weggetjes

Ik had er niet helemaal op gerekend, maar deze route gaat deels door een vrij stevig gedeelte van de Great Dividing Range. Tegelijkertijd was er een brand zichtbaar in de vallei aan de oostkant van de bergen – het zag er niet heel groot uit, maar er werden die week nogal wat fire bans opgelegd voor grote delen van het land, dus het gaf niet echt een prettig gevoel. Stoppen voor de bergen was dus niet echt handig en in de bergen was al helemaal niet fijn, dus het was een kwestie van even doortrappen om de andere kant van de bergen te halen voordat het te donker zou worden. Dit was wel even opletten, want tegen de tijd dat ik de bergen in ging begon het al te schemeren (dat gebrek aan zomertijd zorgt ervoor dat het rond 7 uur ‘s avonds al donker is) en ik deelde de weg met stapels trucks die er duidelijk met iets meer vaart doorheen durfden dan ik. Kwestie van even de muziek uitzetten, even de WC opzoeken en er goed voor gaan zitten.

(Ik heb achteraf trouwens niks in het nieuws gevonden over dit brandje, dus het zal allemaal wel meegevallen hebben. Er was ook geen brandweer te bekennen en de matrixborden zeiden niks over brand. Voor de bezorgde mensen onder de lezers: ik ben op geen moment echt in een gevaarlijke situatie gekomen.)

Het zal alles bij elkaar denk ik een klein half uur gekost hebben om de oversteek te maken (het gebergte is hier relatief smal) en eenmaal aan de andere kant was het opeens ook een stuk lichter. Ik reed natuurlijk naar het westen, en nu er geen bergen meer voor de horizon stonden was de laagstaande zon opeens weer in beeld. De vallei aan de andere kant was echt duidelijk platteland, met alleen maar boerenbedrijven die af en toe net iets dichter bij elkaar stonden en dan met z’n vijven een dorp vormden. Een ander teken dat het platteland was: het was ongeveer 6 uur en er was niemand te zien op straat.

Maryville

Maryville

Na een beetje zoeken naar een fatsoenlijke slaapplek kwam ik een mooie rest stop tegen vlak buiten de club koeien die Gladfield heette. Niet bepaald een plek waar je je tentje opzet, maar genoeg ruimte om even een stoel en tafel buiten de auto neer te zetten en rustig avondeten klaar te maken, gevolgd door een kop thee. Ondertussen kon ik mooi genieten van de zonsondergang tussen de bergtoppen, terwijl de ene truck na de andere langssuizde. Ook toen ik ‘s nachts een keer wakker werd bleek dat er nog vrolijk elke minuut een truck langskwam.

De Great Dividing Range vanaf Gladfield

De Great Dividing Range vanaf Gladfield

When you have to drive, drive.

De volgende ochtend was verbazingwekkend druk. Er was ‘s nachts blijkbaar een truck bijgekomen voor de overnachting, en die chauffeur kon ik ‘s ochtends blij maken met een kop koffie. Het was een vrij stereotype chauffeur (forse kerel in hemd en korte broek met een zwaar accent) maar best leuk om even een praatje mee te maken. Bovendien was hij erg dankbaar voor de koffie, want alhoewel ze in dit land graag doen alsof ze geobsedeerd zijn met goede koffie weten de meeste mensen buiten café’s alleen maar oplostroep te zetten. Even later, toen de trucker alweer was vertrokken en ik bijna zelf op pad wou, moest ik nog even iemand helpen die na een snelle tussenstop met een lege accu kwam te zitten. Met startkabels was dat natuurlijk zo geregeld, maar ook deze man was weer een echte Australiër die gelijk vroeg waar ik naar op weg was en of ik dit en dat al had gezien. Helaas geen nieuwe tips uitgehaald, maar het was toch wel een gezellige start van de dag.

Goooooood moooooorning Queensland!

Goooooood moooooorning Queensland!

Vanaf Gladfield moest ik nog een klein stuk naar het westen richting Warwick, waar ik de New England Highway kon pakken die strak naar het zuiden gaat door het gelijknamige gebied in New South Wales. Ik zat voorlopig echter nog in Queensland, in de regio Darling Downs.

Warwick

Warwick

De overgang van Darling Downs naar New England is subtiel, maar wel merkbaar. Het blijft toch wel platteland, maar het wordt geleidelijk steeds meer zoals het Amerikaanse Midwest, en het voelt op een gegeven moment wel alsof je door een set van een oude western aan het rijden bent. Iets ten westen van de New England Highway ligt de route die bekendstaat als Australia’s Country Way, en je kan je voorstellen dat het dat stukje verder naar het binnenland inderdaad nog meer dat sfeertje geeft, maar ik vond mijn route al best interessant.

Een typisch stukje Darling Downs

Een typisch stukje Darling Downs

Weinig café's, maar dat betekent niet dat er niks te zuipen valt

Weinig café’s, maar dat betekent niet dat er niks te zuipen valt

Vlak voor Tenterfield ligt een soort fusie van twee dorpen, precies op de staatsgrens. De noordzijde heet Wallangarra (QLD), de zuidzijde heet Jennings (NSW). Op zich niet heel spectaculair, ware het niet dat ik hier een eerste politiecontrole meegemaakt. Het was een routinecontrole en waarschijnlijk is de staatsgrens een heel logische plek om die uit te voeren, maar het was toch wel opvallend dat ze rond 10:30 ‘s ochtends al aan blaastesten deden. En om het even helemaal interessant te maken: ik heb ‘m niet eens hoeven doen. Na zijn voorstelrondje waarin hij uitlegde dat het om een RBT ging (de zogenaamde Random Breath Test waar ze hier flinke campagnes mee voeren) vroeg hij om mijn rijbewijs, werd ik gevraagd of ik ooit eerder een blaastest had gedaan (nee), wanneer ik voor het laatst drugs had gebruikt (nooit) en of de auto van mij was (ja)…en toen mocht ik doorrijden. Voor de zekerheid heb ik nog even gevraagd of ik niet eerst nog moest blazen, maar nee hoor (“you’re all good mate”). Ik snap het nog steeds niet helemaal, maar prima. (Wel de eerste keer dat ik ‘m internationale rijbewijs heb moeten laten zien, dus die is toch nog ergens goed voor.)

Is this the way to Armidale-o?

De omgeving is grotendeels gevuld met veeboerderijen en wijngaarden, maar er zijn ook dorpen die ooit ontstaan zijn uit de Australische goudkoorts en zich vooral op de mijnbouw hebben gericht. Het is tegenwoordig wel duidelijk wat geconcentreerd rond een paar grote centra langs de route, met name op de plekken waar de noord-zuid-weg kruist met een oost-west-weg.

Alone I drive the winding way...

Alone I drive the winding way…

Bluff Rock

Bluff Rock

Tenterfield

Tenterfield

Overnachten in stijl, voor wie ook aan een B&B al een vermogen kwijt wil zijn.

Overnachten in stijl, voor wie ook aan een B&B al een vermogen kwijt wil zijn.

Een van de meest interessante tussenstops was wel Glen Innes. De naam is natuurlijk al een beetje een hint over de oorsprong, maar toch stond ik een beetje raar te kijken dat elke straat zowel in het Engels als het Gaelic werden aangegeven: ze zijn hier duidelijk wel erg trots op hun Schotse beginselen. (Grappig genoeg hangen er op het stadhuis behalve de Australische en Schotse vlag ook gewoon vlaggen van Engeland, Wales en Ierland.)

Ik denk dat je hier toch naar meer moet vragen dan "de Mac" als je een cheeseburger wil.

Ik denk dat je hier toch naar meer moet vragen dan “de Mac” als je een cheeseburger wilt.

Ik moest een beetje een keuze maken tussen foto’s, dus in plaats van elk dorp te laten zien heb ik vooral even wat foto’s gepakt van Glen Innes. Om eerlijk te zijn lijken ze allemaal wel op elkaar, maar dat maakt het niet minder leuk om doorheen te lopen. Wat trouwens wel merkbaar is is dat je als toerist iets meer opvalt in dit soort kleine plaatsjes. Er zijn wel wat toeristische bestemmingen (met name National Parks in de regio, de wijngaarden en wat musea over goudzoeken) maar dat trekt een stuk minder massaal publiek dan de bestemmingen aan de kust. Treinen zijn er sowieso al niet, en tourbussen heb ik ook niet gezien, dus het is ook wat minder bereikbaar voor de gemiddelde backpacker zonder auto.

Downtown Glen Innes

Downtown Glen Innes

Met dat lettertype zou je verwachten dat dit ergens in Disneyland staat

Met dat lettertype zou je verwachten dat dit ergens in Disneyland staat

Chasin’ waterfalls

Na Glen Innes ben ik nog via Guyra naar Armidale gegaan. Hier eindigde mijn rit op de New England Highway, dus na ook hier even een beetje de benen te hebben gestrekt ging ik door op de Waterfall Way, die vanaf Armidale oostwaarts loopt, terug naar de kust. Na niet al te lange tijd brengt deze weg je naar de eerste plek die de naam eer aandoet: Wollomombi Falls.

Big city Armidale

Big city Armidale

Het maakt deel uit van het flinke Oxley Wild Rivers National Park, en het kost ook wel even wat tijd voordat je binnen bent. Via een krappe weg langs een paar boerderijen (en met af en toe wat veeroosters ertussen als een soort verkapte verkeersdrempels) kom je bij een parkeerplaats waar de wandelingen door het park beginnen. Even de rugtas inpakken, wandelschoenen aan en erop uit.

Old MacDonald had a farm...

Old MacDonald had a farm…

Een echte wandeling kun je het bijna niet noemen (het kost ongeveer een half uurtje om bij het eindpunt te komen) maar het is wel een welkome afwisseling na zo’n dag door het platteland.

Een stukje Dingo Fence

Een dingo fence. Je mag er gewoon doorheen, zolang je de deur maar achter je dichtdoet zodat de dingo’s geen schapen komen opeten.

Iets zegt me dat de rivier vroeger wat krachtiger was

Iets zegt me dat de rivier vroeger wat krachtiger was

Kabbeldekabbel

Kabbeldekabbel

De watervallen zelf zijn niet heel breed maar hoog zat, en er komt een aardig kabaal van af. De rest van de vallei waar je op uit komt is overigens ook niet verkeerd om te zien.

Deze hoogte was eigenlijk gewoon niet in 1 foto te passen

Deze hoogte was eigenlijk gewoon niet in 1 foto te passen

Ook dichterbij de bron doet het water het rustig aan

Ook dichterbij de bron doet het water het rustig aan

Crossing the river Styx

Eenmaal terug bij de auto besloot ik dat ik maar eens een slaapplek zou zoeken. Ik had aardig wat kilometers gemaakt (behalve de dorpen is er niet zoveel spannends op de New England Highway om voor te stoppen, dus dat rijdt lekker door) en het autorijden was ik wel een beetje klaar mee. Bovendien zijn er genoeg parken langs de Waterfall Way, dus dat betekent meestal dat kamperen niet zo moeilijk is.

