A tale of two capitals

Na een dikke 2 maanden in Sydney te hebben gezeten met vooral vrije weekenden had ik zowaar een hele week vakantie. Origineel was het plan om die vakantieweek halverwege mijn stage te doen, maar na die op te schuiven voor AC/DC en vervolgens nog een week op te schuiven vanwege een deadline bij het bedrijf viel het allemaal iets later. In zekere zin precies op tijd, want het viel nu een week voor het begin van ‘schoolies week’, de periode dat eindexamenleerlingen het einde van hun schooltijd vieren door de zon op te zoeken – in bepaalde oorden zoals waar ik langs wou reizen zorgt dat voor een heel bepaald soort toerisme, die je volgens de meeste verhalen het beste kunt mijden.

Voor deze week stond een retour Brisbane op de planning: een reis naar de hoofdstad van Queensland, zo’n 1000 km ten noorden van Sydney. Dat was wel even iets anders dan de ritjes van enkele uren die ik in de afgelopen weekenden had gemaakt, dus er zat iets meer voorbereidingstijd in. Van alles uit de keukenkastjes halen in huis en inpakken voor de reis, het een en ander aan eten en drinken inkopen, een grote zak ijs voor de koelbox, een notitieblok volgeklad met mogelijke bezienswaardigheden, een kaartenboek en een campinggids…ga zo maar door. Nadat alles eindelijk netjes in de auto lag kon ik er eindelijk vandoor.

Bridge over troubled water

Het eerste ding was eigenlijk gewoon in Sydney zelf: ik wou nu eindelijk wel eens over de Harbour Bridge rijden. Nou is dat in dit geval ook gewoon de kortste route naar het noorden vanaf mijn huis, dus zelfs de Garmin was het met mij eens dat ik die kant op moest. Leuk om een keer gedaan te hebben, maar ik moet eerlijk zeggen, het is weinig spectaculair. Natuurlijk is het best een indrukwekkend bouwwerk en er gaat een stevige hoeveelheid verkeer over (8 rijbanen, een fietspad en 2 trambanen) maar voor het uitzicht kun je de brug beter bewandelen. De weg naar de brug toe is daarentegen een stuk leuker: de Western Distributor gaat op redelijke hoogte door het CBD en je rijdt dus tussen de skyscrapers door op het niveau van ca. de 10e verdieping. Als je door de stad loopt is zo’n stuk snelweg op hoogte ronduit lelijk, maar het uitzicht dat het je vanuit de auto geeft op de stad is daarentegen wel weer mooi.

Pakketje voor verdieping 34!

Pakketje voor verdieping 34!

Uitzicht? Waar?

Uitzicht? Waar?

Vanaf de Harbour Bridge is het vrij snel de Pacific Highway op, die door een paar van de mooiere noordelijke wijken steekt (Chatswood, Lindfield en Gordon zijn het leukste) en vanaf daar richting de M1 gaat. Na ongeveer drie kwartier rijden heb je eindelijk het gevoel dat je de stad uit bent – het is en blijft een gigantische metropool.

Deze brug moest ik even eh...rechts laten liggen.

Deze brug moest ik even eh…rechts laten liggen.

Get your kicks on route 33

De route van de snelweg voert door bergachtig landschap, langs meren en rivieren; er is gelijk van alles te zien. Het blijft echter wel een snelweg, en dat maakt het toch net iets minder leuk om te rijden. Daarom heb ik vlak voor Gosford een afslag genomen, en ging ik bij Calga de Tourist Drive 33 op. Deze weg voert dwars door Hunter Valley, een plattelandsregio die internationaal vooral bekendheid geniet vanwege de grote hoeveelheid wijnproducenten die zich hier hebben gevestigd. Zelf ben ik niet zo’n wijngek dus het bezoeken van zo’n bedrijf doet me niet zo veel, maar de vallei is wel erg mooi om doorheen te rijden. Dat het een beetje regende maakte voor het uitzicht niets uit, maar ik ben er wel achter gekomen dat de meeste foto’s erg grauw zijn uitgepakt. In plaats van de foto’s die ik lopend heb gemaakt moet ik het daarom even houden bij de foto’s van achter het stuur.

I've got a feeling we're not on the highway anymore.

I’ve got a feeling we’re not on the highway anymore.

Wou er iemand post?

Wou er iemand post?

Schaapjes!

Schaapjes!

In Cessnock besloot ik de tourist drive links te laten liggen en weer eens richting kust te rijden. Cessnock is trouwens een dorp wat eruitziet alsof het honderd jaar heeft overgeslagen; hotels in gebouwen die zo uit een western-film overgenomen hadden kunnen zijn staan pal naast glanzende moderne metalen gebouwen van autodealers. (Hiervan helaas geen mooie foto’s, maar dit soort dorpen ben ik op mijn terugweg nog wel meer tegengekomen.) Vanaf dit dorp was het een kort stukje door de heuvels om de M1 over te steken, en ik was bij m’n eerste stop aan de kust: Newcastle.

Wind, zee en strand

De steden direct naast Sydney profileren zich erg graag als plekken waar het beste van allemaal werelden samenkomt: het is een stuk gemoedelijker en kleiner dan de grote stad, wel gewoon op een mooie plek langs de kust, en ook nog eens op een steenworp afstand van de hoofdstad. Aan de zuidkant is dat Wollongong, aan de noordkant is het Newcastle. Helaas bezocht ik het op een moment dat het weer nogal wat weg had van de naamgever van deze stad in het verre Northumberland dus van het bruisende karakter zag ik niet zo heel veel, maar dat deerde de strandbezoekers niet om zich aan de golven te wagen. De binnenstad was wel iets levendiger en voelde eigenlijk gewoon als een gewone zaterdagmiddag in Enschede: gezellig, maar laten we wel gewoon blijven doen.

Newcastle Beach

Newcastle Beach

Willekeurig parkje nummer 12.

Willekeurig parkje nummer 12.

Boven Newcastle ligt de natuurlijke haven Port Stephens, met een verzameling aan dorpjes langs de waterlinie. Tussen Newcastle en Port Stephens ligt het dorpje Stockton, dat naast de havenindustrie vooral draait op toerisme dat afkomt op het gigantische Stockton Beach met een gigantisch gebied aan zandduinen. Strandbuggies en 4WD’s kunnen zich hier wagen aan een zware tocht langs het water. Nou was ik dat met mijn stationwagon niet van plan, maar ik besloot er toch even een kijkje te nemen om te zien of er mensen waren die het er ondanks het steeds guurder wordende weer toch aan waagden. Ik kon het in ieder geval niet zien, maar met de stevige wind bij het water en zand was het zicht sowieso niet echt fantastisch. Het was wel een leuke baai om even uit te waaien.

Ze hebben een stevige industriehaven bij Stockton.

Ze hebben een stevige industriehaven bij Stockton.

Dat benne beste duine.

Dat benne beste duine.

De meer toegankelijke kant van Stockton Beach is een beetje stenig.

De meer toegankelijke kant van Stockton Beach is een beetje stenig.

