Coast to coast cross-country

Op een vroege zondagochtend vertrok ik uit Adelaide, vol richting het noorden. In tegenstelling tot m’n route naar Broken Hill betekent dat echter niet gelijk dat je de zuidkust achterlaat, want de oceaan heeft zich rond Adelaide nogal naar binnen gewurmd. Vanaf Port Augusta, zo’n 300 kilometer ten noorden van Adelaide, begint de woestijn dan echt.

Twee snelwegen van duizenden kilometers lang, naar het westen en naar het noorden.

Twee snelwegen van duizenden kilometers lang, naar het westen en naar het noorden.

In for the long haul

Ik had niet echt een harde planning gemaakt voor waar ik precies wou uitkomen, want ik wist niet zo goed hoe de lange ritten me zouden vallen. Mijn plan was om gewoon te rijden met de nodige tussenstops, en bij elke tussenstop eens kijken hoeveel daglicht ik nog had en wat voor opties dat me gaf voor slapen. Met andere woorden: cruise control op 100, audioboek aan en gaan. Mag je maar 100 dan? Nee, je mag in SA het grootste deel van de weg 110 rijden, maar de gemiddelde road train rijdt 100 dus ik wou op deze manier voorkomen dat ik veel combinaties van 55 meter hoefde in te halen. En zodra je de Stuart Highway oprijdt kom je die opeens best veel tegen, met 3 of 4 aanhangers achter elkaar.

Zoutmeren rond Lake Eyre.

Zoutmeren rond Lake Eyre.

Een heel normale lengte, en niet eens de langste op de weg.

Een heel normale lengte, en niet eens de langste op de weg.

Vroem.

Vroem.

De snelweg is in South Australia nogal dunbevolkt, en er zijn praktisch geen dorpen te vinden. Het grootste teken van leven dat je af en toe tegenkomt is een roadhouse, een soort combinatie van hotel, camping, supermarkt en tankstation. En natuurlijk een kroeg.

Glendambo Roadhouse

Glendambo Roadhouse

Bij m’n eerste stop in Pimba raakte ik binnen aan de praat met 3 mannen die rond het middaguur duidelijk al het een en ander achter de kiezen hadden. Het bleken wegwerkers te zijn die hun werk midden in de nacht deden zodat ze nog een beetje draaglijke temperaturen hadden. In eerste instantie spraken ze me aan omdat m’n AC/DC-shirt goed viel, maar even later bleek dat een van de mannen Nederlandse ouders had (die rond de oorlog waren geëmigreerd). Een kleine wereld, zullen we maar zeggen.

Gezellige boel.

Gezellige boel.

De roadhouses liggen gemiddeld zo’n 150 kilometer van elkaar, en ik had van tevoren al het een en ander gevonden aan websites van mensen die de prijzen bij de verschillende stops een beetje in de gaten hielden. Op de snelweg gaat mijn auto zo’n 900 kilometer mee op een volle tank, dus ik had wat vrijheid om niet elke stop te hoeven tanken, en dat was gezien de prijzen wel prettig: kostte het 1,22 in Adelaide, onderweg kwam het soms op 1,75. Je zult het weten dat je in een afgelegen gebied bent.

Opal hopefuls

Origineel was m’n plan om de eerste stad pas te bereiken tegen het middaguur van de volgende dag, maar het rijden beviel me zo goed dat ik er even wat kilometers aan vastplakte. Tegen de schemering kwam ik op de eerste fatsoenlijke nederzetting sinds Port Augusta, zo’n 500 kilometer verderop: Coober Pedy.

Coober Pedy

Coober Pedy

De stad is van oorsprong een mijnstad, niet voor grondstoffen maar voor de nationale edelsteen van Australië, opaal. De opaalvelden zijn vanaf een afstand al aardig te zien, door de hopen opgegraven aarde die her en der verspreid liggen over grote vlaktes.

Opaalvelden

Opaalvelden

Los van de industrie is de stad ook nog op een merkwaardige manier gevormd. Vanwege de hoge temperaturen vonden de meeste mensen het niet zo’n strak plan om bovengronds te wonen; aangezien ze toch al aan het graven waren hebben ze dat doorgezet naar hun huizen, om wat natuurlijke koeling te zoeken. Het zijn niet volledige grotten (er is vaak het een en ander tegen de voorkant aangebouwd voor de ruimte) maar uiteindelijk betekent het wel dat de huizen meestal rond de bergen gegroepeerd liggen.

Half onder de grond wonen

Half onder de grond wonen

Tegen de tijd dat ik een camping had geregeld was de zon toch echt aan het ondergaan, dus dat leek me een goed moment om naar het uitkijkpunt te gaan bovenop een berg in het midden van de stad.

Big Winch Lookout

Big Winch Lookout

Zonsondergang in Coober Pedy

Zonsondergang in Coober Pedy

De volgende ochtend begon ik met een korte autorit naar een gebied vlak buiten de stad, naar een paar rotsformaties genaamd The Breakaways. Voor wie de woestijn nog niet mooi genoeg vindt moet dit toch wel de overtuigende plek zijn.

The Breakaways

The Breakaways

Om ook nog even een beeld te krijgen van het ondergrondse karakter van de stad ben ik ter afsluiting nog even langs een paar ondergrondse kerken geweest. Er is geen huis wat je kunt bezoeken wat niet in een museum is omgetoverd, maar de kerken zijn daadwerkelijk nog in gebruik en geven daarom een iets minder kunstmatig beeld. Kerken zijn er nogal veel (mijnwerkers houden wel van religie) maar ik hield het bij 2 stuks.

Servische Orthodoxe kerk

Servische Orthodoxe kerk

En de binnenkant.

En de binnenkant.

St Peter & Paul

St Peter & Paul

En de binnenkant.

En de binnenkant.

Daarna was het tijd om eens een opaalmijn van binnen te zien. Alhoewel er veel musea te vinden zijn is er volgens de meeste aanbevelingen maar 1 plek waar je echt een mijn kunt bezoeken die vandaag de dag nog in gebruik is, en daar ging ik heen. Het bleek echter dat ik een dag had gekozen waarop ze niet veel bezoekers verwachtten, dus de persoon die normaal het stuk in de open mijn begeleidt was nu gewoon aan het werk en dus niet beschikbaar voor rondleidingen. Jammer, maar de rondleiding in het oude stuk van de mijn was nog steeds erg uitgebreid (en het kosste minder).