Blijkbaar mag je hier 80. Nee dankje.

Blijkbaar mag je hier 80. Nee dankje.

Dat bleek wel een understatement te zijn. Mijn campinggids had in de buurt een favoriet van de schrijver staan bij New England National Park, die bovendien gratis was. Vanaf Wollomombi Falls was het nog een klein half uurtje, waarvan de laatste 10 kilometer over een onverharde weg (gelukkig wel in betere staat dan bij Hat Head), die onderweg nog even een verrassing had in de vorm van een staatsforellenkwekerij. Deze weg loopt door het park richting startpunten van diverse wandelroutes, maar vlak voordat je officieel het park ingaat is er eerst een klein grasveld langs een rivier waar je gratis mag staan: Little Styx River Campground. Als ik niet zo allergisch zou zijn voor dit soort beschrijvingen zou ik het bijna een romatisch plekje noemen.

Little Styx River. De kampeerplaats ligt rechts, precies buiten de foto.

Little Styx River. De kampeerplaats ligt rechts, precies buiten de foto.

Ik had op dit moment nog niet zo’n goed beeld bij het National Park, maar toen alles eenmaal opgezet was raakte ik aan de praat met de buren die vertelden dat er genoeg te wandelen valt. Alle andere mensen op de camping bleken dan ook mensen te zijn die een paar dagen achter elkaar verschillende wandelingen deden, en op deze manier lekker dichtbij hun standplaats hadden. Na een paar tips gekregen te hebben was het gewoon een rustige avond, met een mooie zonsondergang om van te genieten tijdens het avondeten.

Always be on the lookout for the presence of wonder

Vanaf de camping ging ik de volgende dag het park in, op naar een paar mooie plekjes. De hoofdattractie is Point Lookout, en zoals de naam Point Lookout Road al aangeeft is die het verste weg om te bereiken; onderweg kom je langs allemaal afslagen met bordjes die aangeven wat voor wandelingen je hier en daar kan vinden. Om te beginnen besloot ik maar gewoon eens te kijken bij Point Lookout, en dat was een prima startpunt. In feite zijn dit gewoon een paar uitkijkpunten op zo’n 5 minuten van de parkeerplaats, met gelijk een mooi resultaat.

Ooooooh

Ooooooh

Aaaaaah

Aaaaaah

Op de weg terug naar de parkeerplaats nam ik een afslag een andere wandelroute op, omdat ik toch wel even wat langer wou rondlopen dan die paar minuten. Deze route loopt naar Eagle’s Nest, een ander uitkijkpunt dat een stuk lager gelegen is op de rotswand. Zowel dat uitkijkpunt als de route ernaartoe zijn de 2 uur wandelen wel waard.

Welcome to the jungle

Welcome to the jungle

Het is niet allemaal gemaakt voor lange mensen

Het is niet allemaal gemaakt voor lange mensen

Mijn gok is dat je in deze foto alleen al zo'n 50 plantensoorten ziet

Mijn gok is dat je in deze foto alleen al zo’n 50 plantensoorten ziet

Wij zijn lekker hoger!

Wij zijn lekker hoger!

Eenmaal terug bij de auto zat ik nog even te puzzelen hoeveel tijd ik in dit park zou blijven. Ik besloot geen volledige wandeling meer te doen, maar ik wou nog wel heel graag even naar Weeping Rock, een plekje waar het echt duidelijk wordt dat het New England National Park officieel een regenwoud is. Vanaf een andere parkeerplaats is het ongeveer 20 minuten om daar te komen.

Het ziet er niet gehouwen uit; het zijn twee losse stenen die tegen elkaar lijken te balanceren. Het zou niet mijn eerste gedachte zijn om daartussen te lopen.

Het ziet er niet gehouwen uit; het zijn twee losse stenen die tegen elkaar lijken te balanceren. Het zou niet mijn eerste gedachte zijn om daartussen te lopen.

Het valt wel op dat het echt een andere uitstraling heeft, terwijl het maar een paar kilometer verderop is in hetzelfde gebied: ontzettend groen, veel water en weinig zonlicht. Je moet af en toe ook goed opletten waar je loopt, want met name door het water worden stenen toch best glad en is de grond op veel plekken een beetje modderachtig.

Regen? Check. Woud? Jazeker.

Regen? Check. Woud? Jazeker.

Weeping Rock zelf is een rotswand waar een klein beekje aan de bovenkant uitkomt. Doordat het niet zoveel water is wordt het in plaats van een waterval vooral een watergordijn dat langs de rotswand naar beneden loopt.

Weeping Rock

Weeping Rock

Toen ik weer in de auto zat heb ik toch nog eens de Lonely Planet bekeken, maar nee, dit staat er niet in. Het is misschien een beetje opvallend dat dit soort hoogtepuntjes de lijst niet halen, maar tegelijkertijd is het eigenlijk gewoon bewijs dat er in dit land veel te veel te zien is (en ze moeten toch een selectie maken). Ik was in ieder geval erg blij dat ik hier (toch wel een beetje per ongeluk) terecht was gekomen.

It’s water all the way down

Eenmaal terug op de Waterfall Way ben ik verder naar het oosten gegaan. Die route brengt je al snel naar de Ebor Falls, een paar indrukwekkende watervallen die bijna vanuit de auto te zien zijn.

Lower Ebor Falls

Lower Ebor Falls

Er zijn hier verschillende plekken om ze te bekijken, dus ik ben even heen en weer gelopen; het minder drukbezochte punt is wel iets verder weg, maar je ziet het grotere plaatje er wel beter. Het tweede punt zit halverwege de watervallen en laat vooral het bovenste stukje goed zien.

Upper Ebor Falls

Upper Ebor Falls

Vanaf hier was het weer een paar uur rustig doorrijden, met weinig noemenswaardige dorpen langs de route maar nog steeds genoeg bijzondere natuur en boerderijen. Het veranderde inmiddels geleidelijk weer een beetje, want de kust kwam natuurlijk steeds dichterbij.

We gaan naar links, we gaan naar rechts...

We gaan naar links, we gaan naar rechts…

Lang niet overal hebben ze de tijd genomen om de hekken sluitend te maken, dus je moet soms even opletten of die koeien die je ziet niet gewoon op de weg staan in plaats van ernaast.

Lang niet overal hebben ze de tijd genomen om de hekken sluitend te maken, dus je moet soms even opletten of die koeien die je ziet niet gewoon op de weg staan in plaats van ernaast.

DorriGully

Even voorbij Dorrigo ligt het Dorrigo National Park, een regenwoud dat relatief wat meer bekendheid geniet. Het ligt redelijk verscholen achter een paar heuvels vanaf de weg, en als je ernaartoe rijdt zie je niks aan het landschap dat weggeeft dat er een groot regenwoud even verderop ligt. Zodra je er eenmaal bent en door het bezoekerscentrum loopt zit je echter wel opeens midden in de natuur. Het valt dan ook op dat het bezoekerscentrum bovenop een berg staat, en achter het centrum loopt dit vrij steil af – je staat dus aan de rand van het park, maar kijkt er wel gelijk over uit.

Dorrigo

Dorrigo

De grote toeristentrekker is hier de Skywalk, een loopbrug die vanaf het bezoekerscentrum rechtdoor loopt (en vanwege de aflopende helling op een gegeven moment dus ver boven het park uitstijgt). Indrukwekkend is het zeker, maar om eerlijk te zijn zie je niet zoveel van het park zelf (je kijkt vooral over boomtoppen uit) dus met alleen deze loopbrug heb je het echte regenwoud absoluut nog niet gezien.

De Skywalk

De Skywalk

Een kleine indruk van het uitzicht

Een kleine indruk van het uitzicht

Vervolgens ben ik dus een wandelroute ingeslagen, die juist vrij snel afdaalt en je tussen de bomen laat lopen. Wat je daar aantreft is een prachtig stuk natuur, waarvan je je afvraagt hoe dit nog bestaat terwijl de omgeving meer weg heeft van een woestijn dan van vruchtbare grond.

Geen halve maatregelen, gewoon gelijk het diepe in

Geen halve maatregelen, gewoon gelijk het diepe in

Het doet een beetje denken aan Weeping Rock, maar er zijn hier veel meer soort planten en bomen, en bovendien hoor je veel meer vogels. Ik heb er in totaal 1,5 uur rondgelopen, maar zelfs in die korte tijd zie je te veel om op te noemen.

Geen geuren, geen geluiden; de foto is maar 10% van het verhaal.

Geen geuren, geen geluiden; de foto is maar 10% van het verhaal.

De waarschuwingen die op een paar van de bordjes staan doen wel denken aan wat je als kind verwacht van een tropisch regenwoud, maar dan wel weer op z’n Australisch: bloedzuigers zijn helemaal niet zo gevaarlijk als je denkt en kan je prima zelf verwijderen, maar er staan wel planten die enkel bij aanraking al kunnen zorgen voor nare ontstoken wonden. (De planten heb ik gezien, de bloedzuigers niet.)

De natuur in een lollige bui

De natuur in een lollige bui

Halverwege de wandelroute zit een serie loopbruggen die over de helling heel gaat. Een beetje het idee van een Skywalk maar dan onder de bladeren, en bovendien op een plek waar je aardig wat vogels kan zien.

Walking With Birds Boardwalk

Walking With Birds Boardwalk

Zelf ben ik geen vogelkenner, maar toevallig ken ik een van de meest bijzondere vogels wel: de liervogel. Het beestje staat vooral bekend om z’n extreme imitatiekunsten van geluiden (een paar voorbeelden kun je hier vinden: ; kijk vooral de laatste minuut even) en door z’n imitaties van andere vogels kun je ‘m puur op gehoor niet echt opmerken, totdat je opeens een camera hoort klikken en een mobiele telefoon hoort afgaan. Ik kon ‘m nog niet echt vinden, maar even later ging ik ergens de hoek om en zat er een op de railing van de loopbrug. Ik kon ‘m tot 5 meter benaderen, toen vond ‘ie het toch wel echt genoeg en vloog hij verder. Zoals gezegd ben ik geen vogelkenner, maar dit is voor mij toch wel een klein hoogtepuntje.

The Head Hatter

Tegen het einde van de middag stond ik weer op de parkeerplaats, en vond ik het tijd om eens op de kaart te kijken in welk gebied ik naar een slaapplaats moest zoeken. Dat was even puzzelen; ik had gehoopt dat Dorrigo wat kampeerplekken had, maar dit is een van de weinige parken waar dat niet kan, dus ik moest even verder zoeken. Uiteindelijk heb ik besloten om terug te gaan naar het Hat Head National Park, maar ditmaal een heel andere kant van het park dat ik nog niet had gezien.