Op naar Port Stephens dan maar, waar ik had gekozen voor het dorpje Nelson Bay. In tegenstelling tot veel andere kustplaatsen hebben deze dorpen allemaal niet echt een strand, dus de toerismesector moet het hebben van de mensen die gaan varen, zeilen of paragliden. Vast erg leuk om te doen, maar natuurlijk niet erg veel aan om te zien (paragliden is de uitzondering, maar ik gok dat het daarvoor gewoon net te hard waaide want ik heb er geen gezien). De wegen om het dorp heen waren wel gewoon leuke kronkelweggetjes door heuvelachtig platteland, dus ik hoefde me niet te vervelen.

Tegen de avond kwam ik aan bij twee dorpen aan weerszijden van de Myall River, met allebei toch wel heel creatieve namen: Tea Gardens en Hawks Nest. Hier werd het toch wel eens tijd om een slaapplek te zoeken, dus op naar de Myall River Campground. De timing had ik een beetje verkeerd ingeschat dus het was al donker toen ik over een onverlichte weg door het bos hiernaartoe moest: dat was een kwestie van geduldig met groot licht rijden, om zeker te weten dat ik geen overstekende hazen of koala’s van mijn motorkap zou hoeven schrapen. De camping haalde ik heelhuids, maar de regen was inmiddels toch wel vrij heftig geworden dus ik besloot maar lekker gebruik te maken van mijn grote auto: in plaats van een tent op te zetten klapte ik de achterbank neer en legde ik daar mijn matje en slaapzak in. Helemaal prima.

Natuur natuurlijk

De volgende ochtend was het opgeklaard, en toen het licht was kon ik eindelijk een beetje zien waar ik terecht was gekomen. Het eerste dat opvalt is dat de slogan van de camping “primitive riverside camping” toch met een zekere korrel zout genomen wordt door de meeste bezoekers – de faciliteiten van de camping zijn wellicht beperkt, maar dat neemt iedereen dus gewoon zelf mee.

"Schat, waar heb je de sattelietschotel gelaten?"

“Schat, waar heb je de sattelietschotel gelaten?”

Na het ontbijt werd het tijd om de dorpen eens wat beter te bekijken. Met name de Singing Bridge over de Myall River die de twee dorpen verbindt was volgens de locals wel de moeite waard om te bekijken, want zeker aan de kant van Hakws Nest zitten er aardig wat koala’s in de bomen. En ja hoor, toen ik erlangs reed met de auto zag ik er zowaar een zitten in een boom pal langs de weg. Te voet had ik helaas niet zulk geluk, want langs de weg in kwestie loopt geen voetpad en vanaf de brug kon ik ze een half uur later niet meer zien zitten. Ach ja, je kan niet alles hebben.

Door naar het Myall Lakes National Park, noordelijk van Hawks Nest. Fauna heb ik hier meer gehoord dan gezien, maar qua flora was er genoeg om een uurtje rond te wandelen. Er zitten een paar hele bijzondere bomen en planten tussen, en af en toe kun je van het pad even doorsteken naar de waterkant waar je een geweldig beeld krijgt van de omgeving van de meren. Achteraf had ik er spijt van dat ik niet gewoon bij Mungo Brush had gekampeerd (een paar kilometer verwijderd van Myall River Camp), want dan had ik midden in het park gezeten en had ik hetzelfde betaald – tegelijkertijd had ik nu genoeg tijd om alsnog rond te kijken, en bovendien was het weer een stuk beter geworden.

Prachtig om te zien, maar geen idee wat het is!

Prachtig om te zien, maar geen idee wat het is!

Dit is volgens mij de definitie van onthaasten.

Dit is volgens mij de definitie van onthaasten.

Dat kan hoger!

Dat kan hoger!

Het park is nogal langgerekt langs de kust en heeft dus een gigantisch stuk strand aan de zee (naast de strandjes aan de meren), maar op de meeste plekken van het park zie je dat niet omdat er een paar hoge duinen tussen het water en de weg liggen. Op de weg terug het park uit ben ik even gestopt bij de nogal to-the-point genaamde Hole in the Wall, waar een pad door de grote zandmuur steekt.

Behalve meren ook gewoon zee in het Myall Lakes National Park.

Behalve meren ook gewoon zee in het Myall Lakes National Park.

Na een tijdje hier doorgebracht te hebben vond ik het tijd om eens verder de kust af te reizen, dus op naar het volgende punt. Een beetje op goed geluk ben ik naar een plek gereden die ik in geen van de lijstjes of boekjes had gevonden, maar wel goed aangegeven stond: Seal Rocks. Genoemd naar een paar rotsen voor de kust is dit een sterk toeristisch dorpje dat vooral lijkt te bestaan op basis van vakantiehuisjes aan het strand, maar het hoogtepunt is een redelijke klim en daardoor gelukkig best rustig: Sugarloaf Point Lighthouse.

De zee heeft zich hier via een paar kronkelpaadjes een weg naar binnen gebaand.

De zee heeft zich hier via een paar kronkelpaadjes een weg naar binnen gebaand.

Sugarloaf Point Lighthouse met de naamgevende Seal Rocks op de achtegrond.

Sugarloaf Point Lighthouse met de naamgevende Seal Rocks op de achtegrond.

Er zijn niet heel veel mogelijkheden om rond te lopen (de wandelpaden zijn redelijk beperkt) maar het is genoeg om vanaf verschillende plekken spectaculaire beelden te krijgen. Een sterk zonnetje, een beetje bewolking en een frisse zeewind: dit beviel prima.

Seal Rocks Beach

Seal Rocks Beach

De volgende dorpjes: Blueys Beach en Boomerang Beach.

De volgende dorpjes: Blueys Beach en Boomerang Beach.

Vanaf Seal Rocks door naar Crowdy Head. Deze plek staat dan wel weer in de Lonely Planet en andere lijstjes, maar is eerlijk gezegd een stuk minder interessant. Gek genoeg voelt dit juist een stuk minder toeristisch aan, en meer als een klein plattelandsdorpje dat toevallig aan de kust ligt. Nou hoor je mij op zich niet klagen over de plaatjes, maar als je net een uitkijkpunt bij een vuurtoren hebt gehad voelt het toch iets minder spectaculair aan.

Volg die vissersauto!

Volg die vissersauto!

Crowdy Head Beach. Zo crowdy was het niet.

Crowdy Head Beach. Zo crowdy was het niet.

De weg voerde hierna weer even door wat meer bergachtig landschap, over de snelweg naar de stad die door velen wordt gezien als een tussenpunt op de weg van Sydney naar Brisbane: Port Macquarie. Dit stadje lijkt een beetje op Newcastle: het is een stukje groter dan de tussengelegen dorpen, en alhoewel het een paar flinke stukjes strand heeft lijkt het ook nog een aardige ‘gewone’ bevolking te hebben – het is best verfrissend om eens iets te zien dat zich niet zoveel van toerisme lijkt aan te trekken, zoals de buitenwijken van deze stad. Natuurlijk was ik er op een zondagmiddag, dus de dagjesmensen voerden wel de boventoon op de meeste plekken waar ik was.

Het gemiddelde snelwegbeeld rond de Central Coast.

Het gemiddelde snelwegbeeld rond de Central Coast.

Town Green langs de Hastings River

Town Green langs de Hastings River

De enige noemenswaardige heuvel in het centrum is natuurlijk bezet door een kerk.

De enige noemenswaardige heuvel in het centrum is natuurlijk bezet door een kerk.