Tom's Working Opal Mine

Tom’s Working Opal Mine

Een duidelijk verschil met andere soorten mijnen: geen stutwerk nodig.

Een duidelijk verschil met andere soorten mijnen: geen stutwerk nodig.

Een kijkje in het functionele deel, op afstand.

Een kijkje in het functionele deel, op afstand.

Het enige nadeel was wat mij betreft dat er ontzettend hard geprobeerd werd alles in een Facebook-attractie te veranderen. De hele tijd kreeg je de optie om een stuk gereedschap vast te houden, in een manlift te zitten of voor een graafmachine te staan, allemaal met de toevoeging “zodat je het op de foto kunt zetten”. De rest van mijn groep was een familie met twee kinderen dus die maakten er graag gebruik van, maar ik moest elke keer weer uitleggen dat het van mij allemaal niet hoefde (en dat mijn weigering om te poseren echt niet betekende dat ik het allemaal saai vond).

Speelgoed!

Speelgoed!

Ik had Coober Pedy wel zo’n beetje gezien en maakte me klaar voor vertrek, maar wel met een kleine omweg richting een ander stuk buitengebied. De Moon Plains staan bekend om hun uiterst vlakke en kale karakter en zijn daarom geregeld gebruikt als filmlocatie (meestal in films op een andere planeet of na een apocalyps).

Moon Plains

Moon Plains

Aan de rand van de Moon Plains is nog iets anders te vinden: de Dingo Fence, gemaakt om vruchtbare landbouwgrond te beschermen tegen dingo’s en bovendien het langste hek ter wereld. Er is misschien weinig te zien (als je er staat is de eerste gedachte toch gewoon “ja, het is een hek”) maar het is toch wel grappig om je te realiseren dat je halverwege een hek van 5600 kilometer staat.

Dog Fence

Dingo Fence

Het rooster in de weg rond de Dingo Fence. Deze is wel een stuk rigoreuzer dan de veeroosters die je elders ziet; zelfs als ik rechtuit liep moest ik opletten dat m'n voeten niet vast kwamen te zitten.

Het rooster in de weg rond de Dingo Fence. Deze is wel een stuk rigoreuzer dan de veeroosters die je elders ziet; zelfs als ik rechtuit liep moest ik opletten dat m’n voeten niet vast kwamen te zitten.

Coober Pedy gezien vanaf de Moon Plains, over de niet al te fantastische weg ernaartoe. Het ziet er al heet uit.

Coober Pedy gezien vanaf de Moon Plains, over de niet al te fantastische weg ernaartoe. Het ziet er al heet uit.

Drowning out the desert

Nadat ik de vorige dag 850 kilometer had afgewerkt stond er nu ‘slechts’ 750 kilometer op het programma. Onderweg kreeg ik het nodige te zien van woestijnweer, zoals kleine wervelwinden van stof die de weg overstaken.

Wervel...

Wervel…

...dewervel...

…dewervel…

Niet al te veel later was het tijd voor regen, en niet zo’n beetje ook. Volgens de logica “when it rains, it pours” reed ik het ene moment in de stralende zon met 40 graden op de thermometer, gevolgd door ruitenwissers op max, 10 meter zicht en een frisse 28 graden. Gelukkig werd het zicht snel beter (er zijn niet zoveel plekken waar je je auto veilig aan de kant kunt zetten, laat staan als je de weg niet ziet) maar de regen hield aan.

Cadney Park

Cadney Park

Marla Roadhouse

Marla Roadhouse

Het meest spectaculaire aan dit weer was wel de bliksem. Soms vielen de heuvels even weg en gaf de woestijn zo’n uitzicht dat je elke seconde wel ergens aan de horizon een ontlading zag. Het toppunt was echter veel dichterbij, toen ik op een lang recht stuk weg reed en 3 snelle ontladingen achter elkaar zag op ongeveer een kilometer afstand langs de rand van de weg. Ik weet niet wat indrukwekkender was: de bliksem zo dichtbij zien inslaan, of het feit dat bij elke inslag er een grote snelle vlam de lucht inschoot omdat er een boom ontplofte.

Op het asfalt was het op dit moment even droog, maar als je goed kijkt zie je in de verte opstuivend zand in de regen.

Op het asfalt was het op dit moment even droog, maar als je goed kijkt zie je in de verte opstuivend zand in de regen.

Onderweg had ik ook nog even wat ruzie met de elektronica in de auto: de stroom van de sigarettenaansteker was uitgevallen. Ik had het niet eens door totdat de Garmin op een gegeven moment te kennen gaf dat de batterij leeg was – nou was de weg makkelijk genoeg om gewoon op de borden te rijden, maar het leek me toch suboptimaal. Bij de volgende stop dus even gekeken wat er aan de hand was, en na de conclusie te trekken dat ik geen reserves had maar gelijk een stapel nieuwe zekeringen gekocht.

Welkom in de staat die geen staat is, waar de snelheidslimiet hoger ligt en de road trains nog langer mogen zijn.

Welkom in de staat die geen staat is, waar de snelheidslimiet hoger ligt en de road trains nog langer mogen zijn.

Erldunda Roadhouse

Erldunda Roadhouse

Vanaf Erldunda verruilde ik de noordelijke richting voor zo’n 2,5 uur richting het westen, en tegen het vallen van de avond kwam ik op m’n plaats van bestemming. Officieel heet het dorp Yulara, maar je krijgt een iets beter beeld bij de locatie (en reden voor mijn bezoek) met de alternatieve naam: Ayers Rock Resort. (En nee, ik ben niet echt van de resorts, maar dit is de enige plek op een beetje fatsoenlijke afstand waar je mag overnachten en ze hebben gelukkig ook een camping.)

Niet langer de Stuart Highway maar nu de Lasseter Highway.

Niet langer de Stuart Highway maar nu de Lasseter Highway.

Cadeautjes langs de kant van de weg.

Cadeautjes langs de kant van de weg.