Ik was er echter nog niet, want ik had nog een klein stukje op de Waterfall Way te gaan voordat ik weer op de Pacific Highway zat. Dit laatste stukje, van Dorrigo naar Bellingen, bleek een van de mooiste en leukste stukjes weg te zijn die ik tot nu toe heb gezien. Het loopt hier weer door de Great Dividing Range, langs een bergpas met langs de hele route uitzicht over de geweldige vallei die aan de voet van deze berg ligt. De weg zelf is lekker bochtig en heuvelachtig, maar goed aangelegd en voelde totaal niet onveilig aan. Heerlijk om te rijden en genieten van de natuur: toch wel een hele mooie combinatie. Wel weer hetzelfde verhaal als eerder bij dit soort wegen: foto’s heb ik niet.

Eenmaal aan de andere kant van de bergen heb ik nog even een kijkje genomen in Bellingen. Het lijkt bijzonder veel op de dorpjes langs de New England Highway, en duidelijk de laatste plek die nog een beetje dit ouderwetse sfeertje heeft voordat je definitief weer in het kustgebied komt.

Bellingen

Bellingen

Vanaf Bellingen kon ik via Urunga weer de grote weg op, en een tijdje later was ik weer bij Hat Head. In plaats van de zuidkant koos ik ditmaal echter de noordkant, bij Smoky Cape. Een grote standplaats tussen de bomen, met zicht op de bergtoppen en omringd door natuur: ik was weer tevreden.

Het ontvangstcomité langs de weg naar de camping

Het ontvangstcomité langs de weg naar de camping

Where there’s smoke…

De volgende ochtend heb ik nog even rondgekeken in de omgeving. Er is niet spectaculair veel, maar als je de hele nacht hebt geslapen met zeegeluiden op de achtergrond is het toch wel interessant om even te kijken hoe dat strand in de buurt eruitziet. Het bleek dichterbij dan ik dacht: na zo’n 5 minuten lopen vanaf m’n standplaats stond ik in het witte zand.

South Smoky Beach, met Smoky Cape Lighthouse in beeld

South Smoky Beach, met Smoky Cape Lighthouse in beeld

Vanaf het strand is de vuurtoren al te zien. Ik had er al een paar gehad, maar het leek me toch wel de moeite waard om nog een uitkijkpunt aan te doen. Ik werd niet teleurgesteld.

North Smoky Beach

North Smoky Beach

South Smoky Beach

South Smoky Beach

Ik had inmiddels het plan opgevat om deze dag maar gewoon in een keer terug te rijden naar Sydney. Ik zou feitelijk dezelfde route aandoen als op de heenweg en ik had niet zoveel interesse in dubbele bezoekjes, en daarnaast had ik ook niet echt het gevoel dat ik dingen had gemist op de heenweg. Deze vuurtoren was dus een mooie laatste attractie van de reis.

Heat of the road

De terugweg was weinig spectaculair: zo’n 450 kilometer langs de Pacific Highway, waarbij ik door een reeks aan inmiddels bekende dorpjes kwam. Ik maakte een tussenstop bij Taree, en daar viel het me op de parkeerplaats op dat het toch wel erg warm was. Mijn autothermometer maakte er op dat moment 43 graden van. Ik ging ervan uit dat dit een beetje vertekend was door de gloei van heet asfalt, maar bij thuiskomst kwam ik erachter dat dit niet het geval was: het was gewoon echt heel warm deze dag. Voor mij op zich niet zo’n probleem met de airco aan, maar op de laatste stukjes M1 tussen Gosford en Sydney was de combinatie van hitte, airco en bergachtige wegen toch wel wat zwaar voor mijn auto. Oververhit raakte hij niet deze keer maar de temperatuur liep wel duidelijk op, dus ik besloot het laatste stukje maar gewoon zonder airco te doen en dat ging duidelijk beter.

Welkom thuis? Heb je de file gemist? Nee? Jammer dan!

Welkom thuis! Heb je de file gemist? Nee? Jammer dan!

Toen ik het noorden van Sydney inreed realiseerde ik me dat het echt voelde als thuiskomen. De skyline is inmiddels erg vertrouwd en de wijken waar ik doorheen reed waren een feest van herkenning. Het toppunt was echter toen ik richting de Harbour reed, waar mijn navigatiesysteem uitviel (ik had ook die maar even afgekoppeld om de auto te ontlasten, en nu was de batterij toch echt leeg). Op dat moment besloot ik op goed geluk eens puur op de borden te rijden – het voelt dan wel als ‘mijn’ stad, maar een echte Sydneysider kan natuurlijk gewoon zonder Garmin de binnenstad navigeren. Het klinkt misschien niet zo ingewikkeld trouwens, maar als je noord-zuid de Harbour over wilt heb je 3 grote opties, en ze houden er hier erg van om niet de bestemmingen maar juist de wegennamen aan te geven. Je moet dus wel een beetje een besef hebben van het wegennetwerk als je wilt kiezen tussen de Cahill Expressway, Harbour Tunnel en Harbour Bridge. Om het helemaal leuk te maken: de Cahill Expressway gaat ook over de Harbour Bridge, en de borden naar Harbour Bridge wijzen formeel naar de Bradfield Highway – als je dus alleen maar in je hoofd hebt dat je over de brug moet weet je eigenlijk nog niks.

We meet again

We meet again

Het ging uiteindelijk allemaal in 1 keer goed. (Voor de geïnteresseerden: vanaf Wahroonga de A1 op, bij Lane Cove de Warringah Freeway, Harbour Bridge volgen, daarna Anzac Bridge volgen de Western Distributor op en dan afslag Pyrmont.) Dit overigens wel ondanks het feit dat ik minstens 5 keer een andere indeling van rijbanen heb gezien op de borden dus meerdere keren (eigenlijk onnodig) van baan heb gewisseld, maar er stond toch file (vrijdagmiddag rond 17:00 kwam ik de stad binnen) dus dat was prima te doen. Achteraf heb ik begrepen dat die borden zo verwarrend zijn omdat ze met een serie slagbomen de indeling kunnen veranderen, en niet elk bord is dynamisch gemaakt. (Een uur in de file staan met 43 graden is trouwens niet fantastisch.)

5 minuten na de Western Distributor was ik thuis. 1282 kilometer ditmaal, totaal 2774 kilometer in 7 dagen tijd. Het was me het weekje wel.

A tale of two capitals

Na een dikke 2 maanden in Sydney te hebben gezeten met vooral vrije weekenden had ik zowaar een hele week vakantie. Origineel was het plan om die vakantieweek halverwege mijn stage te doen, maar na die op te schuiven voor AC/DC en vervolgens nog een week op te schuiven vanwege een deadline bij het bedrijf viel het allemaal iets later. In zekere zin precies op tijd, want het viel nu een week voor het begin van ‘schoolies week’, de periode dat eindexamenleerlingen het einde van hun schooltijd vieren door de zon op te zoeken – in bepaalde oorden zoals waar ik langs wou reizen zorgt dat voor een heel bepaald soort toerisme, die je volgens de meeste verhalen het beste kunt mijden.

Voor deze week stond een retour Brisbane op de planning: een reis naar de hoofdstad van Queensland, zo’n 1000 km ten noorden van Sydney. Dat was wel even iets anders dan de ritjes van enkele uren die ik in de afgelopen weekenden had gemaakt, dus er zat iets meer voorbereidingstijd in. Van alles uit de keukenkastjes halen in huis en inpakken voor de reis, het een en ander aan eten en drinken inkopen, een grote zak ijs voor de koelbox, een notitieblok volgeklad met mogelijke bezienswaardigheden, een kaartenboek en een campinggids…ga zo maar door. Nadat alles eindelijk netjes in de auto lag kon ik er eindelijk vandoor.

Bridge over troubled water

Het eerste ding was eigenlijk gewoon in Sydney zelf: ik wou nu eindelijk wel eens over de Harbour Bridge rijden. Nou is dat in dit geval ook gewoon de kortste route naar het noorden vanaf mijn huis, dus zelfs de Garmin was het met mij eens dat ik die kant op moest. Leuk om een keer gedaan te hebben, maar ik moet eerlijk zeggen, het is weinig spectaculair. Natuurlijk is het best een indrukwekkend bouwwerk en er gaat een stevige hoeveelheid verkeer over (8 rijbanen, een fietspad en 2 trambanen) maar voor het uitzicht kun je de brug beter bewandelen. De weg naar de brug toe is daarentegen een stuk leuker: de Western Distributor gaat op redelijke hoogte door het CBD en je rijdt dus tussen de skyscrapers door op het niveau van ca. de 10e verdieping. Als je door de stad loopt is zo’n stuk snelweg op hoogte ronduit lelijk, maar het uitzicht dat het je vanuit de auto geeft op de stad is daarentegen wel weer mooi.

Pakketje voor verdieping 34!

Pakketje voor verdieping 34!

Uitzicht? Waar?

Uitzicht? Waar?

Vanaf de Harbour Bridge is het vrij snel de Pacific Highway op, die door een paar van de mooiere noordelijke wijken steekt (Chatswood, Lindfield en Gordon zijn het leukste) en vanaf daar richting de M1 gaat. Na ongeveer drie kwartier rijden heb je eindelijk het gevoel dat je de stad uit bent – het is en blijft een gigantische metropool.

Deze brug moest ik even eh...rechts laten liggen.

Deze brug moest ik even eh…rechts laten liggen.

Get your kicks on route 33

De route van de snelweg voert door bergachtig landschap, langs meren en rivieren; er is gelijk van alles te zien. Het blijft echter wel een snelweg, en dat maakt het toch net iets minder leuk om te rijden. Daarom heb ik vlak voor Gosford een afslag genomen, en ging ik bij Calga de Tourist Drive 33 op. Deze weg voert dwars door Hunter Valley, een plattelandsregio die internationaal vooral bekendheid geniet vanwege de grote hoeveelheid wijnproducenten die zich hier hebben gevestigd. Zelf ben ik niet zo’n wijngek dus het bezoeken van zo’n bedrijf doet me niet zo veel, maar de vallei is wel erg mooi om doorheen te rijden. Dat het een beetje regende maakte voor het uitzicht niets uit, maar ik ben er wel achter gekomen dat de meeste foto’s erg grauw zijn uitgepakt. In plaats van de foto’s die ik lopend heb gemaakt moet ik het daarom even houden bij de foto’s van achter het stuur.

I've got a feeling we're not on the highway anymore.

I’ve got a feeling we’re not on the highway anymore.

Wou er iemand post?

Wou er iemand post?

Schaapjes!

Schaapjes!