De schemering begon op een gegeven moment toch wel voorzichtig in te zetten, dus het was tijd om eens een slaapplaats te zoeken. Vlakbij Port Macquarie ligt het Hat Head National Park, wat een paar goed aangeschreven kampeerplekken heeft. De rit naar het park toe was een leuke plattelandstocht, maar het park zelf bood toch wel een uitdaging: 3 kilometer aan heuvelachtige onverharde grindweg met bovendien stevige kuilen. De weg was gelukkig gortdroog, de voorspellingen waren ook goed en sowieso stonden er geen waarschuwingen dat het alleen voor de 4WD’s bedoeld was (die je verder op best veel plekken ziet bij onverharde wegen) dus ik waagde het erop. De auto had er uiteindelijk geen moeite mee, maar het was wel een stukje om even je hoofd bij te houden.

Geloof me, het werd nog veel erger.

Geloof me, het werd nog veel erger.

Hier ben ik toch maar even uitgestapt om te kijken of er diepe kuilen in zaten, maar dat viel mee.

Hier ben ik toch maar even uitgestapt om te kijken of er diepe kuilen in zaten, maar dat viel mee.

Eenmaal op de kampeerplek (met de geweldige naam Hungry Campground) werd het gelijk duidelijk dat het de moeite meer dan waard was geweest: ik werd opgewacht door een familie grazende kangoeroes. Ik was niet van plan er te veel in de buurt te komen om ze maar niet te veel te storen (het waren duidelijk een wat ouder mannetje en vrouwtje met drie kleintjes), maar ze leken prima op hun gemak in de buurt van mensen. Natuurlijk toch wel leuk om ze een keer van zo dichtbij te kunnen zien.

"Pap! Mam! We hebben bezoek!" "Eerst je gras opeten jongen."

“Pap! Mam! We hebben bezoek!” “Eerst je gras opeten jongen.”

Hoi!

Hoi!

Vanaf de kampeerplek kon je bovendien het gerommel van de zee horen. Nadat de tent eenmaal stond ben ik even op verkenningstocht gegaan, en nadat ik de heuvel achter mijn tent over was kwam ik een geweldig landschap tegen. Zee, strand, duinen en groen, met als bonus een paar mooie jakobsladdertjes. Ik was dik tevreden met dit stekje.

De achtertuin van Hat Head.

De achtertuin van Hat Head.

Mag het een tintje blauwer zijn?

De volgende ochtend heb ik mijn tent weer ingepakt (wederom onder toeziend oog van een groepje buideldieren) en ben ik na een beetje rondkijken in het park verder gegaan. De grote trekpleister in de regio is South West Rocks, maar op basis van wat ik had gehoord is dat niet veel bijzonders en dus ben ik een kijkje wezen nemen in een paar dorpjes die er in de buurt liggen: Stuarts Point en Scotts Head. Dit had bovendien als voordeel dat ik de Pacific Highway kon mijden en die verruilde voor de wat kleinere dorpsweggetjes.

Macleay River bij Stuarts Point

Macleay River bij Stuarts Point

Ik moest toch wel even gniffelen. Dit is nou Stuarts Points heuse Fourth Avenue.

Ik moest toch wel even gniffelen. Dit is nou Stuarts Points heuse Fourth Avenue.

Het strand bij Scotts Head...

Het strand bij Scotts Head…

...gewoon in je voortuin.

…gewoon in je voortuin.

De grote snelweg is op dit punt trouwens meer een provinciale snelweg die vrolijk door dorpjes steekt met verkeerslichten erbij – het is misschien wel de grote verbindingsweg tussen twee miljoenensteden, maar er gaat maar weinig verkeer de hele weg af. In de buitengebieden van Sydney is het dus een gescheiden weg met tussen de 4 en 10 rijbanen, maar hier op het platteland is het gewoon een simpele 2-baansweg.

De Pacific Highway loopt hier in Macksville gewoon over deze krappe tweebaansbrug.

De Pacific Highway loopt hier in Macksville gewoon over deze krappe tweebaansbrug.

Iets meer richting het noorden ligt Nambucca Heads. Ook dit is weer een toeristisch stranddorp, maar er komen hier meerdere rivieren op een bijzondere manier bij elkaar waardoor het toch wel de moeite waard is om even een kijkje te nemen.

De Inner Harbour bij Nambucca Heads.

De Inner Harbour bij Nambucca Heads.

Nambucca Heads vanaf Rotary Lookout. Hier komen de Nambucca River en Warrell Creek samen uit in de Tasmaanse Zee.

Nambucca Heads vanaf Rotary Lookout. Hier komen de Nambucca River en Warrell Creek samen uit in de Tasmaanse Zee.

Het exacte punt dat ik over de helft van de rit kwam weet ik niet echt aan te wijzen, maar tegen de tijd dat ik in Coffs Harbour kwam was ik er absoluut overheen. Port Macquarie ligt zo’n 400 km van Sydney en 550 km van Brisbane; Coffs Harbour draait de afstanden precies om. Sowieso draait het dingen een beetje om ten opzichte van Port Macquarie, kwam ik achter. De steden lijken in veel opzichten op elkaar (ze zijn ongeveer even groot, zijn slechts deels op toerisme gericht en hebben een best gezellig centrum) maar er is een kernpunt dat anders is: het centrum ligt niet aan de kust. De hoofdstraat in de meeste steden en dorpen langs de kust is juist langs het water gelegd zodat er automatisch veel mensen komen onderweg naar het strand, maar de grote straat (Harbour Drive) ligt hier gewoon daadwerkelijk centraal. Bovendien is een deel ervan voetgangervriendelijk gemaakt maar is de route van Harbour Drive naar het water meer op auto’s ingesteld, dus ze lijken hier juist te verwachten dat je liever een hotel in de stad dan aan het water zoekt. Het is even wennen, maar ik vond het een heel leuke stad en het was wel een prettige afwisseling op deze route.

Harbour Drive in Coffs Harbour.

Harbour Drive in Coffs Harbour.

Macauleys Headland

Macauleys Headland

Richting de Solitary Islands Coastal Walk.

Richting de Solitary Islands Coastal Walk.

De Pacific Highway gaat na Coffs Harbour even een stukje van de kust af, omdat in deze regio de grootste nederzetting wat meer landinwaarts ligt. Grafton is een leuk lief dorp, maar je zou er zo voorbij kunnen rijden: de snelweg gaat vooral door het kleinere South Grafton, en als je het centrum in wil moet je op het juiste moment de afslag pakken die je via een bochtige brug het water over brengt. Die bochten maken de brug nog wel een opgave voor bussen en trucks, want de bochten zijn best krap: je moet dus ook goed opletten dat je even wacht als je een grote tegenligger hebt die net indraait. Het gaat allemaal gemoedelijk, maar iets zegt me dat het met deze hoeveelheid verkeer toch eigenlijk niet meer uit kan om zo’n ouderwetse brug te hebben op deze plek. Nog iets dat de brug uniek maakt: het is een dubbeldekkerbrug, met treinen die onder het wegdek door gaan.

Stel je op deze brug even een blinde bocht van 60 graden in een helling voor.

Stel je op deze brug even een blinde bocht van 60 graden in een helling voor.