Omdat ik de reis wat sneller had afgelegd dan origineel gepland was ik er een dag eerder, en omdat ik hierna niet zoveel lange dagen meer in de planning had staan verwachtte ik niet dat ik die extra tijd later per se nodig had. Ik besloot dus m’n verblijf gewoon met een dag te verlengen. Dat kwam goed uit vanwege de temperaturen: ten eerste is het in de zomer om die reden laagseizoen en zijn er flinke kortingen (in dit geval 3 nachten voor de prijs van 2, precies goed) en ten tweede bleek dat de meeste wandelingen met een beetje afstand na 11:00 afgesloten worden voor de veiligheid van wandelaars in de hitte. Ik was van plan 2 grote wandelingen te doen, en die afsluiting betekende dat ik het op 2 losse dagen moest doen – dat ik er nu 2 volle dagen zou zijn was dus helemaal niet verkeerd.

Tussendoor nog even dit: de receptioniste van de camping herkende het paspoort en vroeg welk deel van Nederland ik vandaan kwam. Meestal houd ik het bij “opgegroeid in het centrum, ik woon naast Duitsland” want de plaatsnamen zeggen mensen toch niks, maar dat was nu anders. “Enschede? The place with the fireworks, right? I went there once. My mother grew up in Borne!”

Back on the beaten path

Uluru (de traditionele naam van Ayers Rock) is vooral beroemd van de dieprode kleur die het heeft in zonsopgang en zonsondergang. Aangezien ik voor de wandeling toch al vroeg op moest vond ik dat ik prima nog wat eerder kon opstaan om dit ook eens mee te maken. Dat betekent dat de wekker ging om 4:30, en uiteindelijk rond 5:30 in de auto zat. Normaal vermijd ik rijden in het donker in dit land, want er zijn nogal wat beesten rond de wegen juist heel actief in de nacht en tijdens de schemering, maar het was nu een relatief korte rit en dat leek me wel haalbaar om extra geconcentreerd te rijden. Overigens leek ik een van de weinigen te zijn die zich hier druk om maakten, want van de colonne die in het donker richting het uitzichtpunt rijdt lijkt het merendeel vooral bang te zijn de zonsopkomst te missen (ook al waren ze ruim op tijd); vooral veel te hard rijden dus, en vergeet vooral niet om geregeld mensen in te halen in blinde bochten met doorgetrokken strepen op de weg. Ik moest weer eens denken aan de vele mensen in alle delen van het land die elke keer weer hetzelfde vertellen: de meeste ongelukken worden veroorzaakt door toeristen die niet doorhebben dat er andere omstandigheden zijn in dit land, veel te hard rijden en vooral geen rekening houden met de wegen (die niet altijd even geweldig zijn) en de natuur. Aziaten zijn er blijkbaar extra goed in.

Goooooooeeeeeedemorgen.

Goooooooeeeeeedemorgen.

Die zonsopkomst bleek niet echt anders te zijn dan de gemiddelde lookout: je gaat ernaartoe, je blijft even kijken, en dan denk je “tja, dat was het dus”. Het is best een mooi plaatje, daar niet van, maar als je je bedenkt dat een leeuwendeel van de toeristen puur en alleen voor die schemermomenten komt vraag je je toch een beetje af of er iets magisch is dat jij niet ziet en de rest wel. Even om me heen kijken gaf al snel aan dat dat niet het geval was: mensen zijn druk bezig met foto’s en selfies, en praten zelfs hardop over dat ze daarmee weer iets van hun bucket list kunnen afvinken (true story) en gaan daarna weer terug naar het resort om in het zwembad te springen. Pure waanzin.

In de schaduw...

Uluru in de schaduw…

...en in het morgenrood.

…en in het morgenrood.

Terwijl de meesten dezelfde weg terug namen reed ik de weg wat verder af, op naar het startpunt van de wandeling. Als je eenmaal op die steen afrijdt en op een gegeven moment aan de voet ervan staan is dat wel ineens een stuk indrukwekkender dan van een afstand moet ik zeggen.

Well hello.

Well hello.

Om m’n goede traditie van stevige wandelingen tijdens deze reis voort te zetten koos ik voor de Base Walk, die in 4 uur het hele rondje maakt rond Uluru. Je ziet niet alleen de verschillende hoeken (en bijzondere vormen) van de steen zelf, maar ook de bijzondere stukjes natuur eromheen.

Rotstekeningen van de Aborigines

Rotstekeningen van de Aborigines

Er zijn ook wat grotere grotten hier en daar.

Er zijn ook wat grotere grotten hier en daar.

Er is nog best wat groen in de buurt.

Er is nog best wat groen in de buurt.

De grote vijver bij Kantju Gorge droogt in de zomer een beetje op...

De grote vijver bij Kantju Gorge droogt in de zomer een beetje op…

Het was warm, maar met genoeg water, eten en stops is het prima te doen. De droge woestijnwind zorgde bovendien af en toe voor wat aardige verkoeling. Dat was niet verkeerd, want toen ik terugkwam bij de auto vertelde de thermometer dat het om 10:30 al 36 graden was, en ik had gelijk nog meer begrip voor het sluiten van het pad met dit soort omstandigheden.

Je hebt soms wel een beetje het idee dat je tegen versteende chocolademousse aankijkt.

Je hebt soms wel een beetje het idee dat je tegen versteende chocolademousse aankijkt.

Nee, het is niet bepaald een uniform ronde vorm.

Nee, het is niet bepaald een uniform ronde vorm.

Mijn eindoordeel: het is eigenlijk ook maar gewoon een steen. Het is geologisch gezien een hele interessante, er zijn best wat leuke hoekjes voor de natuur en natuurlijk is er een gigantische verzameling aan Aboriginal-mythes die eraan verbonden zijn, maar moet je het ding per se met eigen ogen zien om dat te waarderen? Niet echt. De wandeling was totaal niet bijzonder (je loopt gewoon een aangelegd rondje over vlakke grond) en alhoewel er best wat borden staan die af en toe wat toelichting geven over de natuur, de mythes of hoe Aboriginals er vroeger woonden, is verreweg het grootste deel gewoon wandelen met een nogal eentonig uitzicht. Dat gezegd hebbende is het wel een stuk interessanter dan puur van een afstandje de effecten van ochtend-/avondrood bekijken, en als je het bij een wat kortere wandeling houdt (die ook beschikbaar is met een gratis Aboriginal-gids die er wat dingen bij vertelt) is het echt wel een aanrader. (Mijn gok is dat de wandeling die ik koos simpelweg geen meerwaarde heeft bovenop de wandeling van 1 uur, en dat dat m’n oordeel een beetje scheef trekt.)