In Cessnock besloot ik de tourist drive links te laten liggen en weer eens richting kust te rijden. Cessnock is trouwens een dorp wat eruitziet alsof het honderd jaar heeft overgeslagen; hotels in gebouwen die zo uit een western-film overgenomen hadden kunnen zijn staan pal naast glanzende moderne metalen gebouwen van autodealers. (Hiervan helaas geen mooie foto’s, maar dit soort dorpen ben ik op mijn terugweg nog wel meer tegengekomen.) Vanaf dit dorp was het een kort stukje door de heuvels om de M1 over te steken, en ik was bij m’n eerste stop aan de kust: Newcastle.

Wind, zee en strand

De steden direct naast Sydney profileren zich erg graag als plekken waar het beste van allemaal werelden samenkomt: het is een stuk gemoedelijker en kleiner dan de grote stad, wel gewoon op een mooie plek langs de kust, en ook nog eens op een steenworp afstand van de hoofdstad. Aan de zuidkant is dat Wollongong, aan de noordkant is het Newcastle. Helaas bezocht ik het op een moment dat het weer nogal wat weg had van de naamgever van deze stad in het verre Northumberland dus van het bruisende karakter zag ik niet zo heel veel, maar dat deerde de strandbezoekers niet om zich aan de golven te wagen. De binnenstad was wel iets levendiger en voelde eigenlijk gewoon als een gewone zaterdagmiddag in Enschede: gezellig, maar laten we wel gewoon blijven doen.

Newcastle Beach

Newcastle Beach

Willekeurig parkje nummer 12.

Willekeurig parkje nummer 12.

Boven Newcastle ligt de natuurlijke haven Port Stephens, met een verzameling aan dorpjes langs de waterlinie. Tussen Newcastle en Port Stephens ligt het dorpje Stockton, dat naast de havenindustrie vooral draait op toerisme dat afkomt op het gigantische Stockton Beach met een gigantisch gebied aan zandduinen. Strandbuggies en 4WD’s kunnen zich hier wagen aan een zware tocht langs het water. Nou was ik dat met mijn stationwagon niet van plan, maar ik besloot er toch even een kijkje te nemen om te zien of er mensen waren die het er ondanks het steeds guurder wordende weer toch aan waagden. Ik kon het in ieder geval niet zien, maar met de stevige wind bij het water en zand was het zicht sowieso niet echt fantastisch. Het was wel een leuke baai om even uit te waaien.

Ze hebben een stevige industriehaven bij Stockton.

Ze hebben een stevige industriehaven bij Stockton.

Dat benne beste duine.

Dat benne beste duine.

De meer toegankelijke kant van Stockton Beach is een beetje stenig.

De meer toegankelijke kant van Stockton Beach is een beetje stenig.

Op naar Port Stephens dan maar, waar ik had gekozen voor het dorpje Nelson Bay. In tegenstelling tot veel andere kustplaatsen hebben deze dorpen allemaal niet echt een strand, dus de toerismesector moet het hebben van de mensen die gaan varen, zeilen of paragliden. Vast erg leuk om te doen, maar natuurlijk niet erg veel aan om te zien (paragliden is de uitzondering, maar ik gok dat het daarvoor gewoon net te hard waaide want ik heb er geen gezien). De wegen om het dorp heen waren wel gewoon leuke kronkelweggetjes door heuvelachtig platteland, dus ik hoefde me niet te vervelen.

Tegen de avond kwam ik aan bij twee dorpen aan weerszijden van de Myall River, met allebei toch wel heel creatieve namen: Tea Gardens en Hawks Nest. Hier werd het toch wel eens tijd om een slaapplek te zoeken, dus op naar de Myall River Campground. De timing had ik een beetje verkeerd ingeschat dus het was al donker toen ik over een onverlichte weg door het bos hiernaartoe moest: dat was een kwestie van geduldig met groot licht rijden, om zeker te weten dat ik geen overstekende hazen of koala’s van mijn motorkap zou hoeven schrapen. De camping haalde ik heelhuids, maar de regen was inmiddels toch wel vrij heftig geworden dus ik besloot maar lekker gebruik te maken van mijn grote auto: in plaats van een tent op te zetten klapte ik de achterbank neer en legde ik daar mijn matje en slaapzak in. Helemaal prima.

Natuur natuurlijk

De volgende ochtend was het opgeklaard, en toen het licht was kon ik eindelijk een beetje zien waar ik terecht was gekomen. Het eerste dat opvalt is dat de slogan van de camping “primitive riverside camping” toch met een zekere korrel zout genomen wordt door de meeste bezoekers – de faciliteiten van de camping zijn wellicht beperkt, maar dat neemt iedereen dus gewoon zelf mee.

"Schat, waar heb je de sattelietschotel gelaten?"

“Schat, waar heb je de sattelietschotel gelaten?”

Na het ontbijt werd het tijd om de dorpen eens wat beter te bekijken. Met name de Singing Bridge over de Myall River die de twee dorpen verbindt was volgens de locals wel de moeite waard om te bekijken, want zeker aan de kant van Hakws Nest zitten er aardig wat koala’s in de bomen. En ja hoor, toen ik erlangs reed met de auto zag ik er zowaar een zitten in een boom pal langs de weg. Te voet had ik helaas niet zulk geluk, want langs de weg in kwestie loopt geen voetpad en vanaf de brug kon ik ze een half uur later niet meer zien zitten. Ach ja, je kan niet alles hebben.

Door naar het Myall Lakes National Park, noordelijk van Hawks Nest. Fauna heb ik hier meer gehoord dan gezien, maar qua flora was er genoeg om een uurtje rond te wandelen. Er zitten een paar hele bijzondere bomen en planten tussen, en af en toe kun je van het pad even doorsteken naar de waterkant waar je een geweldig beeld krijgt van de omgeving van de meren. Achteraf had ik er spijt van dat ik niet gewoon bij Mungo Brush had gekampeerd (een paar kilometer verwijderd van Myall River Camp), want dan had ik midden in het park gezeten en had ik hetzelfde betaald – tegelijkertijd had ik nu genoeg tijd om alsnog rond te kijken, en bovendien was het weer een stuk beter geworden.

Prachtig om te zien, maar geen idee wat het is!

Prachtig om te zien, maar geen idee wat het is!

Dit is volgens mij de definitie van onthaasten.

Dit is volgens mij de definitie van onthaasten.

Dat kan hoger!

Dat kan hoger!

Het park is nogal langgerekt langs de kust en heeft dus een gigantisch stuk strand aan de zee (naast de strandjes aan de meren), maar op de meeste plekken van het park zie je dat niet omdat er een paar hoge duinen tussen het water en de weg liggen. Op de weg terug het park uit ben ik even gestopt bij de nogal to-the-point genaamde Hole in the Wall, waar een pad door de grote zandmuur steekt.

Behalve meren ook gewoon zee in het Myall Lakes National Park.

Behalve meren ook gewoon zee in het Myall Lakes National Park.

Na een tijdje hier doorgebracht te hebben vond ik het tijd om eens verder de kust af te reizen, dus op naar het volgende punt. Een beetje op goed geluk ben ik naar een plek gereden die ik in geen van de lijstjes of boekjes had gevonden, maar wel goed aangegeven stond: Seal Rocks. Genoemd naar een paar rotsen voor de kust is dit een sterk toeristisch dorpje dat vooral lijkt te bestaan op basis van vakantiehuisjes aan het strand, maar het hoogtepunt is een redelijke klim en daardoor gelukkig best rustig: Sugarloaf Point Lighthouse.

De zee heeft zich hier via een paar kronkelpaadjes een weg naar binnen gebaand.

De zee heeft zich hier via een paar kronkelpaadjes een weg naar binnen gebaand.

Sugarloaf Point Lighthouse met de naamgevende Seal Rocks op de achtegrond.

Sugarloaf Point Lighthouse met de naamgevende Seal Rocks op de achtegrond.

Er zijn niet heel veel mogelijkheden om rond te lopen (de wandelpaden zijn redelijk beperkt) maar het is genoeg om vanaf verschillende plekken spectaculaire beelden te krijgen. Een sterk zonnetje, een beetje bewolking en een frisse zeewind: dit beviel prima.

Seal Rocks Beach

Seal Rocks Beach

De volgende dorpjes: Blueys Beach en Boomerang Beach.

De volgende dorpjes: Blueys Beach en Boomerang Beach.

Vanaf Seal Rocks door naar Crowdy Head. Deze plek staat dan wel weer in de Lonely Planet en andere lijstjes, maar is eerlijk gezegd een stuk minder interessant. Gek genoeg voelt dit juist een stuk minder toeristisch aan, en meer als een klein plattelandsdorpje dat toevallig aan de kust ligt. Nou hoor je mij op zich niet klagen over de plaatjes, maar als je net een uitkijkpunt bij een vuurtoren hebt gehad voelt het toch iets minder spectaculair aan.

Volg die vissersauto!

Volg die vissersauto!

Crowdy Head Beach. Zo crowdy was het niet.

Crowdy Head Beach. Zo crowdy was het niet.

De weg voerde hierna weer even door wat meer bergachtig landschap, over de snelweg naar de stad die door velen wordt gezien als een tussenpunt op de weg van Sydney naar Brisbane: Port Macquarie. Dit stadje lijkt een beetje op Newcastle: het is een stukje groter dan de tussengelegen dorpen, en alhoewel het een paar flinke stukjes strand heeft lijkt het ook nog een aardige ‘gewone’ bevolking te hebben – het is best verfrissend om eens iets te zien dat zich niet zoveel van toerisme lijkt aan te trekken, zoals de buitenwijken van deze stad. Natuurlijk was ik er op een zondagmiddag, dus de dagjesmensen voerden wel de boventoon op de meeste plekken waar ik was.

Het gemiddelde snelwegbeeld rond de Central Coast.

Het gemiddelde snelwegbeeld rond de Central Coast.

Town Green langs de Hastings River

Town Green langs de Hastings River

De enige noemenswaardige heuvel in het centrum is natuurlijk bezet door een kerk.

De enige noemenswaardige heuvel in het centrum is natuurlijk bezet door een kerk.

De schemering begon op een gegeven moment toch wel voorzichtig in te zetten, dus het was tijd om eens een slaapplaats te zoeken. Vlakbij Port Macquarie ligt het Hat Head National Park, wat een paar goed aangeschreven kampeerplekken heeft. De rit naar het park toe was een leuke plattelandstocht, maar het park zelf bood toch wel een uitdaging: 3 kilometer aan heuvelachtige onverharde grindweg met bovendien stevige kuilen. De weg was gelukkig gortdroog, de voorspellingen waren ook goed en sowieso stonden er geen waarschuwingen dat het alleen voor de 4WD’s bedoeld was (die je verder op best veel plekken ziet bij onverharde wegen) dus ik waagde het erop. De auto had er uiteindelijk geen moeite mee, maar het was wel een stukje om even je hoofd bij te houden.