Een grote attractie van Grafton is Susan Island, een klein langgerekt eilandje in de Clarence River. Een deel van dit eiland is een beschermd natuurgebied vanwege de kolonie aan vleerhonden; de grootste in heel Australië. Helaas is er weinig van te zien overdag, want ze zijn vooral in de schemering en ‘s nachts actief. Aangezien ik er midden op de dag was werd dit helaas geen optie. In plaats daarvan heb ik dus maar gewoon een beetje de stad verkend. De scholen waren net uit toen ik rondliep, dus ik zag de schoolbussen gevuld worden en er was het nodige geschreeuw en gegil in de buurt van het centrum. Als je een beetje om je heen kijkt zie je bijzonder veel hotels, maar je krijgt niet echt het idee dat het heel toeristisch is dus het heeft een bijzonder authentieke sfeer.

Clarence River. Rechts is een stukje van Susan Island te zien.

Clarence River. Rechts is een stukje van Susan Island te zien.

Na Grafton werkt de weg zich weer rustig naar de kust toe, op weg naar Yamba. Het is wel duidelijk dat je weer in de buurt bent van de zee, want dit is gelijk een surfhotspot met een grote verzameling stranden en aangesloten resorts. Een leuke tussenstop, maar eerlijk gezegd niet meer dan dat.

Lekker terugcrossen naar de kust.

Lekker terugcrossen naar de kust.

Het teken dat je weer in toeristenland bent: de natuur is opeens weer aangelegd.

Het teken dat je weer in toeristenland bent: de natuur is opeens weer aangelegd.

Turner's Beach bij Yamba. Achter de stenenrij komt de Clarence River uit in de zee.

Turner’s Beach bij Yamba. Achter de stenenrij komt de Clarence River uit in de zee.

Natuurlijk meneer Garmin, hier kan ik prima rechtdoor.

Natuurlijk meneer Garmin, hier kan ik prima rechtdoor.

Lis is more

Vanaf Yamba heb ik de Pacific Highway verder gevolgd naar het noorden. Origineel had ik Lennox Head ingetikt als bestemming, maar toen ik door het dorpje Woodburn kwam zag ik opeens Lismore op de borden staan en realiseerde ik me dat ik dat ook op mijn lijstje had staan (maar blijkbaar was ik dat in Yamba vergeten). Op het laatste moment dus maar gewoon de afslag genomen en weer een stukje landinwaarts. Dit was een rit waarbij ik voor het eerst merkte dat de locals een stuk harder doorstuiven dan ik prettig vind, waarschijnlijk met name omdat het allemaal stevige utes en jeeps zijn die niet zoveel moeite hebben met het ruwe wegdek. Er stond dan wel 100 voor, maar ik vond 80 al hard zat en ben dus ook geregeld maar even aan de kant gegaan om weer eens iemand langs te laten (want er waren vaak genoeg tegenliggers om inhalen moeilijk te maken). Overigens gaat dat allemaal best netjes hier: bumperkleven doen ze niet echt en toeteren of flitsen al helemaal niet, en als ik ze laat passeren wordt er altijd dankbaar gezwaaid. Stads of boers, de Australische weggebruikers vind ik in het algemeen erg prettig.

Een van de betere stukken wegdek richting Lismore.

Een van de betere stukken wegdek richting Lismore.

Ze hebben er nogal een handje van om steden op borden te zetten zonder afstand erbij, en ik had bij de afslag Woodburn dus geen idee hoe ver het eigenlijk was naar Lismore. Na een half uurtje te rijden besloot ik om het toch eens op de Garmin in te tikken voor wat meer inzicht, en die wist gelukkig te vertellen dat het nog zo’n 10 minuten verder was. En ja hoor, op een gegeven moment kom je een heuvel over en zie je een flink dorp verschijnen tussen alle boerenbedrijven.

Dit dorp heeft zich echt netjes om de bestaande natuur heen gevormd.

Dit dorp heeft zich echt netjes om de bestaande natuur heen gevormd.

Lismore is groot genoeg dat het daadwerkelijk een CBD heeft - maar als de bordjes er niet hadden gestaan zou je het niet zeggen.

Lismore is groot genoeg dat het daadwerkelijk een CBD heeft – maar als de bordjes er niet hadden gestaan zou je het niet zeggen.

Lismore stond op mijn lijstje vanwege twee diersoorten die hier erg goed te vinden zijn. De eerste daarvan is de koala – in veel dorpen zie je waarschuwingen langs de wegen dat ze soms oversteken, maar sinds Hawks Nest had ik ze niet meer gezien – en de tweede is de platypus. Dit is een bijzonder schuw beestje en is vanwege z’n gevoeligheid voor luchtkwaliteit praktisch niet te vinden in stedelijk gebied, maar Lismore is op de een of andere manier een uitzondering. Het kleine beekje Tucki Tucki Creek loopt door de stad heen en heeft er bovendien een mooi pad langs lopen, maar als je niet weet dat het er zit zou je het niet kunnen vinden. Mogelijk is het mede daardoor goed geconserveerd, en het begint zelfs met een stuk bos met tientallen vlindersoorten die rondfladderen. Ik ben absoluut geen expert, maar als je een beetje rondkijkt en zoveel verschillende kleuren ziet kan ook ik me wel indenken dat dit een best bijzondere verzameling is; zeker midden in een stad.

Tucki Tucki Creek toen het nog licht was.

Tucki Tucki Creek toen het nog licht was.

De platypus is het meest actief rond zonsopgang en zonsondergang, dus ik was helemaal blij dat ik tegen het vallen van de avond in Lismore was aangekomen. Desalniettemin wordt het je niet makkelijk gemaakt: ik heb een aardige tijd rondgelopen langs de beek en me meerdere keren afgevraagd of ik wel op de juiste plek was (totdat ik zowaar ergens een bordje tegenkwam met informatie over het beestje). Het was bijna een uur verder – en de lucht was inmiddels dieprood – toen ik er eindelijk een langs zag zwemmen. Wanneer je zo’n vreemd wezen met je eigen ogen in de natuur ziet waarvan je als kind al verhalen hoorde over hoe raar het is dat de soort überhaupt bestaat, dan is dat toch wel een beetje een magisch moment. Zo bijzonder zelfs dat ik helemaal ben vergeten een foto te maken, dus ik kan het helaas niet met jullie delen.

Nu het echt donker was realiseerde ik me dat ik nog op zoek moest naar een slaapplek, want dat was ik helemaal vergeten. De camping in de Lonely Planet bestond niet meer, en de camping in de campinggids bleek wel erg duur voor erg weinig, dus het was even puzzelen. Uiteindelijk heb ik besloten een rest stop op te zoeken net buiten de stad – als truckies er mogen slapen is het vast geen probleem dat ik er in mijn auto slaap. Het was even wennen om met af en toe langssuizende trucks te proberen te slapen, maar het lukte prima.

Met het ontbijt achter de kiezen was het de volgende ochtend tijd om eens te kijken of ik die andere diersoort kon vinden, de koala. Natuurlijk had ik er al eens een gespot bij de Singing Bridge, maar ik wou nu toch wel een poging doen er eens een op de foto te zetten. Er zijn meerdere plekken die worden aangeraden om te bezoeken in de stad, en ik ben maar eens begonnen met Robinsons Lookout. Ergens weggestopt op een klein heuveltje achter de woningen hebben ze een klein uitkijkpunt gemaakt waar je tussen het groen door mooi op de stad kunt neerkijken, en in de laatste jaren zijn er veel eucalyptusbomen geplant om de koalas erheen te trekken. Het was een leuk plekje, maar ik had hier helaas geen geluk: na een half uur gaf ik het maar gewoon op.