Culture schmulture

Nadat ik m’n lunch had weggewerkt ging ik terug het park in, op naar het cultuurcentrum. Hier doet het beheer haar best om de cultuur van de lokale Aboriginal-stammen toe te lichten, de verhalen wat meer achtergrond te geven en de geschiedenis van het gebied in te vullen. Ik heb er denk ik een klein uur rondgewandeld en best wat leuke dingen gezien, maar opnieuw had ik gewoon meer verwacht. Ik heb het gevoel dat het nationale museum in Canberra meer achtergrond geeft dan dit cultuurcentrum, en dat voelt toch een beetje scheef.

Nou denk ik dat dit een beetje te maken heeft met de onzekerheid van het parkbestuur, die je onder andere ook terugziet in de beklimming van Uluru: er worden tours aangeboden waarmee je de steen kunt beklimmen, maar tegelijkertijd word je als bezoeker keer op keer gevraagd vooral niet te klimmen. De Aboriginals vinden het beklimmen namelijk een vorm van heiligschennis en willen het eigenlijk niet, maar het is een tijd lang zo’n standaardonderdeel geweest voor Australiërs die het park bezoeken dat Parks Australia bang is dat het verbieden van de klim mensen wegjaagt (en dus een terugloop in inkomsten betekent). Dat cultuurcentrum voelt ook alsof er veel meer mee gedaan had kunnen worden, maar de beperkte uitvoering maakt het toegankelijker voor mensen die eigenlijk niet zo geïnteresseerd zijn, terwijl uitbreiden zou kunnen betekenen dat mensen het een museum vinden en dus helemaal niet meer komen. Het is allemaal wel een beetje begrijpelijk, maar toch ook wel een beetje vreemd.

Mijn plan was om die avond naar de zonsondergang te kijken (als ik er toch ben kan ik er net zo goed gebruik van maken) maar dat liep niet helemaal zoals gepland. Er brak een flinke regenbui open in de avond, en tegen de tijd dat de zon onder ging (en ik eenmaal bij de lookout stond) was het dusdanig heftig onweer dat er van de schemering niks meer te zien viel. Het leverde echter wel het spectaculaire beeld op van bliksem rond Uluru, en een keer zelfs een inslag op de top; dat zie je ook niet elke dag.

Uluru? Waar?

Uluru? Waar?

De parkeerplaats bij de lookout was praktisch leeg (goedweertoerisme is hier nogal letterlijk) en ik raakte aan de praat met de paar andere mensen die de regen trotseerden om het natuurgeweld te zien. Op een gegeven moment had een van hen de briljante ingeving om bij Kantju Gorge te kijken – een van de waterplassen rond Uluru die ontstaat doordat de vorm van de steen het regenwater er heel netjes naartoe geleidt. We sprongen dus snel de auto in en sjeesden ernaartoe (er is een parkeerplaats praktisch naast de Gorge) en waren er getuige van een ware waterval die langs de wand gutste.

Hoe ziet dat er dan uit? Het was tegen die tijd sowieso al heel donker, en rond Kantju Gorge zijn er ook nog vele bomen – niet bepaald iets waar mijn camera fatsoenlijk beeld mee kan produceren. Met een beetje Googlen kom je echter een heel eind.

Second-rated, first class

De volgende dag was ingepland voor het andere grote stuk natuurschoon in het park: Kata Tjuta (ook wel bekend als Mount Olga of The Olgas). Het is zo’n 50 kilometer verder dan Uluru, en dat betekende dus nog iets eerder vertrekken om ook hier maar even de zonsopkomst mee te pakken. Het was op dit uitzichtpunt iets rustiger, en de gemiddelde leeftijd was ook duidelijk hoger: dit was wat meer de categorie die reisgidsen en brochures leest en dus weet wat het park allemaal te bieden heeft, en niet gewoon afkomt op dat ene ding waar ze ooit van gehoord hebben (tenminste, zo verklaarde ik het).

Kata Tjuta

Kata Tjuta

Ook hier ging ik weer voor de grootste wandeling die er was, een rondje door de Valley of the Winds. In een woord: geweldig.

Zelfs om 7 uur 's ochtends is een zonnebril wel prettig hier.

Zelfs om 7 uur ‘s ochtends is een zonnebril wel prettig hier.

Officieel zijn er 39 van deze 'domes', maar ze zijn nogal met elkaar vergroeid.

Officieel zijn er 39 van deze ‘domes’, maar ze zijn nogal met elkaar vergroeid.

Het contrast met Uluru had niet groter kunnen zijn. De rotsformaties lijken dezelfde geologische achtergrond te hebben maar zijn veel veelzijdiger, de wandeling heeft echt wat uitdagende stukken (stevige klimstukken, losse rotsen op het pad en lekker hoogteverschil) en de natuur is waanzinnig afwisselend.

Rotsen, planten en in de winter blijkbaar zelfs een beekje.

Rotsen, planten en in de winter blijkbaar zelfs een beekje.

Valley of the Winds

Valley of the Winds

Dat was best een stevige afdaling!

Dat was best een stevige afdaling!

Er zijn hier geen borden met uitleg over de achtergrond, simpelweg omdat dat geheim is. Blijkbaar is de echte betekenis voorbehouden aan Aboriginal-mannen die een bepaalde beproeving hebben doorstaan, dus zelfs de mensen van Parks Australia weten dat niet. Maar het is gelukkig niet zo heilig dat je er niet mag rondlopen, alhoewel ze je wel vragen om uit respect stil te zijn tijdens de wandeling. Dat is voor sommige toeristen natuurlijk echt ontzettend moeilijk, want zeg nou zelf, als jij een paar rotswanden ziet is het toch logisch dat je als een kind gaat experimenteren hoe hard je er een echo doorheen kan krijgen?

Soms bergachtig, soms lekker vlak.

Soms bergachtig, soms lekker vlak.

Kata Tjuta vanuit de vallei

Kata Tjuta vanuit de vallei

Vandaag is roooooooooooood...