Geloof me, het werd nog veel erger.

Geloof me, het werd nog veel erger.

Hier ben ik toch maar even uitgestapt om te kijken of er diepe kuilen in zaten, maar dat viel mee.

Hier ben ik toch maar even uitgestapt om te kijken of er diepe kuilen in zaten, maar dat viel mee.

Eenmaal op de kampeerplek (met de geweldige naam Hungry Campground) werd het gelijk duidelijk dat het de moeite meer dan waard was geweest: ik werd opgewacht door een familie grazende kangoeroes. Ik was niet van plan er te veel in de buurt te komen om ze maar niet te veel te storen (het waren duidelijk een wat ouder mannetje en vrouwtje met drie kleintjes), maar ze leken prima op hun gemak in de buurt van mensen. Natuurlijk toch wel leuk om ze een keer van zo dichtbij te kunnen zien.

"Pap! Mam! We hebben bezoek!" "Eerst je gras opeten jongen."

“Pap! Mam! We hebben bezoek!” “Eerst je gras opeten jongen.”

Hoi!

Hoi!

Vanaf de kampeerplek kon je bovendien het gerommel van de zee horen. Nadat de tent eenmaal stond ben ik even op verkenningstocht gegaan, en nadat ik de heuvel achter mijn tent over was kwam ik een geweldig landschap tegen. Zee, strand, duinen en groen, met als bonus een paar mooie jakobsladdertjes. Ik was dik tevreden met dit stekje.

De achtertuin van Hat Head.

De achtertuin van Hat Head.

Mag het een tintje blauwer zijn?

De volgende ochtend heb ik mijn tent weer ingepakt (wederom onder toeziend oog van een groepje buideldieren) en ben ik na een beetje rondkijken in het park verder gegaan. De grote trekpleister in de regio is South West Rocks, maar op basis van wat ik had gehoord is dat niet veel bijzonders en dus ben ik een kijkje wezen nemen in een paar dorpjes die er in de buurt liggen: Stuarts Point en Scotts Head. Dit had bovendien als voordeel dat ik de Pacific Highway kon mijden en die verruilde voor de wat kleinere dorpsweggetjes.

Macleay River bij Stuarts Point

Macleay River bij Stuarts Point

Ik moest toch wel even gniffelen. Dit is nou Stuarts Points heuse Fourth Avenue.

Ik moest toch wel even gniffelen. Dit is nou Stuarts Points heuse Fourth Avenue.

Het strand bij Scotts Head...

Het strand bij Scotts Head…

...gewoon in je voortuin.

…gewoon in je voortuin.

De grote snelweg is op dit punt trouwens meer een provinciale snelweg die vrolijk door dorpjes steekt met verkeerslichten erbij – het is misschien wel de grote verbindingsweg tussen twee miljoenensteden, maar er gaat maar weinig verkeer de hele weg af. In de buitengebieden van Sydney is het dus een gescheiden weg met tussen de 4 en 10 rijbanen, maar hier op het platteland is het gewoon een simpele 2-baansweg.

De Pacific Highway loopt hier in Macksville gewoon over deze krappe tweebaansbrug.

De Pacific Highway loopt hier in Macksville gewoon over deze krappe tweebaansbrug.

Iets meer richting het noorden ligt Nambucca Heads. Ook dit is weer een toeristisch stranddorp, maar er komen hier meerdere rivieren op een bijzondere manier bij elkaar waardoor het toch wel de moeite waard is om even een kijkje te nemen.

De Inner Harbour bij Nambucca Heads.

De Inner Harbour bij Nambucca Heads.

Nambucca Heads vanaf Rotary Lookout. Hier komen de Nambucca River en Warrell Creek samen uit in de Tasmaanse Zee.

Nambucca Heads vanaf Rotary Lookout. Hier komen de Nambucca River en Warrell Creek samen uit in de Tasmaanse Zee.

Het exacte punt dat ik over de helft van de rit kwam weet ik niet echt aan te wijzen, maar tegen de tijd dat ik in Coffs Harbour kwam was ik er absoluut overheen. Port Macquarie ligt zo’n 400 km van Sydney en 550 km van Brisbane; Coffs Harbour draait de afstanden precies om. Sowieso draait het dingen een beetje om ten opzichte van Port Macquarie, kwam ik achter. De steden lijken in veel opzichten op elkaar (ze zijn ongeveer even groot, zijn slechts deels op toerisme gericht en hebben een best gezellig centrum) maar er is een kernpunt dat anders is: het centrum ligt niet aan de kust. De hoofdstraat in de meeste steden en dorpen langs de kust is juist langs het water gelegd zodat er automatisch veel mensen komen onderweg naar het strand, maar de grote straat (Harbour Drive) ligt hier gewoon daadwerkelijk centraal. Bovendien is een deel ervan voetgangervriendelijk gemaakt maar is de route van Harbour Drive naar het water meer op auto’s ingesteld, dus ze lijken hier juist te verwachten dat je liever een hotel in de stad dan aan het water zoekt. Het is even wennen, maar ik vond het een heel leuke stad en het was wel een prettige afwisseling op deze route.

Harbour Drive in Coffs Harbour.

Harbour Drive in Coffs Harbour.

Macauleys Headland

Macauleys Headland

Richting de Solitary Islands Coastal Walk.

Richting de Solitary Islands Coastal Walk.

De Pacific Highway gaat na Coffs Harbour even een stukje van de kust af, omdat in deze regio de grootste nederzetting wat meer landinwaarts ligt. Grafton is een leuk lief dorp, maar je zou er zo voorbij kunnen rijden: de snelweg gaat vooral door het kleinere South Grafton, en als je het centrum in wil moet je op het juiste moment de afslag pakken die je via een bochtige brug het water over brengt. Die bochten maken de brug nog wel een opgave voor bussen en trucks, want de bochten zijn best krap: je moet dus ook goed opletten dat je even wacht als je een grote tegenligger hebt die net indraait. Het gaat allemaal gemoedelijk, maar iets zegt me dat het met deze hoeveelheid verkeer toch eigenlijk niet meer uit kan om zo’n ouderwetse brug te hebben op deze plek. Nog iets dat de brug uniek maakt: het is een dubbeldekkerbrug, met treinen die onder het wegdek door gaan.

Stel je op deze brug even een blinde bocht van 60 graden in een helling voor.

Stel je op deze brug even een blinde bocht van 60 graden in een helling voor.

Een grote attractie van Grafton is Susan Island, een klein langgerekt eilandje in de Clarence River. Een deel van dit eiland is een beschermd natuurgebied vanwege de kolonie aan vleerhonden; de grootste in heel Australië. Helaas is er weinig van te zien overdag, want ze zijn vooral in de schemering en ‘s nachts actief. Aangezien ik er midden op de dag was werd dit helaas geen optie. In plaats daarvan heb ik dus maar gewoon een beetje de stad verkend. De scholen waren net uit toen ik rondliep, dus ik zag de schoolbussen gevuld worden en er was het nodige geschreeuw en gegil in de buurt van het centrum. Als je een beetje om je heen kijkt zie je bijzonder veel hotels, maar je krijgt niet echt het idee dat het heel toeristisch is dus het heeft een bijzonder authentieke sfeer.

Clarence River. Rechts is een stukje van Susan Island te zien.

Clarence River. Rechts is een stukje van Susan Island te zien.

Na Grafton werkt de weg zich weer rustig naar de kust toe, op weg naar Yamba. Het is wel duidelijk dat je weer in de buurt bent van de zee, want dit is gelijk een surfhotspot met een grote verzameling stranden en aangesloten resorts. Een leuke tussenstop, maar eerlijk gezegd niet meer dan dat.

Lekker terugcrossen naar de kust.

Lekker terugcrossen naar de kust.

Het teken dat je weer in toeristenland bent: de natuur is opeens weer aangelegd.

Het teken dat je weer in toeristenland bent: de natuur is opeens weer aangelegd.

Turner's Beach bij Yamba. Achter de stenenrij komt de Clarence River uit in de zee.

Turner’s Beach bij Yamba. Achter de stenenrij komt de Clarence River uit in de zee.

Natuurlijk meneer Garmin, hier kan ik prima rechtdoor.

Natuurlijk meneer Garmin, hier kan ik prima rechtdoor.

Lis is more

Vanaf Yamba heb ik de Pacific Highway verder gevolgd naar het noorden. Origineel had ik Lennox Head ingetikt als bestemming, maar toen ik door het dorpje Woodburn kwam zag ik opeens Lismore op de borden staan en realiseerde ik me dat ik dat ook op mijn lijstje had staan (maar blijkbaar was ik dat in Yamba vergeten). Op het laatste moment dus maar gewoon de afslag genomen en weer een stukje landinwaarts. Dit was een rit waarbij ik voor het eerst merkte dat de locals een stuk harder doorstuiven dan ik prettig vind, waarschijnlijk met name omdat het allemaal stevige utes en jeeps zijn die niet zoveel moeite hebben met het ruwe wegdek. Er stond dan wel 100 voor, maar ik vond 80 al hard zat en ben dus ook geregeld maar even aan de kant gegaan om weer eens iemand langs te laten (want er waren vaak genoeg tegenliggers om inhalen moeilijk te maken). Overigens gaat dat allemaal best netjes hier: bumperkleven doen ze niet echt en toeteren of flitsen al helemaal niet, en als ik ze laat passeren wordt er altijd dankbaar gezwaaid. Stads of boers, de Australische weggebruikers vind ik in het algemeen erg prettig.

Een van de betere stukken wegdek richting Lismore.

Een van de betere stukken wegdek richting Lismore.

Ze hebben er nogal een handje van om steden op borden te zetten zonder afstand erbij, en ik had bij de afslag Woodburn dus geen idee hoe ver het eigenlijk was naar Lismore. Na een half uurtje te rijden besloot ik om het toch eens op de Garmin in te tikken voor wat meer inzicht, en die wist gelukkig te vertellen dat het nog zo’n 10 minuten verder was. En ja hoor, op een gegeven moment kom je een heuvel over en zie je een flink dorp verschijnen tussen alle boerenbedrijven.

Dit dorp heeft zich echt netjes om de bestaande natuur heen gevormd.

Dit dorp heeft zich echt netjes om de bestaande natuur heen gevormd.

Lismore is groot genoeg dat het daadwerkelijk een CBD heeft - maar als de bordjes er niet hadden gestaan zou je het niet zeggen.

Lismore is groot genoeg dat het daadwerkelijk een CBD heeft – maar als de bordjes er niet hadden gestaan zou je het niet zeggen.