Robinsons Lookout

Robinsons Lookout

Een van de vreemdere plekken die wordt aangeraden is een bos achter het crematorium van de stad. Ik vond het niet zo’n geweldig idee om bij een crematorium te parkeren op zoek naar koala’s, maar ik besloot er toch maar eens langs te rijden om te kijken of ze hier inderdaad zaten. En ja hoor, juist hier zat er eentje rustig te ontbijten bovenin een boom. Het derde aangeraden punt lag even verderop (bij een onderzoeks- en verzorgingscentrum genaamd Friends of the Koala) dus ik had er goede moed in dat ik ze daar, met wel een fatsoenlijke parkeerplaats in de buurt, ook zou kunnen vinden. Maar het zat niet mee: ook hier heb ik weer een half uur voor niks gewacht. Op een gegeven moment ben ik toch maar weer teruggereden naar het crematorium in een poging het daar toch maar te proberen, maar de eerder gespotte grijze vriend was inmiddels vertrokken dus dat werd ‘m ook niet. Geen foto’s voor het thuisfront dus helaas, maar gelukkig hebben we de herinneringen nog.

Het parkje achter Friends of the Koala

Het parkje achter Friends of the Koala

Ik heb die ochtend nog een beetje de sfeer geproefd van Lismore. Het voelt al met al nogal als wat Canberra zou zijn als ze het niet zo groots hadden willen aanleggen “omdat het een hoofdstad is”. Ook hier is er lekker veel groen, is het ruimtelijk maar wel gezellig, zit je tussen de natuur maar is er toch een flinke industriële kern. Deze stad komt in weinig oostkust-lijstjes voor die ik heb gezien en wordt naar mijn mening echt onderbelicht. Anders gezegd: ik ben erg blij dat ik op de bewegwijzering heb gelet, want anders was ik bij Woodburn toch zomaar doorgereden en had ik dit moeten missen.

Closing on the border

Met dit binnenlandse pareltje achter de rug reed ik nu toch echt door naar Lennox Head, terug naar de toeristische kust. Ik zat inmiddels toch zo’n 750 km ten noorden van Sydney, en gecombineerd met het steeds beter wordende weer sinds ik vertrok zorgde dat ervoor dat het toch wel duidelijk warmer was dan de zuidelijke kustplaatsjes. Inmiddels was het dinsdag, maar aan de levendigheid zou je het niet afleiden: er waren genoeg gezinnen aan het strand te vinden tijdens schooltijd (met stevige Aussie accenten) en natuurlijk steeds meer surftoeristen die hun kunstjes wouden vertonen. Lennox Head is aan de ene kant weer een standaard badplaats met de main strip op zee gericht, maar daarnaast heeft het ook een groot meer aan de andere kant van de hoofdstraat met een stuk rustiger water. Het promotieverhaaltje is dat de bomen hier veel tannine afgeven; het water oogt er misschien onprettig bruin door, maar het blijkt erg goed te zijn voor je huid. Waarschijnlijk erg handig als je net je huid hebt aangevallen met het zout uit het zeewater.

Seven Mile Beach bij Lennox Head, met gratis rioolafvoer.

Seven Mile Beach bij Lennox Head, met gratis rioolafvoer.

Op weg naar Pat Morton Lookout.

Op weg naar Pat Morton Lookout.

Ballina en Skennars Head

Ballina en Skennars Head

Seven Mile Beach vanuit een ander perspectief.

Seven Mile Beach vanuit een ander perspectief.

Lake Ainsworth

Lake Ainsworth

What’s in a name?

De volgende stop: Byron Bay. Dit is een beetje een bijzonder geval, want dit dorpje kende ik (bij naam) allang voordat ik me in Australië ging verdiepen. Voor veel mensen is dit een van de beroemde bestemmingen om te gaan surfen, maar ik ken het vooral vanwege een stukje trivia omtrent een band die zichzelf heeft vernoemd naar de straat waar een van hen is opgegroeid, en waar het huis staat waarin ze in den beginne hebben geoefend: Parkway Drive. Toen ik de week voor vertrek nog eens opzocht waar deze straat ook alweer lag kwam ik erachter dat ik natuurlijk lang niet de enige fan ben die op het idee is gekomen even een bezoekje te brengen aan deze straat; sterker nog, er blijkt al jaren een probleem te zijn met straatnaambordjes die worden gestolen als souvenirs. Ik verwachtte daarom eigenlijk dat wanneer ik er eenmaal zou zijn er helemaal niks zou zijn om te zien (laten we wel wezen: de straat zelf interesseert me eigenlijk vrij weinig) maar toch besloot ik er maar gewoon op af te rijden. Wonder boven wonder hing het bordje er zowaar nog.

Ah, dus deze weg moet ik in rijden als ik wil parkeren?

Als je eenmaal door de straat heen rijdt kom je er trouwens achter dat het niet bepaald een stereotype achterstandswijk is waar metalbands meestal worden opgericht; dit zijn kasten van huizen, bovendien in een booming toeristenstad. Wel grappig om te zien: het bordje aan de andere kant van de straat was wel degelijk verdwenen – het frame hing er een beetje zielig leeg bij.

Wat een armzalige bedoening.

Wat een armzalige bedoening.

Het centrum van Byron Bay vond ik best druk en had niet echt iets wat me trok, dus na een kort kijkje hier ben ik toch maar weer naar buiten gereden, naar (eerlijk is eerlijk) een andere tourist trap. De vuurtoren op Cape Byron is de krachtigste en meest oosterlijke van de oostkust volgens de boekjes – heel leuk natuurlijk, maar dat maakt het niet interessant om te bezoeken. Wat er wel leuk aan is is het geweldige uitzicht dat je er hebt. Als je dit zo leest zou je misschien denken dat ik het inmiddels wel gehad heb met uitkijken over de kustlijn (zeker omdat ik het al een tijdje over “nog een strand” hebt) en dat was wel een beetje waar, maar dit was zonder twijfel het meest spectaculaire beeld van de hele reis en daarom toch wel weer erg mooi.

Cape Byron Lighthouse

Cape Byron Lighthouse

Achter het wachtershuisje loopt Seven Mile Beach, met in de verte Lennox Head.

Achter het wachtershuisje loopt Seven Mile Beach, met in de verte Lennox Head.

Byron Bay, en de baai van Byron.

Byron Bay, en de baai van Byron.

Onderweg naar Goudkust

Het vooruitzicht na Byron Bay was het absolute hart van strandtoerisme, de Gold Coast, dus om nog een laatste keer even iets anders te zien voordat ik me daarin stortte heb ik een kleine omweg gemaakt via een paar dorpjes. Mullumbimby en Brunswick Heads zijn niet veel groter dan Lennox Head, liggen niet zo ver naar het binnenland als Lismore maar zijn toch wel een stukje verwijderd van de kust; deze mengelmoes zorgt voor kleine maar bijzonder veelzijdige dorpjes. Het is heel leuk om hier even rond te kijken en te zien hoe de sfeer van kust en het zogenoemde hinterland samenkomen in deze erg compacte dorpjes, al is het maar om weer even te zijn waar voor je gevoel bijna geen enkele toerist de weg naar weet te vinden.

De weg naar Mullumbimby, met Mount Jerusalem op de achtergrond.

De weg naar Mullumbimby, met Mount Jerusalem op de achtergrond.