Vandaag is roooooooooooood…

Wat betreft toeristen en borden lezen (ja, ik klaag graag over het stereotyp van vervelende reizigers): sinds wanneer voldoen sneakers aan de aanbeveling “sturdy footwear”? Zoals gezegd heeft deze wandeling best wat pittige oppervlakken, en ik heb vrijwel alle andere mensen op het pad hier moeite mee zien hebben om de simpele reden dat ze flinterdunne schoenen dragen. Nou weet ik dat ik een vrij extreem geval ben (mijn bergschoenen zijn uitgevoerd als veiligheidsschoenen, dus ik heb er de voordelen van stalen neuzen en stalen zolen bij) maar om nou helemaal geen wandelschoenen aan te trekken op een pad dat overal geadverteerd wordt als vrij pittig vind ik toch wel ronduit dom. Een van de redenen dat dit me zo is bijgebleven is dat ik op een gegeven moment twee meiden passeerde die hardop aan het vloeken waren dat er niet was aangegeven dat het pad zo slecht was – voor mij genoeg reden om zo ongeveer al het bovenstaande te citeren als tegenargument. Hun reactie daarop was zo absurd dat ik er daadwerkelijk even geen antwoord op wist: “Stevige schoenen, dat betekent toch gewoon ‘geen slippers’?”

(Ik ben op het moment van schrijven alweer wat verder en heb er bij andere wandelingen sindsdien extra op gelet, en ja, dit komt overal voor.)

Die avond moest ik kiezen of ik in de herkansing ging voor Uluru, of richting Kata Tjuta zou rijden voor de zonsondergang. Vanwege de extra reistijd naar die laatste (en de lengte van de rit in het donker die daarbij hoorde) vond ik dat eigenlijk niet zo’n geweldig plan, maar even later bleek dat ook de eerste optie niet zoveel zou opleveren. Er was weliswaar geen regen, maar het was nog steeds ontzettend bewolkt, dus er was wederom weinig te zien. Desondanks ben ik toch maar even wezen kijken, en alhoewel de parkeerplaats dit keer veel voller stond betekende het vooral veel meer teleurgestelde mensen.

Wel opnieuw een grappige anecdote wat betreft kennis over Nederland, dit keer niet over Enschede maar over Amersfoort. Ik zeg er vaak bij dat het bij Utrecht in de buurt ligt, want soms herkennen mensen dat nog van de start van de Tour. Dit keer nog beter: van het clubje waar ik mee aan de praat raakte was er een jongen die een paar maanden in Utrecht had gestudeerd via ESN, en hij had daadwerkelijk van Amersfoort gehoord.

A canyon fit for a king

De reis vervolgde naar een nabijgelegen natuurpark – relatief dichtbij dan, namelijk op 4 uur rijden. Het was een stukje terug naar de Stuart Highway, om vervolgens ruwweg halverwege een afslag te nemen naar het noorden. Onderweg heb ik nog even wat stops gemaakt om de omgeving wat beter te bekijken; ik was er al een keer langsgekomen, maar toen deed ik m’n best om voor het donker aan te komen en had ik niet echt zin om te stoppen.

Attila, ook bekend als Mount Conner, wordt door sommige toeristen nog wel eens aangezien voor Uluru.

Attila, ook bekend als Mount Conner, wordt door sommige toeristen nog wel eens aangezien voor Uluru.

Rond lunchtijd kwam ik aan op de plaats van bestemming in Watarrka National Park. Ook hier kwam ik weer terecht in een zogenaamd resort, maar ik hield het hier lekker bij de kampeeroptie.

Nou was er in het andere park al gewaarschuwd dat in Watarrka dezelfde maatregelen gelden rond warm weer: je moet voor een bepaalde tijd aan de wandeling beginnen, daarna sluiten ze het pad af. Ik bleek echter mazzel te hebben want het was deze dag vrij gematigd (lees: 30 graden en overwegend bewolkt) dus dat was niet van kracht. Het was iets na lunchtijd toen de tent stond, en dat gaf me genoeg tijd om de wandeling nog dezelfde dag te doen in plaats van de volgende ochtend. Dat stilzitten in de middaguren bij Yulara vond ik eigenlijk niks dus ik vond het allang best dat ik dat niet opnieuw hoefde te doen, en ik ging dus gelijk op naar de wandelroute.

De grote attractie van Watarrka is Kings Canyon, een reeks kloven in het George Gill-gebergte. Het wordt nogal eens de Grand Canyon van Australië genoemd, maar het is toch een beetje anders omdat het door een gebergte loopt. Mijn wandeling, de Rim Walk, volgt het grootste deel van de kloof langs de rand – die wandeling begon met een stevige klim naar de top van de berg, en ondertussen vraag je je toch af waar die kloof blijft. Zodra je eenmaal boven bent is het echter niet te missen.

Klimmen zul je!

Klimmen zul je!

George Gill Range

George Gill Range

Het begin van Kings Canyon

Het begin van Kings Canyon

Kings Canyon

De steilste wand, die nog het meest aan de Grand Canyon doet denken.

Wat Kings Canyon zo bijzonder maakt is dat het een combinatie is van heel veel verschillende vormen van natuur. Geologisch is het sowieso waanzinnig: niet alleen de kloof, maar ook de wanden van zandsteen die je bovenop de bergen tegenkomt geven elke keer weer bijzondere nieuwe beelden.

Bovenop kom je hele verzamelingen van dit soort gelaagde zandsteentaarten tegen.

Bovenop kom je hele verzamelingen van dit soort gelaagde zandsteentaarten tegen.

Felrood en donkergroen is hier wel vrij gangbaar.

Felrood en donkergroen is hier wel vrij gangbaar.

Soms zijn er hele vlakke plateaus te vinden waar geen klimmen voor nodig is.

Soms zijn er hele vlakke plateaus te vinden waar geen klimmen voor nodig is.

Daar komt een hele stapel aan dieren bij, van hagedissen en vogels tot gigantische kangoeroes, die ik op een moment zelfs steile bergwanden omhoog en omlaag heb zien nemen alsof het berggeiten waren.

Skippy!

Skippy!

Dippy! (Je moet even zoeken, maar hij zit hier ruwweg in het midden op weg naar rechtsonder.)