Lismore stond op mijn lijstje vanwege twee diersoorten die hier erg goed te vinden zijn. De eerste daarvan is de koala – in veel dorpen zie je waarschuwingen langs de wegen dat ze soms oversteken, maar sinds Hawks Nest had ik ze niet meer gezien – en de tweede is de platypus. Dit is een bijzonder schuw beestje en is vanwege z’n gevoeligheid voor luchtkwaliteit praktisch niet te vinden in stedelijk gebied, maar Lismore is op de een of andere manier een uitzondering. Het kleine beekje Tucki Tucki Creek loopt door de stad heen en heeft er bovendien een mooi pad langs lopen, maar als je niet weet dat het er zit zou je het niet kunnen vinden. Mogelijk is het mede daardoor goed geconserveerd, en het begint zelfs met een stuk bos met tientallen vlindersoorten die rondfladderen. Ik ben absoluut geen expert, maar als je een beetje rondkijkt en zoveel verschillende kleuren ziet kan ook ik me wel indenken dat dit een best bijzondere verzameling is; zeker midden in een stad.

Tucki Tucki Creek toen het nog licht was.

Tucki Tucki Creek toen het nog licht was.

De platypus is het meest actief rond zonsopgang en zonsondergang, dus ik was helemaal blij dat ik tegen het vallen van de avond in Lismore was aangekomen. Desalniettemin wordt het je niet makkelijk gemaakt: ik heb een aardige tijd rondgelopen langs de beek en me meerdere keren afgevraagd of ik wel op de juiste plek was (totdat ik zowaar ergens een bordje tegenkwam met informatie over het beestje). Het was bijna een uur verder – en de lucht was inmiddels dieprood – toen ik er eindelijk een langs zag zwemmen. Wanneer je zo’n vreemd wezen met je eigen ogen in de natuur ziet waarvan je als kind al verhalen hoorde over hoe raar het is dat de soort überhaupt bestaat, dan is dat toch wel een beetje een magisch moment. Zo bijzonder zelfs dat ik helemaal ben vergeten een foto te maken, dus ik kan het helaas niet met jullie delen.

Nu het echt donker was realiseerde ik me dat ik nog op zoek moest naar een slaapplek, want dat was ik helemaal vergeten. De camping in de Lonely Planet bestond niet meer, en de camping in de campinggids bleek wel erg duur voor erg weinig, dus het was even puzzelen. Uiteindelijk heb ik besloten een rest stop op te zoeken net buiten de stad – als truckies er mogen slapen is het vast geen probleem dat ik er in mijn auto slaap. Het was even wennen om met af en toe langssuizende trucks te proberen te slapen, maar het lukte prima.

Met het ontbijt achter de kiezen was het de volgende ochtend tijd om eens te kijken of ik die andere diersoort kon vinden, de koala. Natuurlijk had ik er al eens een gespot bij de Singing Bridge, maar ik wou nu toch wel een poging doen er eens een op de foto te zetten. Er zijn meerdere plekken die worden aangeraden om te bezoeken in de stad, en ik ben maar eens begonnen met Robinsons Lookout. Ergens weggestopt op een klein heuveltje achter de woningen hebben ze een klein uitkijkpunt gemaakt waar je tussen het groen door mooi op de stad kunt neerkijken, en in de laatste jaren zijn er veel eucalyptusbomen geplant om de koalas erheen te trekken. Het was een leuk plekje, maar ik had hier helaas geen geluk: na een half uur gaf ik het maar gewoon op.

Robinsons Lookout

Robinsons Lookout

Een van de vreemdere plekken die wordt aangeraden is een bos achter het crematorium van de stad. Ik vond het niet zo’n geweldig idee om bij een crematorium te parkeren op zoek naar koala’s, maar ik besloot er toch maar eens langs te rijden om te kijken of ze hier inderdaad zaten. En ja hoor, juist hier zat er eentje rustig te ontbijten bovenin een boom. Het derde aangeraden punt lag even verderop (bij een onderzoeks- en verzorgingscentrum genaamd Friends of the Koala) dus ik had er goede moed in dat ik ze daar, met wel een fatsoenlijke parkeerplaats in de buurt, ook zou kunnen vinden. Maar het zat niet mee: ook hier heb ik weer een half uur voor niks gewacht. Op een gegeven moment ben ik toch maar weer teruggereden naar het crematorium in een poging het daar toch maar te proberen, maar de eerder gespotte grijze vriend was inmiddels vertrokken dus dat werd ‘m ook niet. Geen foto’s voor het thuisfront dus helaas, maar gelukkig hebben we de herinneringen nog.

Het parkje achter Friends of the Koala

Het parkje achter Friends of the Koala

Ik heb die ochtend nog een beetje de sfeer geproefd van Lismore. Het voelt al met al nogal als wat Canberra zou zijn als ze het niet zo groots hadden willen aanleggen “omdat het een hoofdstad is”. Ook hier is er lekker veel groen, is het ruimtelijk maar wel gezellig, zit je tussen de natuur maar is er toch een flinke industriële kern. Deze stad komt in weinig oostkust-lijstjes voor die ik heb gezien en wordt naar mijn mening echt onderbelicht. Anders gezegd: ik ben erg blij dat ik op de bewegwijzering heb gelet, want anders was ik bij Woodburn toch zomaar doorgereden en had ik dit moeten missen.

Closing on the border

Met dit binnenlandse pareltje achter de rug reed ik nu toch echt door naar Lennox Head, terug naar de toeristische kust. Ik zat inmiddels toch zo’n 750 km ten noorden van Sydney, en gecombineerd met het steeds beter wordende weer sinds ik vertrok zorgde dat ervoor dat het toch wel duidelijk warmer was dan de zuidelijke kustplaatsjes. Inmiddels was het dinsdag, maar aan de levendigheid zou je het niet afleiden: er waren genoeg gezinnen aan het strand te vinden tijdens schooltijd (met stevige Aussie accenten) en natuurlijk steeds meer surftoeristen die hun kunstjes wouden vertonen. Lennox Head is aan de ene kant weer een standaard badplaats met de main strip op zee gericht, maar daarnaast heeft het ook een groot meer aan de andere kant van de hoofdstraat met een stuk rustiger water. Het promotieverhaaltje is dat de bomen hier veel tannine afgeven; het water oogt er misschien onprettig bruin door, maar het blijkt erg goed te zijn voor je huid. Waarschijnlijk erg handig als je net je huid hebt aangevallen met het zout uit het zeewater.

Seven Mile Beach bij Lennox Head, met gratis rioolafvoer.

Seven Mile Beach bij Lennox Head, met gratis rioolafvoer.

Op weg naar Pat Morton Lookout.

Op weg naar Pat Morton Lookout.

Ballina en Skennars Head

Ballina en Skennars Head

Seven Mile Beach vanuit een ander perspectief.

Seven Mile Beach vanuit een ander perspectief.

Lake Ainsworth

Lake Ainsworth

What’s in a name?

De volgende stop: Byron Bay. Dit is een beetje een bijzonder geval, want dit dorpje kende ik (bij naam) allang voordat ik me in Australië ging verdiepen. Voor veel mensen is dit een van de beroemde bestemmingen om te gaan surfen, maar ik ken het vooral vanwege een stukje trivia omtrent een band die zichzelf heeft vernoemd naar de straat waar een van hen is opgegroeid, en waar het huis staat waarin ze in den beginne hebben geoefend: Parkway Drive. Toen ik de week voor vertrek nog eens opzocht waar deze straat ook alweer lag kwam ik erachter dat ik natuurlijk lang niet de enige fan ben die op het idee is gekomen even een bezoekje te brengen aan deze straat; sterker nog, er blijkt al jaren een probleem te zijn met straatnaambordjes die worden gestolen als souvenirs. Ik verwachtte daarom eigenlijk dat wanneer ik er eenmaal zou zijn er helemaal niks zou zijn om te zien (laten we wel wezen: de straat zelf interesseert me eigenlijk vrij weinig) maar toch besloot ik er maar gewoon op af te rijden. Wonder boven wonder hing het bordje er zowaar nog.

Ah, dus deze weg moet ik in rijden als ik wil parkeren?

Als je eenmaal door de straat heen rijdt kom je er trouwens achter dat het niet bepaald een stereotype achterstandswijk is waar metalbands meestal worden opgericht; dit zijn kasten van huizen, bovendien in een booming toeristenstad. Wel grappig om te zien: het bordje aan de andere kant van de straat was wel degelijk verdwenen – het frame hing er een beetje zielig leeg bij.

Wat een armzalige bedoening.

Wat een armzalige bedoening.

Het centrum van Byron Bay vond ik best druk en had niet echt iets wat me trok, dus na een kort kijkje hier ben ik toch maar weer naar buiten gereden, naar (eerlijk is eerlijk) een andere tourist trap. De vuurtoren op Cape Byron is de krachtigste en meest oosterlijke van de oostkust volgens de boekjes – heel leuk natuurlijk, maar dat maakt het niet interessant om te bezoeken. Wat er wel leuk aan is is het geweldige uitzicht dat je er hebt. Als je dit zo leest zou je misschien denken dat ik het inmiddels wel gehad heb met uitkijken over de kustlijn (zeker omdat ik het al een tijdje over “nog een strand” hebt) en dat was wel een beetje waar, maar dit was zonder twijfel het meest spectaculaire beeld van de hele reis en daarom toch wel weer erg mooi.

Cape Byron Lighthouse

Cape Byron Lighthouse

Achter het wachtershuisje loopt Seven Mile Beach, met in de verte Lennox Head.

Achter het wachtershuisje loopt Seven Mile Beach, met in de verte Lennox Head.

Byron Bay, en de baai van Byron.

Byron Bay, en de baai van Byron.

Onderweg naar Goudkust

Het vooruitzicht na Byron Bay was het absolute hart van strandtoerisme, de Gold Coast, dus om nog een laatste keer even iets anders te zien voordat ik me daarin stortte heb ik een kleine omweg gemaakt via een paar dorpjes. Mullumbimby en Brunswick Heads zijn niet veel groter dan Lennox Head, liggen niet zo ver naar het binnenland als Lismore maar zijn toch wel een stukje verwijderd van de kust; deze mengelmoes zorgt voor kleine maar bijzonder veelzijdige dorpjes. Het is heel leuk om hier even rond te kijken en te zien hoe de sfeer van kust en het zogenoemde hinterland samenkomen in deze erg compacte dorpjes, al is het maar om weer even te zijn waar voor je gevoel bijna geen enkele toerist de weg naar weet te vinden.

De weg naar Mullumbimby, met Mount Jerusalem op de achtergrond.

De weg naar Mullumbimby, met Mount Jerusalem op de achtergrond.