Mullumbimby

Mullumbimby

Brunswick Heads

Brunswick Heads

Maar daarna ging de weg gewoon verder naar het noorden, en ik moest er toch echt aan geloven. Bij het binnenrijden van Tweed Heads was ik aangekomen bij het zuidpuntje van de Gold Coast, en de laatste grote stad voor de grens met Queensland. Wat opvalt als je op de stad afrijdt is dat het een bijzonder grote stad is (dat verwacht je niet, zo’n stuk voor Brisbane) met zowel een grote toerismesector richting het strand als een grote industriële haven. Toen ik de weg eenmaal vervolgde richting het noorden werd al snel duidelijk dat dit het enige stukje is van de Gold Coast waar niet iedereen zijn kost lijkt te verdienen met toerisme.

Tweed Heads vanaf de Pacific Highway.

Tweed Heads vanaf de Pacific Highway.

Ik weet achteraf niet helemaal waarom ik niet gewoon vanuit Tweed Heads via Coolangatta door ben gereden (of waarom de Garmin dat logisch vond), maar op de een of andere manier leek het me logisch om terug te gaan naar de Pacific Highway en op die manier Queensland in te rijden. Verreweg het meest opvallende aan de staatsgrens is dat mijn Garmin opeens een aankomsttijd in het verleden leek te voorspellen; Queensland doet namelijk niet aan zomertijd, dus de klok schiet bij de grensovergang een uur terug. Handig, die automatisch synchroniserende klokken, maar m’n autoradio heeft die nog niet.

De staatsgrens. Rare jongens, die Queenslanders.

De staatsgrens. Rare jongens, die Queenslanders.

Bij Coolangatta ben ik de snelweg afgegaan, de Gold Coast Highway op. Dat klinkt misschien als een grote weg, maar effectief is de Gold Coast gewoon een grote gemeente en is dit de grote weg die dwars door alle wijken loopt.

De skyline van Broadbeach

De skyline van Broadbeach

Volgens de verhalen was ik er tijdens de stilte voor de storm; tijdens schoolies week is de Gold Coast de hoofdbestemming voor eindexamenleerlingen vanuit heel Australië, en dat zijn er wel wat. Zoals we in Nederland de feestverhalen van Ibiza en Chersonissos kennen, draaien de verhalen hier om Burleigh Heads en Surfers Paradise. Als je mij ook maar een klein beetje kent weet je dat dit soort oorden niet bepaald mijn favoriet zijn, maar het is toch wel leuk om er even rond te kijken. Het duurde niet lang voordat ik erachter kwam dat als dit de stilte voor de storm is, ik blij was dat ik niet een week later langskwam.

Surfers Paradise

Surfers Paradise

Een van de meest absurde dingen die ik me realiseerde is dat er opeens heel veel hoogbouw is (die had ik verder sinds Sydney eigenlijk niet gezien) maar bovendien dat al die hoogbouw gevuld is met hotels en appartementen – niks kantoorpanden, niks zakendistrict, gewoon honderd procent gericht op mensen die komen voor zon, zee en strand. Daarnaast is alles werkelijk blinkend schoon, wat in combinatie met de felle zon plaatjes oplevert waar de gemiddelde marketingmachine puur goud van maakt. Op een gegeven moment dacht ik bij mezelf dat dit toch wel erg lijkt op de standaard beelden van Miami, en prompt passeerde ik een bordje dat Miami Beach aankondigde – natuurlijk is er ook hier een wijk met die naam (als je de naam van een hotel kan overnemen met Surfers Paradise kun je prima de naam van een andere stad ook meepakken). Als ik een vergelijking moet maken met een stad waar ik wel degelijk geweest ben, dan lijkt het uitzonderlijk veel op San Diego, maar dan met de mindset van het naastgelegen Coronado.

Een kerstboom bij 30 graden...het is even wennen.

Een kerstboom bij 30 graden…het is even wennen.

Natuurlijk ben ik echt wel even uitgestapt om eens rond te kijken op de stranden, maar om eerlijk te zijn is dat niet zo heel veel bijzonders als je de rest van de stranden langs de kust hebt gezien. Het bijzondere aan de Gold Coast is de sfeer en de cultuur, dat gevoel dat tijd gewoon stilstaat en dat er helemaal geen ‘echte wereld’ meer bestaat buiten het strandleven. Zelf moet ik er niet aan denken om hier een tijdje door te brengen (laat staan er te wonen) maar ik snap absoluut wat mensen hiernaartoe trekt. Zelfs ik moet toegeven dat het best een mooi plekje is (toch Lidewij?) en alleen al om even het sfeertje te proeven absoluut een bezoekje waard.

No sleep ’til Brisbane

Rond Southport buigt de Gold Coast Highway weer af richting de Pacific Highway, en toen ik die grote snelweg weer had gevonden reed ik af op de echte grote skyline van Queensland.

Well hello there.

Well hello there.

Driving along by the Brisbane River...

Driving along by the Brisbane River…

Brisbane binnenrijden is wel een geweldige ervaring. Als je Sydney in wilt komen rijd je stukje bij beetje verder de stad in maar zit je al snel in stapvoets stadsverkeer; in Brisbane rijd je met gemak via de grote snelweg dwars het centrum in. In Sydney kost het je een klein uur om vanaf de rand van de stad in het centrum te komen; in Brisbane was ik een kwartier na het zien van de skyline geparkeerd in hartje centrum. Zo’n 3,5 dag na het verlaten van Sydney en 1492 kilometers verder had ik mijn bestemming bereikt. Stop de tijd.

Queens Park

Queens Park

To be continued

Deze reis was zo volgepakt dat ik heb besloten het avontuur op te splitsen in twee delen. De terugreis, waarbij ik de kust links heb laten liggen en een binnenlandse route heb genomen, komt dus later aan bod.

Guiding and touring

Nadat ik zo’n zes weken lekker in m’n eentje van het leven Australië te genieten kreeg ik er een week lang wat gezelschap bij. De vrouw des huizes van het thuisfront vond mijn reis naar het zuidelijk halfrond een goede smoes om zelf ook eens een kijkje te nemen in Sydney. Het was eigenlijk voor het eerst dat het echt voelde alsof ik in het buitenland woonde, omdat je opeens automatisch een gids wordt wanneer er een gids langskomt. Iemand ophalen van het vliegveld, leuke plekken aanwijzen in de stad en wegwijs maken in het lokale OV – opeens voelt het alsof ik echt een inwoner ben van Sydney.

Een prinsenonthaal

Doordeweeks bleef ik natuurlijk gewoon aan het werk, dus de gezamenlijke activiteiten werden beperkt tot de avonden en weekenden. Tijdens het eerste weekend besloten we maar gelijk gebruik te maken van het feit dat ik een auto heb, en was het tijd om de kustlijn naar het zuiden een beetje te verkennen. Dus op naar de Princes Highway, kijken wat voor uitzichten de kustlijn brengt. Het duurde niet lang voordat we bij een uitkijkpunt kwamen, bij Stanwell Tops.

IMG_1473

Stanwell Park, Coalcliff en de Sea Cliff Bridge

Behalve het indrukwekkende uitzicht is de hele route langs de kustdorpjes richting de stad Wollongong goed te zien, en het zicht daarop geeft een goede indruk van hoe die route was tijdens het rijden. Heuvelachtig door lieve kleine dorpjes met continu uitzicht over de zee. Niet te vergeten met een stevig zonnetje waardoor het lekker met de ramen open kon. Af en toe maak je dan natuurlijk wat tussenstops om eens te kijken waar je nou weer bent beland.