Dippy! (Je moet even zoeken, maar hij zit hier ruwweg in het midden op weg naar rechtsonder.)

Maar het meest bijzondere zit ‘m wel in de flora, want de Kings Creek die door de kloof loopt voedt daar een gigantische explosie aan groen die voor je gevoel helemaal niet thuishoort in de woestijnachtige omgeving. Dit kleine paradijsje heet dan ook Garden of Eden, en alhoewel ik ze echt niet allemaal kan onderscheiden heb ik me laten vertellen dat eenderde van alle plantensoorten in heel Northern Territory is vertegenwoordigd in deze ‘tuin’.

Garden of Eden

Garden of Eden

Het water is hier een stuk minder opgedroogd dan bij Uluru en Kata Tjuta.

Het water is hier een stuk minder opgedroogd dan bij Uluru en Kata Tjuta.

Hier is na stevige regen soms een waterval, maar zoveel geluk had ik dit keer niet.

Hier is na stevige regen soms een waterval, maar zoveel geluk had ik dit keer niet.

Ik kan wel heel uitgebreid van alles en nog wat vertellen over de wandeling, maar eigenlijk kan ik er heel kort over zijn: dit is verreweg het mooiste en gaafste wat je kunt zien in centraal Australië. Je bent 4 uur aan het wandelen en dat is misschien een beetje pittig, maar elke minuut daarvan ontdek je weer iets nieuws om versteld over te staan. Vergeet Uluru, negeer even de West MacDonnels (die hieronder komen) en zelfs Kata Tjuta mag je wat mij betreft links laten liggen – als je 1 plek bezoekt in het befaamde Red Centre, maak het dan Kings Canyon.

Vanaf Cotterill Bridge

Vanaf Cotterill Bridge

In de avond kreeg ik trouwens nog een extra cadeautje van Watarrka: toen ik op de camping aan het eten was kwam er opeens een jonge dingo over het veld hobbelen. Nou kunnen dat (ondanks hun vrolijke hond-achtige uiterlijk) verdomd gevaarlijke beesten zijn, maar deze was vooral erg nieuwsgierig en leek wel gewend te zijn aan de mensen op de camping. Ik deed m’n best het eten van ‘m weg te houden (niet alleen omdat ik zelf honger had, maar je hoort elke diersoort gewoon absoluut niet te voeren) en na een minuutje was ik daarom ook niet interessant meer. Het is inmiddels de zoveelste diersoort die ik helaas niet op de foto heb staan, maar opnieuw vond ik het er zelf niet minder leuk om.

Down the rabbit hole

Omdat ik de wandeling de vorige dag al had gedaan kon ik lekker op tijd vertrekken vanuit Kings Canyon Resort, op naar zo ongeveer de enige plaats die de meeste mensen in dit gebied bij naam kennen: Alice Springs. Voor veel mensen is Alice ook synoniem met Uluru, maar zelfs voor Australische begrippen liggen ze niet bepaald bij elkaar om de hoek. Vanuit zowel Yulara als vanuit Watarrka is de rit naar deze stad zo’n 5,5 uur.

A town called Alice

A town called Alice

Het is wellicht ooit begonnen als een hele belangrijke nederzetting, bijna letterlijk “in the middle of nowhere” ooit opgezet om de telegramlijn tussen Darwin en Adelaide te ondersteunen. Inmiddels is het echter gewoon een goed ontwikkelde stad met alle gemakken die je buiten de woestijn tegenkomt.

Alice Springs CBD

Alice Springs CBD

In Nederland hebben we slagbomen als er een brug over water heen gaat. Hier zijn er slagbomen voor als het water over de weg heen staat.

In Nederland hebben we slagbomen als er een brug over water heen gaat. Hier zijn er slagbomen voor als het water over de weg heen staat. Dit is laag water, dus ze waren open.

Het belangrijkste verschil met andere steden is de grote hoeveelheid Aboriginals op straat (voor m’n gevoel is het ongeveer de helft van de mensen). Alhoewel ik ze niet allemaal kan onderscheiden zegt mijn reisgids dat er 6 verschillende talen worden gesproken op straat, en dat geloof ik zo. Nou is mijn ervaring een beetje scheef omdat heel Northern Territory een wat grotere verhouding heeft in de steden (en dit is de eerste stad die ik er bezoek) maar het is desondanks wel een grappige verrassing.

Hoe draag je de lokale cultuur goed uit? Juist, via de prullenbakken!

Hoe draag je de lokale cultuur goed uit? Juist, via de prullenbakken!

Wat een beetje minder is, is de ietwat grimmige sfeer die er lijkt te hangen. Ik kan er niet helemaal mijn vinger op leggen, maar het voelt gewoon alsof er tegen het begin van de avond iets broeit wat niet helemaal pluis is. Ik heb ontzettend veel politiepatrouilles gezien (inclusief politie te paard door het centrum) die op zich allemaal vrolijk rondkijken en niet per se ergens naar op zoek lijken te zijn, maar met hun aanwezigheid wel een bepaald signaal lijken af te geven. Het is ook de enige stad waar de Lonely Planet expliciet een waarschuwing voor geeft dat je er ‘s avonds niet alleen over straat moet gaan, en als je je een beetje inleest in de geschiedenis van criminaliteit in Alice Springs snap je dat ook wel. Laat ik even duidelijk zijn: ik heb me er geen moment onveilig gevoeld en vond het een aardige stad om doorheen te lopen, maar ik heb er een bepaalde ondertoon gevoeld die ik nog niet eerder ben tegengekomen in dit land.

Anzac Memorial

Anzac Memorial

Alice vanaf Anzac Hill, met de MacDonnel Ranges op de achtergrond

Een klein stukje Alice vanaf Anzac Hill, met de MacDonnel Ranges op de achtergrond

On being sent west

Na een nacht in The Alice reed ik de volgende dag door naar een natuurpark dat wel degelijk op praktische afstand ligt van de stad: de West MacDonnel Ranges, ofwel de westelijke helft van de paralelle bergketens waar Alice Springs zo ongeveer middenin is geplaatst. Het gebied strekt zo’n 150 km ten westen van Alice Springs, en langs deze lengte ligt een mooie weg waaraan je met regelmaat tussenstops tegenkomt. Het grootste deel van de tussenstops is gericht op kloven in de bergketens, soms met mooie waterplassen erbij die zelfs midden in de zomer ijskoud zijn en daarom erg populair zijn om in te zwemmen.