Mullumbimby

Mullumbimby

Brunswick Heads

Brunswick Heads

Maar daarna ging de weg gewoon verder naar het noorden, en ik moest er toch echt aan geloven. Bij het binnenrijden van Tweed Heads was ik aangekomen bij het zuidpuntje van de Gold Coast, en de laatste grote stad voor de grens met Queensland. Wat opvalt als je op de stad afrijdt is dat het een bijzonder grote stad is (dat verwacht je niet, zo’n stuk voor Brisbane) met zowel een grote toerismesector richting het strand als een grote industriële haven. Toen ik de weg eenmaal vervolgde richting het noorden werd al snel duidelijk dat dit het enige stukje is van de Gold Coast waar niet iedereen zijn kost lijkt te verdienen met toerisme.

Tweed Heads vanaf de Pacific Highway.

Tweed Heads vanaf de Pacific Highway.

Ik weet achteraf niet helemaal waarom ik niet gewoon vanuit Tweed Heads via Coolangatta door ben gereden (of waarom de Garmin dat logisch vond), maar op de een of andere manier leek het me logisch om terug te gaan naar de Pacific Highway en op die manier Queensland in te rijden. Verreweg het meest opvallende aan de staatsgrens is dat mijn Garmin opeens een aankomsttijd in het verleden leek te voorspellen; Queensland doet namelijk niet aan zomertijd, dus de klok schiet bij de grensovergang een uur terug. Handig, die automatisch synchroniserende klokken, maar m’n autoradio heeft die nog niet.

De staatsgrens. Rare jongens, die Queenslanders.

De staatsgrens. Rare jongens, die Queenslanders.

Bij Coolangatta ben ik de snelweg afgegaan, de Gold Coast Highway op. Dat klinkt misschien als een grote weg, maar effectief is de Gold Coast gewoon een grote gemeente en is dit de grote weg die dwars door alle wijken loopt.

De skyline van Broadbeach

De skyline van Broadbeach

Volgens de verhalen was ik er tijdens de stilte voor de storm; tijdens schoolies week is de Gold Coast de hoofdbestemming voor eindexamenleerlingen vanuit heel Australië, en dat zijn er wel wat. Zoals we in Nederland de feestverhalen van Ibiza en Chersonissos kennen, draaien de verhalen hier om Burleigh Heads en Surfers Paradise. Als je mij ook maar een klein beetje kent weet je dat dit soort oorden niet bepaald mijn favoriet zijn, maar het is toch wel leuk om er even rond te kijken. Het duurde niet lang voordat ik erachter kwam dat als dit de stilte voor de storm is, ik blij was dat ik niet een week later langskwam.

Surfers Paradise

Surfers Paradise

Een van de meest absurde dingen die ik me realiseerde is dat er opeens heel veel hoogbouw is (die had ik verder sinds Sydney eigenlijk niet gezien) maar bovendien dat al die hoogbouw gevuld is met hotels en appartementen – niks kantoorpanden, niks zakendistrict, gewoon honderd procent gericht op mensen die komen voor zon, zee en strand. Daarnaast is alles werkelijk blinkend schoon, wat in combinatie met de felle zon plaatjes oplevert waar de gemiddelde marketingmachine puur goud van maakt. Op een gegeven moment dacht ik bij mezelf dat dit toch wel erg lijkt op de standaard beelden van Miami, en prompt passeerde ik een bordje dat Miami Beach aankondigde – natuurlijk is er ook hier een wijk met die naam (als je de naam van een hotel kan overnemen met Surfers Paradise kun je prima de naam van een andere stad ook meepakken). Als ik een vergelijking moet maken met een stad waar ik wel degelijk geweest ben, dan lijkt het uitzonderlijk veel op San Diego, maar dan met de mindset van het naastgelegen Coronado.

Een kerstboom bij 30 graden...het is even wennen.

Een kerstboom bij 30 graden…het is even wennen.

Natuurlijk ben ik echt wel even uitgestapt om eens rond te kijken op de stranden, maar om eerlijk te zijn is dat niet zo heel veel bijzonders als je de rest van de stranden langs de kust hebt gezien. Het bijzondere aan de Gold Coast is de sfeer en de cultuur, dat gevoel dat tijd gewoon stilstaat en dat er helemaal geen ‘echte wereld’ meer bestaat buiten het strandleven. Zelf moet ik er niet aan denken om hier een tijdje door te brengen (laat staan er te wonen) maar ik snap absoluut wat mensen hiernaartoe trekt. Zelfs ik moet toegeven dat het best een mooi plekje is (toch Lidewij?) en alleen al om even het sfeertje te proeven absoluut een bezoekje waard.

No sleep ’til Brisbane

Rond Southport buigt de Gold Coast Highway weer af richting de Pacific Highway, en toen ik die grote snelweg weer had gevonden reed ik af op de echte grote skyline van Queensland.

Well hello there.

Well hello there.

Driving along by the Brisbane River...

Driving along by the Brisbane River…

Brisbane binnenrijden is wel een geweldige ervaring. Als je Sydney in wilt komen rijd je stukje bij beetje verder de stad in maar zit je al snel in stapvoets stadsverkeer; in Brisbane rijd je met gemak via de grote snelweg dwars het centrum in. In Sydney kost het je een klein uur om vanaf de rand van de stad in het centrum te komen; in Brisbane was ik een kwartier na het zien van de skyline geparkeerd in hartje centrum. Zo’n 3,5 dag na het verlaten van Sydney en 1492 kilometers verder had ik mijn bestemming bereikt. Stop de tijd.

Queens Park

Queens Park

To be continued

Deze reis was zo volgepakt dat ik heb besloten het avontuur op te splitsen in twee delen. De terugreis, waarbij ik de kust links heb laten liggen en een binnenlandse route heb genomen, komt dus later aan bod.

Guiding and touring

Nadat ik zo’n zes weken lekker in m’n eentje van het leven Australië te genieten kreeg ik er een week lang wat gezelschap bij. De vrouw des huizes van het thuisfront vond mijn reis naar het zuidelijk halfrond een goede smoes om zelf ook eens een kijkje te nemen in Sydney. Het was eigenlijk voor het eerst dat het echt voelde alsof ik in het buitenland woonde, omdat je opeens automatisch een gids wordt wanneer er een gids langskomt. Iemand ophalen van het vliegveld, leuke plekken aanwijzen in de stad en wegwijs maken in het lokale OV – opeens voelt het alsof ik echt een inwoner ben van Sydney.

Een prinsenonthaal

Doordeweeks bleef ik natuurlijk gewoon aan het werk, dus de gezamenlijke activiteiten werden beperkt tot de avonden en weekenden. Tijdens het eerste weekend besloten we maar gelijk gebruik te maken van het feit dat ik een auto heb, en was het tijd om de kustlijn naar het zuiden een beetje te verkennen. Dus op naar de Princes Highway, kijken wat voor uitzichten de kustlijn brengt. Het duurde niet lang voordat we bij een uitkijkpunt kwamen, bij Stanwell Tops.

IMG_1473

Stanwell Park, Coalcliff en de Sea Cliff Bridge

Behalve het indrukwekkende uitzicht is de hele route langs de kustdorpjes richting de stad Wollongong goed te zien, en het zicht daarop geeft een goede indruk van hoe die route was tijdens het rijden. Heuvelachtig door lieve kleine dorpjes met continu uitzicht over de zee. Niet te vergeten met een stevig zonnetje waardoor het lekker met de ramen open kon. Af en toe maak je dan natuurlijk wat tussenstops om eens te kijken waar je nou weer bent beland.

Koonawarra Bay

Koonawarra Bay

Lekker vissen

Lekker vissen

Eenmaal in de Illawarra zijn we even op zoek geweest naar plekken om te snorkelen. Dat bleek moeilijker dan gedacht, want in tegenstelling tot wat je zou verwachten lijken er weinig plekken te zijn waar je de nodige spullen kan huren of kopen aan het strand. Bovendien waren de meeste stranden een beetje ondiep. Volgens wat ik had gehoord was Shellharbour een van dé plekken om de zeebodemtoerist uit te hangen, maar de weinige stukjes strand die er te vinden waren bleken niet erg geschikt.

Shellharbour South Beach

Shellharbour South Beach

De reis bracht ons op een gegeven moment naar Jervis Bay, waar het toch wel een keer tijd werd om een slaapplek te zoeken. Zonder er erg in te hebben leken we in het stadje Huskisson de lokale versie van Scheveningen gevonden te hebben, met bijzonder veel lokale weekendtoeristen – alle accomodatie zat dus bomvol. Nadat we bijna hadden opgegeven en verder wouden kijken vonden we op het laatste moment toch nog een plek, en dus konden we de avond daar doorbrengen. Het weer was gelukkig goed genoeg om even een stukje van de baai af te wandelen, gevolgd door een paar biertjes en hamburgers.

Huskisson

Huskisson

White Sands Beach (maar zo wit was het niet)

White Sands Beach (maar zo wit was het niet)

Het uitzicht kan slechter

Het uitzicht kan slechter

De volgende dag was de insteek vooral om een toeristische route terug te nemen – af en toe letterlijk door een paar Tourist Drives te volgen. In eerste instantie was dat richting het zuiden, en daarna rustig landinwaarts om vervolgens weer naar het noorden te gaan. Ook al zit je niet meer aan de kustlijn, af en toe zijn er wat meren die nog steeds leuke plaatjes opleveren.

St Georges Basin

St Georges Basin, Sanctuary Point

Maffe beestjes zijn het toch

Maffe beestjes zijn het toch

Langs de weg waren er af en toe ook wat stuiterende buideldieren in de weilanden – ik ben natuurlijk geen expert, maar ik denk dat het wallabies waren omdat ze wat klein leken voor kangoeroes. Desalniettemin is het natuurlijk mooi om ze een keer in het echt te zien, want ook met mijn anderhalve maand in dit land had ik die nog niet eerder gespot.

De route bracht ons vervolgens door het heuvelachtige Kangaroo Valley, met een paar mooie uitzichten en mooie bochtige wegen – duidelijk ook een genot voor de motorrijders op deze zonnige zondag, want de Harley’s, Indian’s en Victory’s vlogen ons om de oren. Hoe mooi de route ook was om te rijden, de auto vond het op een gegeven moment duidelijk genoeg want er ging een alarm af op het dashboard: de motor werd nogal warm. Tijdens het afkoelen langs de weg werd het wel duidelijk hoe behulpzaam de cultuur van automobilisten hier is, want nog geen twee minuten later stopte er iemand om te vragen wat er aan de hand was en mee te kijken. Niks mis het de koelvloeistof en het oliepeil, dus ik gooide het maar op het gestotter van de automaat bij de grenzen van versnellingen die de auto sinds mijn trip naar de Blue Mountains had. De eerste APK stond al in de planning (sinds de aanschaf had ik al bijna 5000 km geklokt, dus de routinecontrole kwam in de buurt) dus een groot probleem zou het waarschijnlijk niet zijn. Na het afkoelen kwam het probleem niet meer terug: het werd wellicht wat warm bij het klimmen, maar niet meer gevaarlijk veel. (Bij de APK zou later blijken dat de bougies de mist in gingen met hun timing.) De terugreis verliep verder zonder problemen.