Koonawarra Bay

Koonawarra Bay

Lekker vissen

Lekker vissen

Eenmaal in de Illawarra zijn we even op zoek geweest naar plekken om te snorkelen. Dat bleek moeilijker dan gedacht, want in tegenstelling tot wat je zou verwachten lijken er weinig plekken te zijn waar je de nodige spullen kan huren of kopen aan het strand. Bovendien waren de meeste stranden een beetje ondiep. Volgens wat ik had gehoord was Shellharbour een van dé plekken om de zeebodemtoerist uit te hangen, maar de weinige stukjes strand die er te vinden waren bleken niet erg geschikt.

Shellharbour South Beach

Shellharbour South Beach

De reis bracht ons op een gegeven moment naar Jervis Bay, waar het toch wel een keer tijd werd om een slaapplek te zoeken. Zonder er erg in te hebben leken we in het stadje Huskisson de lokale versie van Scheveningen gevonden te hebben, met bijzonder veel lokale weekendtoeristen – alle accomodatie zat dus bomvol. Nadat we bijna hadden opgegeven en verder wouden kijken vonden we op het laatste moment toch nog een plek, en dus konden we de avond daar doorbrengen. Het weer was gelukkig goed genoeg om even een stukje van de baai af te wandelen, gevolgd door een paar biertjes en hamburgers.

Huskisson

Huskisson

White Sands Beach (maar zo wit was het niet)

White Sands Beach (maar zo wit was het niet)

Het uitzicht kan slechter

Het uitzicht kan slechter

De volgende dag was de insteek vooral om een toeristische route terug te nemen – af en toe letterlijk door een paar Tourist Drives te volgen. In eerste instantie was dat richting het zuiden, en daarna rustig landinwaarts om vervolgens weer naar het noorden te gaan. Ook al zit je niet meer aan de kustlijn, af en toe zijn er wat meren die nog steeds leuke plaatjes opleveren.

St Georges Basin

St Georges Basin, Sanctuary Point

Maffe beestjes zijn het toch

Maffe beestjes zijn het toch

Langs de weg waren er af en toe ook wat stuiterende buideldieren in de weilanden – ik ben natuurlijk geen expert, maar ik denk dat het wallabies waren omdat ze wat klein leken voor kangoeroes. Desalniettemin is het natuurlijk mooi om ze een keer in het echt te zien, want ook met mijn anderhalve maand in dit land had ik die nog niet eerder gespot.

De route bracht ons vervolgens door het heuvelachtige Kangaroo Valley, met een paar mooie uitzichten en mooie bochtige wegen – duidelijk ook een genot voor de motorrijders op deze zonnige zondag, want de Harley’s, Indian’s en Victory’s vlogen ons om de oren. Hoe mooi de route ook was om te rijden, de auto vond het op een gegeven moment duidelijk genoeg want er ging een alarm af op het dashboard: de motor werd nogal warm. Tijdens het afkoelen langs de weg werd het wel duidelijk hoe behulpzaam de cultuur van automobilisten hier is, want nog geen twee minuten later stopte er iemand om te vragen wat er aan de hand was en mee te kijken. Niks mis het de koelvloeistof en het oliepeil, dus ik gooide het maar op het gestotter van de automaat bij de grenzen van versnellingen die de auto sinds mijn trip naar de Blue Mountains had. De eerste APK stond al in de planning (sinds de aanschaf had ik al bijna 5000 km geklokt, dus de routinecontrole kwam in de buurt) dus een groot probleem zou het waarschijnlijk niet zijn. Na het afkoelen kwam het probleem niet meer terug: het werd wellicht wat warm bij het klimmen, maar niet meer gevaarlijk veel. (Bij de APK zou later blijken dat de bougies de mist in gingen met hun timing.) De terugreis verliep verder zonder problemen.

Van de hele terugreis heb ik trouwens geen verdere foto’s, want met een bijrijder heb ik er niet aan gedacht om die zelf te maken. Een Google Image Search geeft je echter wel een prima indruk (al is het misschien een beetje valsspelen).

University of Twente, I presume?

De volgende week was in principe een normale werkweek, maar de woensdag was een beetje een uitzondering. Allereerst had het Nederlandse consulaat in Sydney een promotieactie voor Nederland opgezet door de teams uit de World Solar Challenge naar Sydney te halen. Het team uit Eindhoven was afwezig (die hadden naar ik begreep wat sponsorverplichtingen in China te vervullen) maar zowel Twente als Delft waren van de partij. Als je aan de andere kant van de wereld opeens wat medestudenten kunt is dat natuurlijk een mooie kans om toch even de trotse Enschedeër uit te hangen, dus ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om die dag vanaf thuis te werken, zodat ik in de lunchpauze even naar Martin Place kon wandelen om persoonlijk wat felicitaties uit te delen. Met een blauwe Batatrui aan, want ik moest natuurlijk wel iets van de UT (uit)dragen.

Poffertjes!

Poffertjes!

In de avond zijn we naar het Sydney Opera House geweest. Er was zowaar een betaalbare voorstelling in de grote zaal, dus dat was een mooie kans om het gebouw eens van binnen te zien. Het was een muzikale opvoering van leerlingen van openbare scholen uit de staat, met verrassend veel afwisseling en kwaliteit maar zonder het elitaire gedoe dat je misschien verwacht van een podium met de reputatie van een operagebouw. Een korte indruk van het gebouw: de architect heeft er duidelijk zijn best op gedaan om het zo bizar mogelijk in te delen. Het is eigenlijk een stuk indrukwekkender als architectureel project dan als concertpodium, en de buitenkant is dan ook een stuk interessanter dan de binnenkant. Desalniettemin is het natuurlijk wel leuk om er een keer binnen geweest te zijn.

Goed te pas

Tijdens het volgende weekend was het weer tijd om de auto te pakken, ditmaal richting de Blue Mountains. Het stukje wat ik eerder had gezien was de noordelijke route langs de Bells Line Of Road, terwijl de grote toeristische stops langs de Great Western Highway voor mij vooral onzichtbaar waren in het donker op mijn terugreis vanaf Bathurst. Het was dus ook voor mij wederom een leuke verkenning van een nieuw stuk gebied. De route leidde naar Wentworth Falls, waar een spectaculaire wandelroute langs de National Pass bekend staat als de mooiste wandelroute van Australië (dank aan Jan Jaap voor de tip).

Empress Falls

Empress Falls

De wandeling is 5,5 km maar er staat 3,5 uur voor, en het wordt al vrij snel duidelijk waarom. Het grootste deel van de wandeling loopt langs de klifwanden en is relatief goed te doen, maar om daar te komen moet je een stevige afdaling maken en aan het einde staat er weer een flinke klim voor het terugkomen in de bewoonde wereld. Op zich is het allemaal niet heel moeilijk, maar het is natuurlijk belangrijk dat je goed oplet dus je gaat automatisch met een slakkengang over de route. Nou maakt dat niet uit, want het is een goede smoes om af en toe even rond te kijken. Geen seconde van de wandelroute is saai te noemen.