Simpsons Gap

Simpsons Gap

Larapinta Valley

Larapinta Valley

Simpsons Gap vanaf Cassia Hill

Simpsons Gap vanaf Cassia Hill

Standley Chasm (mensen voor schaal)

Standley Chasm (mensen voor schaal)

Ellery Creek Big Hole

Ellery Creek Big Hole

Ormiston Gorge

Ormiston Gorge

Glen Helen Gorge

Glen Helen Gorge

Een grote uitzondering is een plek waar het verweren van de steensoorten een bepaalde vallei heeft omgetoverd in een soort schilderspalet. Aboriginals haalden hier lange tijd hun verschillende kleuren vandaan voor zowel rotsschilderingen als lichaamsversiering.

Ochre Pits

Ochre Pits

De tweede uitzondering is helaas alleen op afstand te zien: Tnorala, ook bekend als Gosses Bluff. Alhoewel het eruitziet als een tafelberg is het in werkelijkheid een gigantische krater van een meteorietinslag.

Gosses Bluff vanaf Tyler's Lookout

Gosses Bluff vanaf Tyler’s Lookout

Plains, aliens and automobiles

Na een krappe week liet ik het centrum van het continent achter me om verder naar het noorden te steken langs de Stuart Highway.

De steenbokskeerkring

De steenbokskeerkring

Een van de wat…bijzonderdere tussenstops is Wycliffe Well. Deels omdat de brandstof hier echt ontzettend duur is (wat een beetje onhandig is qua concurrentie aangezien er een half uurtje verderop een zit met bijna 10 cent verschil in de prijzen) maar toch vooral omdat deze plek zichzelf heeft uitgeroepen tot de UFO-hoofdstad van het land.

Wycliffe Well

Wycliffe Well

Ik noem dit "Aussie 51"

Ik noem dit “Aussie 51”

In Northern Territory is de maximumsnelheid op grote snelwegen trouwens niet 110 maar 130, en op delen van de Stuart Highway is er zelfs helemaal geen snelheidslimiet. Dat klinkt allemaal natuurlijk heel leuk (gigantische lange stukken weg die niet heel druk zijn) maar als je je bedenkt dat benzinestations relatief dungezaaid zijn is het toch niet zo heel praktisch. Er zijn nogal wat verhalen van toeristen die zich niet realiseren dat hun verbruik absurd hoog wordt op 160 en vervolgens met een lege tank zitten. Ik hield het bij mijn tactiek: geen road trains inhalen als het niet hoeft, lekker doorrollen op 100.

Devils Marbles

Devils Marbles

Tegen het eind van de middag kwam ik aan in Tennant Creek, en dat ging niet geheel zonder verrassingen. Toen ik afremde om te parkeren bij de receptie van een camping viel me namelijk een bijzonder geluid op dat ik niet eerder had gehoord (het was waarschijnlijk weggevallen tegen het volume van de motor op hoge snelheid). Een beetje onderzoek gaf aan dat het geluid veranderde met de toeren van de motor, en toen ik een beetje rondkeek zag ik wat druppels onder de auto vandaan komen. Je raadt het al: tijd om de ANWB te bellen. Na de RACT en RACV werd ik dit keer geholpen door de AANT. Terwijl ik wachtte op de monteur had ik tijd om even te bedenken dat ik opnieuw wel een beetje mazzel had gehad: Tennant Creek is de enige stad van een beetje formaat in een straal van zo’n 600 kilometer. Als je tussen Alice Springs en Katherine een plek moet kiezen om een garage te zoeken, dan is dit duidelijk de beste plek. De monteur was er vrij snel, en concludeerde binnen een minuut dat het een lek in de leidingen van de stuurbekrachtiging was. Zijn gok was dat er een leiding vervangen moest worden (uurtje werk en het zou mij niks kosten) maar aangezien het inmiddels bijna zes uur was stelde hij voor om morgenochtend even bij z’n garage langs te komen.

Ze houden in de woestijn van goedkope bouw, dus hier zit gewoon een garage in.

Ze houden in de woestijn van goedkope bouw, dus hier zit gewoon een garage in.

Die volgende ochtend was de diagnose nog simpeler: de pomp lekte, maar erg traag. In plaats van 700 dollar uit te geven aan het vervangen van een pomp stelde hij daarom voor dat ik een literfles vloeistof bij het eerstvolgende tankstation kocht om het reservoir af en toe even bij te vullen – waarschijnlijk zou ik er in de laatste weken van mijn reis nog lang niet 1 fles doorheen jagen, dus dat was veel goedkoper. Zo gezegd, zo gedaan, en ik was al snel weer onderweg.

Je ziet nogal wat van dit soort termiethopen langs de kant van de weg. Soms zijn er een paar hele grote jongens aangekleed met T-shirts of hoeden.

Je ziet nogal wat van dit soort termiethopen langs de kant van de weg. Soms zijn er een paar hele grote jongens aangekleed met T-shirts of hoeden.

Putting the wet in tropics

Tegen het einde van de middag kwam ik aan in Katherine. Dat was een beetje per ongeluk (ik was vooral onderweg naar Litchfield en ik had niet echt tussenstops gepland) en dat leverde wel een interessant ‘probleem’ op. Nitmiluk, een van de drie wereldberoemde natuurparken van de bovenhelft van NT (bekend als The Top End) ligt naast Katherine, en dat had ik in de planning staan voor wanneer ik dit stukje weg weer de andere kant op zou rijden. Ik had niet echt heel veel zin om dat op te schuiven want dat zou betekenen dat ik op die terugreis juist een lege planning zou hebben. Uiteindelijk koos ik voor een tussenweg: ik liet de hoofdattractie aan de zuidkant van Nitmiluk even liggen voor de volgende stop, en ging nu naar de noordkant voor de iets minder bekende attractie, Edith Falls.

Hoe noordelijker, hoe groener

Hoe noordelijker, hoe groener

Voor wie het was vergeten: "everything in Australia wants to kill you".

Voor wie het was vergeten: “everything in Australia wants to kill you”.