Van de hele terugreis heb ik trouwens geen verdere foto’s, want met een bijrijder heb ik er niet aan gedacht om die zelf te maken. Een Google Image Search geeft je echter wel een prima indruk (al is het misschien een beetje valsspelen).

University of Twente, I presume?

De volgende week was in principe een normale werkweek, maar de woensdag was een beetje een uitzondering. Allereerst had het Nederlandse consulaat in Sydney een promotieactie voor Nederland opgezet door de teams uit de World Solar Challenge naar Sydney te halen. Het team uit Eindhoven was afwezig (die hadden naar ik begreep wat sponsorverplichtingen in China te vervullen) maar zowel Twente als Delft waren van de partij. Als je aan de andere kant van de wereld opeens wat medestudenten kunt is dat natuurlijk een mooie kans om toch even de trotse Enschedeër uit te hangen, dus ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om die dag vanaf thuis te werken, zodat ik in de lunchpauze even naar Martin Place kon wandelen om persoonlijk wat felicitaties uit te delen. Met een blauwe Batatrui aan, want ik moest natuurlijk wel iets van de UT (uit)dragen.

Poffertjes!

Poffertjes!

In de avond zijn we naar het Sydney Opera House geweest. Er was zowaar een betaalbare voorstelling in de grote zaal, dus dat was een mooie kans om het gebouw eens van binnen te zien. Het was een muzikale opvoering van leerlingen van openbare scholen uit de staat, met verrassend veel afwisseling en kwaliteit maar zonder het elitaire gedoe dat je misschien verwacht van een podium met de reputatie van een operagebouw. Een korte indruk van het gebouw: de architect heeft er duidelijk zijn best op gedaan om het zo bizar mogelijk in te delen. Het is eigenlijk een stuk indrukwekkender als architectureel project dan als concertpodium, en de buitenkant is dan ook een stuk interessanter dan de binnenkant. Desalniettemin is het natuurlijk wel leuk om er een keer binnen geweest te zijn.

Goed te pas

Tijdens het volgende weekend was het weer tijd om de auto te pakken, ditmaal richting de Blue Mountains. Het stukje wat ik eerder had gezien was de noordelijke route langs de Bells Line Of Road, terwijl de grote toeristische stops langs de Great Western Highway voor mij vooral onzichtbaar waren in het donker op mijn terugreis vanaf Bathurst. Het was dus ook voor mij wederom een leuke verkenning van een nieuw stuk gebied. De route leidde naar Wentworth Falls, waar een spectaculaire wandelroute langs de National Pass bekend staat als de mooiste wandelroute van Australië (dank aan Jan Jaap voor de tip).

Empress Falls

Empress Falls

De wandeling is 5,5 km maar er staat 3,5 uur voor, en het wordt al vrij snel duidelijk waarom. Het grootste deel van de wandeling loopt langs de klifwanden en is relatief goed te doen, maar om daar te komen moet je een stevige afdaling maken en aan het einde staat er weer een flinke klim voor het terugkomen in de bewoonde wereld. Op zich is het allemaal niet heel moeilijk, maar het is natuurlijk belangrijk dat je goed oplet dus je gaat automatisch met een slakkengang over de route. Nou maakt dat niet uit, want het is een goede smoes om af en toe even rond te kijken. Geen seconde van de wandelroute is saai te noemen.

Hallo rotswand

Hallo rotswand

Er was regen voorspeld voor de dag, maar de voornaamste nattigheid kwam tijdens de wandeling van de vele watervalletjes. Het was bovendien niet te warm, wat tijdens een bergtocht natuurlijk wel prettig is.

Grooooeeeeen

Grooooeeeeen

Een van de dingen die nu een stuk beter zichtbaar was dan tijdens mijn eerste reis door de bergen: de blauwe mist waaraan de Blue Mountains hun naam ontlenen. De wetenschappelijke achtergrond is dat de eucalyptusbomen in de regio door de zon een blauwige olie afgeven – maar laten we eerlijk zijn, wat de achtergrond ook is, het ziet er gewoon erg bijzonder uit.

Blaaaaauuww

Blaaaaauuww

Alles meegerekend duurde de wandeling uiteindelijk slechts een krappe 3 uur, dus er was nog ruim genoeg tijd om even verder te kijken in het National Park. Weliswaar geen wandelingen meer (het was ons wel goed afgegaan, maar je kunt ook overdrijven) maar even naar een uitzichtpunt lopen zat er nog wel in. Niet zo ver van Wentworth Falls ligt het dorpje Katoomba, wat volledig om het uitzichtpunt Echo Point gebouwd lijkt te zijn. In plaats van een lange route was het hier simpelweg 100 meter van parkeerplaats naar uitzichtpunt, waar we een kijkje konden nemen bij de hoofdattractie van de Blue Mountains: de bergformatie die bekendstaat als The Three Sisters.

De drie zusjes, gezellig samen versteend

De drie zusjes, gezellig samen versteend

Wellicht dat het is omdat je er gewoon op af kan rijden in plaats van echt moeite te hoeven doen om er te komen, of misschien is het omdat het uitzicht vanaf 1 punt niet zo veranderlijk is als langs een route, maar hoe dan ook voelde het om eerlijk te zijn een beetje als een anticlimax na de National Pass. Het ziet er natuurlijk bijzonder uit, maar na een paar minuten heb je het eigenlijk wel gezien. Bovendien was het hier gelijk een stuk drukker dan op de wandelroute, waardoor het niet meer echt voelt alsof je in een natuurgebied staat. Leuk om gezien te hebben, maar (zoals natuurlijk wel vaker met dingen die bekendstaan als hoofdattractie) minder indrukwekkend dan je zou verwachten.

Een massieve bezigheid

Enigszins tegen de verwachtingen in was het nog licht toen we terugkwamen in Sydney, met een lange avond om even lekker uit te rusten. Voor mij zat de dag er nog niet op, want nadat ik op Defqon.1 veel mensen enthousiast had gehoord over hét feest van Sydney had ik een ticket geregeld voor MASIF. Mijn eerste keer dat ik het uitgaansleven van deze miljoenenstad zou verkennen, en bovendien was het op 31 oktober: het Halloweenthema was dus onvermijdelijk.

Lazors!

Lazors!

Als ik heel eerlijk ben: het viel een beetje tegen. Ik snap dat ze hier legitimatie wat serieuzer nemen dan in Europa omdat de boetes rond minderjarig alcoholgebruik hoger zijn, maar als je als nachtclub besluit je toegangsbeleid met een computer uit te voeren die 5 minuten nodig heeft om je te herkennen in je paspoortfoto (met als gevolg dat ik meer dan een uur in de rij moest staan voordat ik binnen was) is dat geen geweldig begin van de avond. Wat ze met de vloer hebben uitgespookt weet ik niet, maar die was zo veerkrachtig dat het voelde alsof je op de meest onveilige podiumdelen mogelijk stond te springen. Vervolgens blijkt dat de barren geen taps hebben waardoor je de hoofdprijs betaalt voor bier uit een flesje, wat ook nog eens Heineken blijkt te zijn (ik heb me zelden zo afgezet gevoeld als toen ik daar 11 dollar voor moest neerleggen). Al met al is het een beetje een vreemde gewaarwording als dit dé plek is voor hardstyle in deze stad (en zelfs het feest waar alles DJ’s van Defqon als afterparty heen gingen). Het maakt toch wel duidelijk dat Nederland, hoe klein we ook zijn, met reden wordt beschouwd als wereldmarktleider op het gebied van dancefeesten en -festivals. Ook hier was dat weer zo, want de grootste acts van de avond werden allebei ingevuld door een Nederlander, en dat was maar goed ook: Max Enforcer en Evil Activities maakten met hardstyle respectievelijk hardcore de avond voor mij toch nog een geslaagde onderneming. Dat ik ook nog even mijn buurman van de Defqon-camping tegen het lijf liep was een mooie bonus.

Je staat er in Europa trouwens waarschijnlijk niet bij stil, maar alhoewel de finale van het WK Rugby tussen Australië en Nieuw-Zeeland was werd deze gespeeld op de Britse prime time – voor de lokale tijdzone begon de wedstrijd daardoor op het geweldige tijdstip van 3 uur ‘s nachts. Tegen de tijd dat het feest ten einde liep om 5 uur kon ik dus nog net de afdruipende gezichten van het Australische team zien op de TV’s in het loungegedeelte van de club, aangezien ze zojuist hadden verloren (niet geheel tegen de verwachtingen in trouwens). Dat was overigens lang niet zo bijzonder om te zien als de binnenstad van Sydney vlak voor zonsopgang, die voor de verandering best leeg en stil was. De voornaamste geluiden kwamen van de taxi’s die de stad afspeurden op zoek naar uitgaanspubliek dat niet meer op eigen kracht naar huis kon. (Wat dat betreft: of het te maken heeft met onze vroegere lagere alcoholleeftijd of de algemene cultuur weet ik niet, maar het Nederlandse uitgaanspubliek weet duidelijk een stuk beter met alcohol om te gaan dan de jonge Australiërs hier. Met name de volop aanwezige Aziatische tieners wisten duidelijk niet waar hun grenzen lagen en heb ik geregeld afgevoerd zien worden door de beveiligers.)

I am the eye in the sky…

Ter afsluiting van het gezamenlijke weekje was het zondagavond de beurt aan de Sydney Tower Eye om eens te laten zien hoe Sydney er van boven uitziet. Het was een beetje regenachtig, maar desondanks gaf het, eerst in de schemering en daarna in het donker, een mooi beeld van de stad. Behalve het CBD kent de stad niet heel veel hoogbouw, maar het is wel fotogeniek vanwege de vele heuvels en de vormen van de Harbour die door de stad kronkelen. En natuurlijk is het best leuk om je eigen huis te kunnen aanwijzen.

Ik woon bij het 121e lichtje van links...

Ik woon bij het 121e lichtje van links…

Sparks flyin’

Op maandag had ik opeens weer het rijk alleen, en ging het dagelijks leven weer verder. Tot nu toe was er meestal na het weekend niet zoveel te melden, maar dit keer was er toch een uitzondering: ik mocht na de verschillende hardstylefeesten weer even de oude rol van metalhead oppakken (terug in het zwart, zo je wilt) bij het zien van niemand minder dan AC/DC. Niet alleen moest ik deze legendes nodig een keer zien voordat ze allemaal dood neervallen (of het tehuis in moeten zoals Malcolm Young met zijn zware dementie) maar bovendien kon ik ze zien in de stad waar het in de jaren ’70 allemaal begon.

Back in...green?

Back in…green?