Hallo rotswand

Hallo rotswand

Er was regen voorspeld voor de dag, maar de voornaamste nattigheid kwam tijdens de wandeling van de vele watervalletjes. Het was bovendien niet te warm, wat tijdens een bergtocht natuurlijk wel prettig is.

Grooooeeeeen

Grooooeeeeen

Een van de dingen die nu een stuk beter zichtbaar was dan tijdens mijn eerste reis door de bergen: de blauwe mist waaraan de Blue Mountains hun naam ontlenen. De wetenschappelijke achtergrond is dat de eucalyptusbomen in de regio door de zon een blauwige olie afgeven – maar laten we eerlijk zijn, wat de achtergrond ook is, het ziet er gewoon erg bijzonder uit.

Blaaaaauuww

Blaaaaauuww

Alles meegerekend duurde de wandeling uiteindelijk slechts een krappe 3 uur, dus er was nog ruim genoeg tijd om even verder te kijken in het National Park. Weliswaar geen wandelingen meer (het was ons wel goed afgegaan, maar je kunt ook overdrijven) maar even naar een uitzichtpunt lopen zat er nog wel in. Niet zo ver van Wentworth Falls ligt het dorpje Katoomba, wat volledig om het uitzichtpunt Echo Point gebouwd lijkt te zijn. In plaats van een lange route was het hier simpelweg 100 meter van parkeerplaats naar uitzichtpunt, waar we een kijkje konden nemen bij de hoofdattractie van de Blue Mountains: de bergformatie die bekendstaat als The Three Sisters.

De drie zusjes, gezellig samen versteend

De drie zusjes, gezellig samen versteend

Wellicht dat het is omdat je er gewoon op af kan rijden in plaats van echt moeite te hoeven doen om er te komen, of misschien is het omdat het uitzicht vanaf 1 punt niet zo veranderlijk is als langs een route, maar hoe dan ook voelde het om eerlijk te zijn een beetje als een anticlimax na de National Pass. Het ziet er natuurlijk bijzonder uit, maar na een paar minuten heb je het eigenlijk wel gezien. Bovendien was het hier gelijk een stuk drukker dan op de wandelroute, waardoor het niet meer echt voelt alsof je in een natuurgebied staat. Leuk om gezien te hebben, maar (zoals natuurlijk wel vaker met dingen die bekendstaan als hoofdattractie) minder indrukwekkend dan je zou verwachten.

Een massieve bezigheid

Enigszins tegen de verwachtingen in was het nog licht toen we terugkwamen in Sydney, met een lange avond om even lekker uit te rusten. Voor mij zat de dag er nog niet op, want nadat ik op Defqon.1 veel mensen enthousiast had gehoord over hét feest van Sydney had ik een ticket geregeld voor MASIF. Mijn eerste keer dat ik het uitgaansleven van deze miljoenenstad zou verkennen, en bovendien was het op 31 oktober: het Halloweenthema was dus onvermijdelijk.

Lazors!

Lazors!

Als ik heel eerlijk ben: het viel een beetje tegen. Ik snap dat ze hier legitimatie wat serieuzer nemen dan in Europa omdat de boetes rond minderjarig alcoholgebruik hoger zijn, maar als je als nachtclub besluit je toegangsbeleid met een computer uit te voeren die 5 minuten nodig heeft om je te herkennen in je paspoortfoto (met als gevolg dat ik meer dan een uur in de rij moest staan voordat ik binnen was) is dat geen geweldig begin van de avond. Wat ze met de vloer hebben uitgespookt weet ik niet, maar die was zo veerkrachtig dat het voelde alsof je op de meest onveilige podiumdelen mogelijk stond te springen. Vervolgens blijkt dat de barren geen taps hebben waardoor je de hoofdprijs betaalt voor bier uit een flesje, wat ook nog eens Heineken blijkt te zijn (ik heb me zelden zo afgezet gevoeld als toen ik daar 11 dollar voor moest neerleggen). Al met al is het een beetje een vreemde gewaarwording als dit dé plek is voor hardstyle in deze stad (en zelfs het feest waar alles DJ’s van Defqon als afterparty heen gingen). Het maakt toch wel duidelijk dat Nederland, hoe klein we ook zijn, met reden wordt beschouwd als wereldmarktleider op het gebied van dancefeesten en -festivals. Ook hier was dat weer zo, want de grootste acts van de avond werden allebei ingevuld door een Nederlander, en dat was maar goed ook: Max Enforcer en Evil Activities maakten met hardstyle respectievelijk hardcore de avond voor mij toch nog een geslaagde onderneming. Dat ik ook nog even mijn buurman van de Defqon-camping tegen het lijf liep was een mooie bonus.

Je staat er in Europa trouwens waarschijnlijk niet bij stil, maar alhoewel de finale van het WK Rugby tussen Australië en Nieuw-Zeeland was werd deze gespeeld op de Britse prime time – voor de lokale tijdzone begon de wedstrijd daardoor op het geweldige tijdstip van 3 uur ‘s nachts. Tegen de tijd dat het feest ten einde liep om 5 uur kon ik dus nog net de afdruipende gezichten van het Australische team zien op de TV’s in het loungegedeelte van de club, aangezien ze zojuist hadden verloren (niet geheel tegen de verwachtingen in trouwens). Dat was overigens lang niet zo bijzonder om te zien als de binnenstad van Sydney vlak voor zonsopgang, die voor de verandering best leeg en stil was. De voornaamste geluiden kwamen van de taxi’s die de stad afspeurden op zoek naar uitgaanspubliek dat niet meer op eigen kracht naar huis kon. (Wat dat betreft: of het te maken heeft met onze vroegere lagere alcoholleeftijd of de algemene cultuur weet ik niet, maar het Nederlandse uitgaanspubliek weet duidelijk een stuk beter met alcohol om te gaan dan de jonge Australiërs hier. Met name de volop aanwezige Aziatische tieners wisten duidelijk niet waar hun grenzen lagen en heb ik geregeld afgevoerd zien worden door de beveiligers.)

I am the eye in the sky…

Ter afsluiting van het gezamenlijke weekje was het zondagavond de beurt aan de Sydney Tower Eye om eens te laten zien hoe Sydney er van boven uitziet. Het was een beetje regenachtig, maar desondanks gaf het, eerst in de schemering en daarna in het donker, een mooi beeld van de stad. Behalve het CBD kent de stad niet heel veel hoogbouw, maar het is wel fotogeniek vanwege de vele heuvels en de vormen van de Harbour die door de stad kronkelen. En natuurlijk is het best leuk om je eigen huis te kunnen aanwijzen.

Ik woon bij het 121e lichtje van links...

Ik woon bij het 121e lichtje van links…

Sparks flyin’

Op maandag had ik opeens weer het rijk alleen, en ging het dagelijks leven weer verder. Tot nu toe was er meestal na het weekend niet zoveel te melden, maar dit keer was er toch een uitzondering: ik mocht na de verschillende hardstylefeesten weer even de oude rol van metalhead oppakken (terug in het zwart, zo je wilt) bij het zien van niemand minder dan AC/DC. Niet alleen moest ik deze legendes nodig een keer zien voordat ze allemaal dood neervallen (of het tehuis in moeten zoals Malcolm Young met zijn zware dementie) maar bovendien kon ik ze zien in de stad waar het in de jaren ’70 allemaal begon.

Back in...green?

Back in…green?