Toen ik de tent ging opzetten op de camping merkte ik wel gelijk dat ik hier in de tropische kant van het continent terecht was gekomen. Nadat ik een hele dag ik de comfortabele airco had gezeten was het wel even wennen om met 35 graden bij 90% luchtvochtigheid rond te lopen. The Top End heeft in deze tijd van het jaar ook nog eens een regenseizoen, en ik stond in een bossig gebied dat de afgelopen dagen duidelijk het nodige water had gekregen (en vasthield). Dat maakte het wel een prachtlocatie om rond te lopen.

Edith Falls

Edith Falls

Leliyn Creek

Leliyn Creek

In de nacht brak die regen vervolgens ook echt los, dus de volgende ochtend moest ik een tent met een bijna doorweekte buitenlaag inpakken. In ieder geval was het niet het enige doorweekte; mijn kleren waren na een paar minuten rondlopen ook alweer helemaal doordrenkt van het zweet. In de wetenschap dat ik hier toch maar aan moest wennen liet ik dit me er niet van weerhouden om even een wandeling te doen in het gebied.

Klimmen door stroperige lucht

Klimmen door stroperige lucht

Maar je krijgt er wel mooi uitzicht voor terug

Maar je krijgt er wel mooi uitzicht voor terug

Dat wandelen zorgde wel voor ontzettend veel meer zweet, maar het was zeker een goed idee. Bovenal blijf ik het leuk vinden dat ik af en toe op plekken ga kijken die totaal niet in m’n planning staan, en dat bijna al die plekken toch wel bijzondere stukjes natuurschoon lijken te zijn. Er is gewoon ontzettend veel om te zien in dit land, blijkt maar weer.

Upper Falls

Upper Falls

Upper Rock Pool

Upper Rock Pool

Na ongeveer anderhalf uur was ik toch wel erg blij om weer even in de airco van mijn auto te kunnen duiken, verder op weg naar het noorden.

(Litch)field day

Waar Nitmiluk in de meeste lijstjes op plaats 3 staat van de natuurparken in het noorden van The Territory, staat de volgende attractie vaak op plaats 2: Litchfield. Nou is er in dit park van alles en nog wat te doen, maar een paar dingen zijn alleen bereikbaar met een 4WD en bovendien is in het regenseizoen van alles en nog wat afgesloten (voornamelijk omdat wegen weggespoeld of overstroomd zijn). Dat zorgde ervoor dat het restant van de opties best overzichtelijk was, en het paste redelijk netjes in een dag.

Wat is er open? Nou, niet zo veel.

Wat is er open? Nou, niet zo veel.

Buley Rockhole was de eerste plek. Effectief is het een breed stuk van een aflopende beek, met wat rotsen die een kleine cirkel maken. Het is vooral mooi als een plek om te zwemmen, maar eerlijk gezegd niet heel spannend om te zien.

Tja, een betere foto heb ik niet.

Tja, een betere foto heb ik niet.

Florence Falls is een ander geval. Ook hier is het voor de meeste bezoekers vooral interessant als plek om te zwemmen, maar hier is daadwerkelijk iets te zien. Te beginnen met de waterval zelf.

Florence Falls

Florence Falls

Florence Creek

Florence Creek

Een wandeling van een dik half uur loopt langs zowel stukken regenwoud als iets wat officieel savanne heet – niet bepaald wat je ervan zou verwachten, maar anders dan het regenwoud is het zeker.

Shady Creek

Shady Creek

Welkom op de savanne

Welkom op de savanne

De volgende halte: Tolmer Falls. Hier is vrij weinig dichtbij te doen, maar gelukkig kun je vanaf de lookout ook hier een beetje een toeristische route terug nemen naar de parkeerplaats. Al snel is er weer een uur weggewandeld.

Tolmer Falls

Tolmer Falls

Toch wel iets anders dan de woestijn: geen rotsen met een beetje groen, maar groen met een beetje rotsen.

Toch wel iets anders dan de woestijn: geen rotsen met een beetje groen, maar groen met een beetje rotsen.

Tolmer Creek

Tolmer Creek

Ik zie door het bos de bergen niet meer.

Ik zie door het bos de bergen niet meer.

Tegen het einde van de middag bracht dit me bij Wangi Falls. Dit zijn waarschijnlijk wel de meeste indrukwekkende watervallen van het hele park met een mooie plek om vanaf te kijken, maar ik vermoed dat je hier toch wel echt het maximale uithaalt als je er ook kunt rondzwemmen (wat hier in het regenseizoen niet mag vanwege de kans op krokodillen). Ook hier ben ik even gaan rondwandelen, maar ik had er al een paar uur wandelen opzitten die dag en de drukkende temperatuur en vochtigheid maakten het hier toch wel echt heel zwaar – genoeg reden om na een kwartier toch maar weer om te keren.

Wangi Falls

Wangi Falls

Deze planten staan ongeveer een paar weken per jaar in bloei. Rara wanneer ben ik er?

Deze planten staan ongeveer een paar weken per jaar in bloei. Rara wanneer ben ik er?

Er zijn verschillende mogelijkheden voor kamperen in het park, maar ik koos er uiteindelijk voor om terug te rijden naar Florence Falls. Deels omdat die camping een stuk leger leek dan de andere opties die ik had gezien, maar ook deels omdat er bij Florence Falls daadwerkelijk gezwommen mag worden. Toen ik er eerder op de dag was had ik daar niet zoveel zin in (vooral omdat ik dan weer zou moeten omkleden om verder te gaan naar de volgende stops) maar als je ernaast kampeert is het een ander verhaal. Om het helemaal mooi te maken bleek de plek verlaten te zijn (zowel de camping als het water).

Florence Falls vanuit het water

Florence Falls vanuit het water

And finally…

Omdat ik de kans toch niet elke dag krijg begon ik de volgende dag ook weer even met een paar baantjes onder de watervallen. Daarna even douchen, inpakken en het laatste stukje van de lange rit afwerken. Na de laatste paar uren op de Stuart Highway was er eindelijk weer iets van een stad zichtbaar.

Dadadadadadadada-Darwin!

Dadadadadadadada-Darwin!

En na 10 dagen dwars door het continent zag ik weer water. Dit keer niet de Grote Australische Bocht, maar de Timorzee.

Port Darwin

Port Darwin

Leave a Reply